Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-02-13
ECLI:NL:PHR:2024:132
Strafrecht
4,795 tokens
Inleiding
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02497 Br
Zitting 13 februari 2024
AANVULLENDE CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de klager
1Aanleiding voor de nadere conclusie
1.1
De rechtbank Oost-Brabant, heeft bij beschikking van 30 mei 2023 het op grond van art. 552a Sv en art. 5.1.11 Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem op de voet van art. 94 Sv in beslag genomen iPhone, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam en M.W. Stoet, advocaat te Den Haag, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Op 19 december 2023 heb ik in deze zaak een conclusie genomen met als strekking dat de klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep wegens kort gezegd onvolkomenheden in de volmacht tot het instellen van cassatieberoep. De middelen heb ik onbesproken gelaten. De Hoge Raad heeft bij tussenbeschikking van 30 januari 2024 geoordeeld dat de onvolkomen volmacht niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep en mij in de gelegenheid gesteld aanvullend te concluderen, aan welk verzoek ik hierbij gevolg geef.
1.4
Er bestaat samenhang met de zaken 23/02495, 23/02496, 23/02521, 23/02531 en 23/02532. De zaken 23/02521, 23/02531 en 23/02532 zijn inmiddels afgedaan.
In de zaken 23/02495 en 23/02496 waarin ik evenals in onderhavige zaak heb geconcludeerd dat de klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep, zal ik vandaag ook aanvullend concluderen.
2Aanleiding van en verloop van de procedure
2.1
Op 8 november 2022 heeft er naar aanleiding van een viertal rechtshulpverzoeken van de Amerikaanse autoriteiten op basis van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken (hierna: het Rechtshulpverdrag) een doorzoeking plaatsgevonden in een bedrijfspand van [A] BV te Maastricht. Klager is in dienst van deze onderneming. Ten tijde van de doorzoeking arriveerde hij bij het bedrijfspand en werd onder hem op de voet van art. 94 lid 1 Sv (ten behoeve van de waarheidsvinding) een iPhone in beslag genomen.
2.2
Voor deze rechtshulpverzoeken hebben de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika om vertrouwelijkheid/geheimhouding gevraagd. Deze rechtshulpverzoeken zijn daarom niet aan de verdediging verstrekt.
2.3
Namens de klager is op 6 maart 2023 een op art. 5.1.11 Sv jo art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem in beslag genomen iPhone. Het klaagschrift is op 2 mei 2023 in openbare raadkamer behandeld. De meervoudige raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant heeft op 30 mei 2023 het beklag ongegrond verklaard.
2.4
Het eerste middel heeft betrekking op de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van de verdediging om aanhouding van de behandeling en inzage in de rechtshulpverzoeken. Het tweede en derde middel zijn gericht op de motivering van de ongegrondverklaring van het beklag, meer in bijzonder met betrekking tot het vereiste van de dubbele strafbaarheid.
2.5
De beschikking
2.6
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en in dat verband overwogen:
“De beoordeling
Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na de inbeslagneming.
Niet in geschil is verder dat klager op het onderwerpelijke voorwerp als rechthebbende kan worden beschouwd.
Uit de overgelegde processtukken blijkt dat de beslaglegging heeft plaatsgevonden naar aanleiding van vier gedane rechtshulpverzoeken door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika d.d. 7 augustus 2020, 23 juni 2022, 13 oktober 2022 en 2 november 2022, waarbij de werkgever van klager, [A] BV, wordt aangemerkt als één van de onderzoekssubjecten. Voor deze rechtshulpverzoeken hebben de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika om vertrouwelijkheid / geheimhouding gevraagd, hetgeen volgens de officier van justitie op het moment van behandeling van onderhavig klaagschrift nog steeds aan de orde is. Voor de geheimhouding van deze rechtshulpverzoeken is een uitdrukkelijke grondslag aanwezig in artikel 11 van het toepasselijke Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 12 juni 1981 (hierna: het Rechtshulpverdrag).
Geheimhouding van de inhoud van de desbetreffende rechtshulpverzoeken voor klager in deze procedure is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met enige rechtsregel, in het bijzonder niet met het rechtsbeginsel van fair / due process. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat de rechtbank wel kennis heeft genomen van de inhoud van deze rechtshulpverzoeken en de rechtmatigheid hiervan kan en zal beoordelen, alsmede dat de inhoud van de rechtshulpverzoeken niet strekt tot bewijs als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van het Rechtshulpverdrag. De stelling van klager dat deze rechtshulpverzoeken (materieel) dezelfde inhoud hebben als een eerder in het Verenigd Koninkrijk uitgevoerd rechtshulpverzoek en de gevraagde vertrouwelijkheid daarom niet meer noodzakelijk is, is, wat hiervan ook zij, niet aannemelijk gemaakt.
Het verzoek tot verstrekking van de rechtshulpverzoeken aan klager en, daarmee samenhangend, aanhouding van de behandeling van het klaagschrift wordt gelet op het bovenstaande afgewezen.
Namens klager is gemotiveerd betoogd dat in dit geval niet is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, zoals opgenomen in artikel 6 van het Rechtshulpverdrag.
Met betrekking tot dit betoog overweegt de rechtbank als volgt.
Bij de beoordeling van dit verweer heeft (ook) in zaken als deze naar het oordeel van de rechtbank als criterium te gelden dat de materiële feiten waarvoor de rechtshulp is verzocht binnen de termen van een Nederlandse strafbaarstelling vallen en dat de relevante Amerikaanse strafbaarstellingen en de relevante Nederlandse strafbaarstellingen in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermen.
Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de in de rechtshulpverzoeken omschreven strafbare feiten en op de Nederlandse strafwet, in het bijzonder het Wetboek van Strafrecht en de Opiumwet, aan dit criterium voldaan. Voor een nadere motivering van dit oordeel ziet de rechtbank geen ruimte, gelet op de bedongen geheimhouding van de onderliggende rechtshulpverzoeken. Het betoog faalt.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog als volgt. Deskundigen verbonden aan het NFI hebben op 31 januari 2023 een rapport uitgebracht met betrekking tot een chemisch-analytisch onderzoek aan materialen aangetroffen op 8 november 2022 op het adres [a-straat 1] te Maastricht, alwaar een bedrijfspand in gebruik bij de werkgever van klager is gelegen (zaaknummer 2022.10.25.105). Hieruit blijkt onder meer dat het onderzoeksmateriaal AANN0948NL een (vrijwel) zuiver methylergometrine maleaat bevat en dat in relatie tot drugs methylergometrine gebruikt kan worden als grondstof voor LSD en/of LSD-derivaten, zoals vermeld op lijst I behorend bij de Opiumwet.
Conclusie
5.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Conclusie
HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:91.
In deze zaken heb ik op 19 december 2023 geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en heeft de Hoge Raad op 30 januari 2024 het cassatieberoep verworpen (art. 81 RO): ECLI:NL:HR:2024:79; ECLI:NL:HR:2024:81; ECLI:NL:HR:2024:80.
In de bestreden beschikking staat vermeld dat de iPhone in beslag is genomen op 9 november 2022. Uit de overige stukken, waaronder het klaagschrift en het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie leid ik af dat het beslag op 8 november 2022 heeft plaatsgevonden.
Trb. 1981, 188, laatst gewijzigd in 2004 (Trb. 2004, 300), in werking getreden op 1 februari 2010 (Trb. 2010, 8).
Zie de inhoud van de pleitnota (met weglating van voetnoten) die door de verdediging in de zaken [A] BV en [betrokkene 1] in de raadkamerzitting van 2 mei 2023 is voorgehouden. Deze zaken zijn gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaak van de klager. In de pleitnota die door de raadsvrouw van de klager in raadkamer is voorgehouden staat vermeld dat de klager zich op het standpunt stelt dat de vereiste dubbele strafbaarheid lijkt te ontbreken en dat voor toelichting en onderbouwing van dit standpunt wordt verwezen naar hetgeen in de zaak van zijn werkgeefster [A] BV hierover is aangevoerd. Kennelijk geldt dit ook met betrekking tot het verzoek om verstrekking van stukken en aanhouding zoals dat is gedaan in de zaak [A] BV.
Zie uitgebreider over het interstatelijk vertrouwensbeginsel: Th. Kraniotis, Het interstatelijke vertrouwensbeginsel in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2016; Buruma & P.A.M. Verrest, Introductie internationaal strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi 2004, p. 19-20 en meer specifiek over omgaan met verzoeken om vertrouwelijkheid van de VS op grond van het Rechtshulpverdrag in deze zaak de inleidende opmerkingen van De Sitter/Ouwerkerk bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, in: Tekst en Commentaar Internationaal strafrecht en strafrechtelijk samenwerking, B. II Internationale regelgeving onder j, aant. 6e (actueel t/m 1 januari 2024).
Zie ook HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:134 Rolbeslissing. Terzijde merk ik op dat de verdediging ook in onderhavige zaak de Hoge Raad heeft gevraagd om verstrekking van de rechtshulpverzoeken. De rolraadsheer heeft dit verzoek afgewezen omdat de stukken vertrouwelijk zijn.
Conclusie
Vgl. HR 30 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7564 m.b.t. art. 552o Sv (oud).
A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 68.
Inleiding
Deze bevindingen van het NFI zijn niet bestreden en leveren (ten minste) een concrete verdenking op van handelen in strijd met het bepaalde in artikel 10a van de Opiumwet. Anders dan klager lijkt te stellen zijn bij de uitgevoerde doorzoeking dan ook daadwerkelijk één of meer voorwerpen aangetroffen waarvan het aanwezig hebben naar Nederlands recht een misdrijf oplevert, althans bestaat een verdenking daarvoor.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoen genoemde rechtshulpverzoeken ook overigens aan de daaraan te stellen eisen.
De rechtbank is voorts van oordeel dat het belang van strafvordering zich op dit moment nog verzet tegen teruggave van het in beslag genomen voorwerp. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in deze om een voorwerp dat kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen in het Amerikaanse onderzoek (artikel 94, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering). Daarbij overweegt de rechtbank dat, reeds gelet op de door de politie waargenomen berichten op het beginscherm van de telefoon van klager, het aannemelijk is dat deze telefoon mede voor zakelijke doeleinden werd gebruikt.
De rechtbank zal het klaagschrift ongegrond verklaren.”
3Het eerste middel
3.1
In het eerste middel wordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte althans onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd het verzoek om de onderliggende rechtshulpverzoeken alsnog te verstrekken (en in het verlengde daarvan de behandeling aan te houden) heeft afgewezen.
3.2
Uit de toelichting volgt dat deze klacht moet worden bezien in het licht van hetgeen de verdediging in raadkamer hierover heeft aangevoerd:
“7. Het verzoek om vertrouwelijkheid en beroep op geheimhouding lijkt (…) iedere ratio te ontberen, nu de Verenigde Staten afgelopen november ook een rechtshulpverzoek aan het Verenigd Koninklijk blijkt te hebben gericht over naar wij niet anders kunnen aannemen hetzelfde feit dat ten grondslag ligt aan het aan Nederland gerichte verzoek. Ik leg dit aan u over als bijlage 1.
Uit dit stuk blijkt het volgende. Op verzoek van de Amerikaanse autoriteiten heeft ook Engeland een huiszoekingsbevel uitgegeven en wel op 3 november 2022, waarop zijn woning in het Verenigd Koninkrijk aldaar is doorzocht. Uit het supplement bij het bevel blijkt dat de Amerikaanse autoriteiten een onderzoek [doen] naar cliënt [betrokkene 1] en zijn vriendin, alsmede zijn bedrijf [A] B. V. en ook [B] . Het onderzoek betreft in eerste instantie de stof DPT, voluit genaamd N,N-Dipropyltryptamine, dat in 2019 zou zijn verkocht in de US door het bedrijf [C] , een volgens de verdenking reseller van [B] . Het bevel schrijft over het amerikaanse verzoek het volgende: ”[A] B. V. (“ [A] "), a chemical manufacturer in The Netherlands, produces the NPS that are distributed by [B] , some of which appear to be controlled substances of their analogues in the United Sta[t]es.”
8. Het ligt voor de hand dat het rechtshulpverzoek aan Nederland dat wel aan u, maar niet aan de verdediging, is overgelegd als basis hetzelfde Amerikaanse onderzoek heeft van the Attorney General van Maryland. Ik verzoek uw rechtbank allereerst de verdediging in het bezit daarvan te stellen, zodat cliënten weten waartegen zij zich al of niet moeten verdedigen. Het gaat om een eerste vereiste voor een fair process, zeker wanneer er geen reden meer lijkt te bestaan voor de aanvankelijk door de Verenigde Staten verzochte geheimhouding. Als het in de onderhavige zaak dezelfde verdenking betreft, hoeven we toch geen verstoppertje te blijven spelen omdat geheimhouding een onderzoeksbelang zou dienen. Cliënten en hun verdediging blijken de onderliggende beschuldiging al te kennen.
Bij het alsnog ter beschikking stellen van de onderliggende rechtshulpverzoeken, verzoek ik wel uitstel van de verdere behandeling voor voorafgaande preciese bestudering ervan.”
3.3
De rechtbank heeft bij de beoordeling van het beklag voorop gesteld dat het beklag heeft plaatsgevonden naar aanleiding van vier rechtshulpverzoeken van de Verenigde Staten van Amerika en dat de autoriteiten van dit land om vertrouwelijkheid/geheimhouding hebben gevraagd, hetgeen volgens de officier van justitie op het moment van behandeling van onderhavig klaagschrift nog steeds aan de orde was. Als grondslag voor de geheimhouding van deze rechtshulpverzoeken heeft de rechtbank gewezen op art. 11 van het Rechtshulpverdrag, waarin is bepaald:
“1. De aangezochte Staat kan, indien nodig, verlangen dat bewijsmateriaal en gegevens, bij de toepassing van dit Verdrag verstrekt en gegevens daaraan ontleend, vertrouwelijk blijven overeenkomstig vastgestelde voorwaarden, behalve voor zover openbaarmaking noodzakelijk is als bewijs in een openbaar proces.
2. De aangezochte Staat stelt alles in het werk teneinde een verzoek en de inhoud ervan geheim te houden indien de verzoekende Staat zulks verzoekt. Indien het verzoek niet kan worden ingewilligd zonder inbreuk te maken op de verlangde vertrouwelijkheid, stelt de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat de verzoekende Staat daarvan in kennis, die vervolgens bepaalt of het verzoek desondanks dient te worden uitgevoerd.”
3.4
Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat geheimhouding van de inhoud van de desbetreffende rechtshulpverzoeken voor klager in deze procedure naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd is met enige rechtsregel, in het bijzonder niet met het rechtsbeginsel van fair / due process. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat zij wel kennis heeft genomen van de inhoud van de rechtshulpverzoeken en de rechtmatigheid kan en zal beoordelen, alsmede dat de inhoud van de rechtshulpverzoeken niet strekt tot bewijs als bedoeld in art. 11 lid 2 van het Rechtshulpverdrag. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de stelling van de verdediging dat het voor de hand ligt dat de inhoud van de vier rechtshulpverzoeken aan Nederland materieel dezelfde inhoud hebben als een eerder in het Verenigd Koninkrijk uitgevoerd rechtshulpverzoek en “de gevraagde vertrouwelijkheid daarom niet meer noodzakelijk is, (…) wat hiervan ook zij, niet aannemelijk [is] gemaakt”.
3.5
Volgens de stellers van het middel is de rechtbank met dit oordeel voorbij gegaan aan het uitgangspunt dat de verdachte en de raadsman bevoegd zijn kennis te nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken (art. 23 lid 5 Sv) en dat hiervan slechts kan worden afgeweken indien het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad (art. 23 lid 6 Sv).
3.6
Daarin volg ik de stellers van het middel niet. In gevallen als de onderhavige, waarbij de verzoekende staat om vertrouwelijkheid van stukken verzoekt op basis van een Verdrag is er weinig ruimte voor de ontvangende staat om dit verzoek te negeren. Ingevolge het interstatelijke vertrouwensbeginsel wordt een dergelijk verzoek geacht rechtsgeldig te zijn gedaan naar het recht van de verzoekende partij en wordt verondersteld dat de feiten en omstandigheden die in het verzoek zijn opgenomen juist zijn. Uit de overwegingen van de rechtbank volgt dat zij zich van dit uitgangspunt rekenschap heeft gegeven en daarbij heeft betrokken de van toepassing zijnde Verdragsbepaling over vertrouwelijkheid en de uitlatingen van de officier van justitie dat het verzoek om vertrouwelijkheid van de zijde van de Verenigde Staten ook ten tijde van de behandeling in raadkamer nog steeds aan de orde was. In het oordeel van de rechtbank ligt besloten dat het belang van het onderzoek (in de verzoekende staat) ernstig zou worden geschaad als de rechtbank zou besluiten de rechtshulpverzoeken wel te verstrekken.