Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-11-12
ECLI:NL:PHR:2024:1210
Strafrecht
8,066 tokens
Conclusie
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 20 juli 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot 80 uren taakstraf, subsidiair 40 dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/02848. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat een bewijsklacht. Volgens de steller van het middel kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat in de uitoefening van een beroep of bedrijf hennep is geteeld, nu het bewezenverklaarde aantal hennepplanten relatief beperkt is en de bewezenverklaarde periode maar één dag beslaat. Daarbij zou het door het hof vastgestelde gebruik van kweekapparatuur niet zodanig zijn dat gesproken kan worden van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. En het hof zou niets hebben vastgesteld over (de omvang van) een investering die eventueel nodig zou zijn geweest om de kwekerij op te zetten dan wel in te richten.
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘hij op 18 mei 2020, in [plaats] in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt (te weten in perceel [a-straat 1] ), een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, te weten (ongeveer) 37 hennepplanten zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.’
6. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van een verwijzing):
‘1 .Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij (…), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [verbalisant]:
Op maandag 18 mei 2020 stelde ik naar aanleiding van een MMA-melding onderzoek in op het adres [a-straat 1] [plaats] . Na het binnentreden zag ik het volgende. Op de eerste verdieping in een slaapkamer bevindt zich een hennepplantage met 37 hennepplanten. De gemiddelde hoogte van de planten was ongeveer 60 cm. Per m2 stonden er 6 planten. De plantenbakken waren gevuld met potgrond. In totaal hingen er in de kweekruimte 5 assimilatielampen. In de kweekruimte bevonden zich 1 koolstoffilters. De luchtverversing en luchtafvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie.
2. Het proces-verbaal ter terechtzitting van 6 juli 2022, inhoudende de verklaring van verdachte:
“Ik ben eigenaar van het pand. Ik heb de hennepkwekerij ook zelf opgebouwd en de planten zelf onderhouden. De hennepkwekerij was alleen van mijzelf. De kwekerij is opgezet rond augustus 2019. In oktober 2019 ben ik begonnen met kweken. Het aantal planten was 35.”’
7. Het hof heeft in het bestreden arrest inzake het bewijs voorts het volgende overwogen:
‘Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 juli 2022;
- het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 18 mei 2020 van [verbalisant] , p. 3 t/m 6.
Het hof stelt vast dat uit het procesdossier is gebleken dat de woning is binnengetreden zonder een dringende noodzaak en zonder de afwachting van de komst van de rechter-commissaris. Echter, dit verzuim leidt niet tot consequenties of een schending van artikel 8 EVRM. Ter terechtzitting heeft het hof vastgesteld dat verdachte op de datum van binnentreden feitelijk niet woonde aan de [a-straat 1] , maar op de camping, en derhalve het woonrecht van verdachte niet is geschonden. Op grond van artikel 9 Opiumwet is de politie bevoegd om de betreffende ruimte waar niet het woonrecht werd uitgeoefend, te doorzoeken en behoefde de komst van de rechter-commissaris niet te worden afgewacht.
Gelet op het bovenstaande acht het hof bewezen dat verdachte het onder primair tenlastegelegde heeft begaan en concludeert het hof dat er geen sprake is geweest van een onrechtmatige binnentreden en zal het niet overgaan tot bewijsuitsluiting.’
8. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehouden op 6 juli 2022 houdt onder meer het volgende in:
‘Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt:
(…) Ik ben eigenaar van het pand. Ik heb de hennepkwekerij ook zelf opgebouwd en de planten zelf onderhouden. Er is één keer geoogst en dat is niet helemaal gelukt. Met de eerste oogst heb ik 1200 gram hennep kunnen oogsten en € 2900,- verdiend. De hennepkwekerij was alleen van mijzelf. Ik moest klussen aan het huis, maar had het geld er niet voor. Daarom heb ik die kwekerij opgezet rond augustus 2019. In oktober 2019 ben ik begonnen met kweken. Aantal planten was 35. Mijn echtgenote wist het wel, maar was het er niet mee eens. U vraagt mij hoe ik aan het geld ben gekomen om de hennepkwekerij op te zetten. Daarvoor heb ik mijn spaargeld gebruikt. Mijn bedoeling was niet op een grote klapper te maken, ik wilde alleen geld verdienen om aan mijn huis te kunnen klussen. Het ging mij niet om een groot bedrag, maar enkel het bedrag wat ik nodig had.
(…)
De oudste raadsheer vat het verhaal samen:
Ik begrijp dat u zegt dat u eerst een woonhuis had. Dat heeft u verkocht en toen heeft u een tijdje op de camping gezeten. U heeft een ander huis gekocht ( [a-straat 1] ) - dat is de woning waar we het over hebben - en daar bent u begonnen met de hennepkwekerij. In die tijd bent u op de camping gebleven met uw vrouw en heeft het huis aan de [a-straat ] alleen gehad voor de kwekerij.
U, oudste raadsheer, vraagt mij hoe het kan zijn dat de plek waar is gekweekt ontzettend vervuild was, als er maar één keer is gekweekt. Het purschuim was alleen zichtbaar aan de binnenzijde en niet aan de plafondzijde. Het is niet zo dat de kwekerij al jaren draaide. De potten stonden op de grond en wanneer ik daar voeding in deed, lekt dat erdoorheen waardoor de vloer smerig werd. Ik heb ook eerder aangegeven dat er gebruikte spullen tussen zaten en dat er potten op de grond stonden. De voeding ging er dan doorheen en als er 24 uur per dag een laagje water staat, krijg je daardoor aanslag en smerigheid. Dat water stond 6 a 7 weken op de vijverfolie.
(…)
De raadsman neemt zijn standpunt in overeenkomstig de pleitnota, die als bijlage aan het proces-verbaal zal worden gehecht.’
9. De betreffende pleitnota houdt onder meer het volgende in:
‘1.
De door de rechtbank gepasseerde verweren ten aanzien van de machtiging tot binnentreden en het ontbreken van een dringende noodzaak om de woning te betreden : (…)
Er is dus sprake van een binnentreden waarbij zeker normen en daarmee de rechten van de verdachte zijn geschonden. (…) Bewijsuitsluiting derhalve. Ik herhaal mijn verweer dat mijn cliënt behoort te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
2.
De omvang van de ontneming.
(…)
Vanaf dag 1 heeft verdachte openheid van zaken verstrekt.
Conclusie
Hij wilde wat bijverdienen zodat hij de kosten van noodzakelijk onderhoud aan een schuur of garage zou kunnen financieren, geen megabedrag.
In 2019 mislukte zijn eerste oogst. De verhouding van het plantenvoedsel bleek onjuist en alle planten gingen dood. Door een te hoge zuurgraad in het water werd bovendien het vat én de pomp aangetast. (…)
Het filterdoek en de filtermat moeten na iedere oogst vervangen worden. (…)
De waterpomp en leidingen waren extreem vervuild omdat in zijn onkunde cliënt de verhoudingen van het voedsel voor de planten verkeerd heeft toegepast.’
10. Artikel 11, derde lid, Opiumwet luidt als volgt:
‘Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie’.
11. Dit artikellid is ingevoegd in 1999. De memorie van toelichting houdt onder meer het volgende in:
‘Het professionele karakter van de kwekerijen blijkt behalve uit het aantal planten, uit de omstandigheden waaronder deze worden gekweekt. Bij voorkeur in loodsen of onder glas, met gebruik van zogeheten daglichtlampen of met behulp van temperatuur- en bevloeiingsregulering, etc. Met andere woorden, het laten groeien van hennep gebeurt met veel kennis van zaken, op technologisch zeer hoog niveau en onder het voortdurend ontwikkelen van nieuwe, betere methoden met als doel een zo groot mogelijke opbrengst. (…)
(…) Uit de in de afgelopen jaren behandelde strafzaken blijkt dat de illegale cannabishandel door een grote mate van professionaliteit wordt gekenmerkt en dat het daarbij gaat om een combinatie van gedragingen, variërend van invoer, vervoer en verkoop in Nederland tot doorvoer of uitvoer naar het buitenland.
(…)
Wij stellen voor het telen van hennep expliciet strafbaar te stellen en de strafmaat voor de verboden gedraging fors te verhogen, voor zover deze plaatsvindt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Gelet op het hierboven geschetste beeld van de grootschalige hennepteelt, stellen wij voor niet alleen de strafmaat voor de professionele hennepteelt te verhogen, maar ook de strafmaat voor het beroeps- of bedrijfsmatige bereiden, verwerken, verkopen en afleveren van hennepplanten. Daardoor wordt het mogelijk doeltreffend op te treden tegen de professionele en grootschalige hennepteelt en de gedragingen die daar doorgaans onlosmakelijk mee zijn verbonden. Met een verhoging van de strafmaat voor het kweken van hennepplanten, kan niet worden volstaan. Een effectieve aanpak van de grootschalige hennepteelt is slechts mogelijk als de strafmaat voor de daarbij behorende gedragingen, voor zover die beroeps- of bedrijfsmatig worden verricht, zoals het verwerken, verkopen en afleveren van deze planten, eveneens wordt verhoogd. Zou hierin niet worden voorzien dan zouden criminelen die zich hiermee bezig houden, het telen van hennep kunnen overlaten aan stromannen, zodat de strafmaatverhoging niet op hen van toepassing is. Als strafmaat stellen wij voor: vier jaar gevangenisstraf of een geldboete van de vijfde categorie.
De voorgestelde verhoging van de strafmaat voor de grootschalige hennepteelt achten wij gerechtvaardigd, gelet op het professionele en lucratieve karakter van deze teelt en om te voorkomen dat nederwiet een exportproduct wordt. De verhoging van de strafmaat heeft tot gevolg dat voorlopige hechtenis mogelijk wordt voor dit delict en de daaraan gekoppelde dwangmiddelen, zoals bijvoorbeeld de huiszoeking ter inbeslagneming en de telefoontap. Deze dwangmiddelen maken een effectief optreden tegen de grootschalige hennepteelt mogelijk.
Overigens strekt deze verhoging van de strafmaat zich uit tot alle verboden die worden gesteld in het onderhavige artikel, eerste lid onder B, en derhalve tot alle hier genoemde handelingen met de middelen die staan vermeld op Lijst II van de wet.
(…)
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 11
Het voorgestelde derde lid bevat ten opzichte van het bestaande tweede lid van artikel 11 een gekwalificeerde strafbaarstelling, voor zover het gaat om de verboden, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder B, inclusief het nieuw op te nemen «telen». Het strafverhogende element vormt het beroeps- of bedrijfsmatige karakter van de overtreding van deze verboden. Voor dit criterium is gekozen, omdat uit de professionaliteit voortvloeit dat de hoeveelheden verdovende middelen of psychotrope stoffen die erbij zijn betrokken, niet gering zijn. Dit is tevens de reden waarom het bestaande vierde lid, houdende het 30-gramcriterium, niet van toepassing is verklaard.’ (p. 1-3)
12. De nota naar aanleiding van het verslag houdt onder meer het volgende in:
‘Mede gelet op het feit dat een aantal vragen betrekking heeft op de effectiviteit van de voorgestelde wetswijziging, achten wij het van belang erop te wijzen dat het onderhavige wetsvoorstel een onderdeel vormt van het reeds ingezette proces van intensivering van de bestrijding van de professionele illegale teelt van hennep en handel in cannabis. Zo zijn mede naar aanleiding van de nota «Het Nederlands drugbeleid Continuïteit en verandering» (hierna te noemen: de drugnota) de richtlijnen van het Openbaar Ministerie voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet aangepast (Stcrt. 27 september 1996, 187; voortaan te noemen: de OM-richtlijnen). Een van die wijzigingen betreft de expliciete aandacht voor de illegale hennepteelt. Deze is thans vervolgbaar als overtreding van het in artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod van het aanwezig hebben. Met het oog op de beoordeling van het karakter van de teelt zijn in de richtlijnen een aantal indicatoren vermeld voor bedrijfsmatige teelt. Zo zijn niet alleen het aantal planten maar ook de te behalen oogsten per jaar van belang. Voorts kan uit de wijze waarop de teelt in concreto plaatsvindt, zoals het gebruik van technische hulpmiddelen, het bedrijfsmatige karakter daarvan worden afgeleid.’ (p. 1)
‘De vragen
De leden van de PvdA-fractie stelden dat zij een definitie van grootschalige beroeps- of bedrijfsmatige teelt misten. Ook de leden van de fracties van CDA en D66 stelden een aantal vragen met betrekking tot de invulling van de in artikel I, onderdeel B, van het wetsvoorstel opgenomen kwalificatie. De gehanteerde kwalificatie, «Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf», komt in onze wetgeving meer voor. Wij wijzen in dit verband op de artikelen 137g, 151b, 151c, 429quater, 437 en 437bis van het Wetboek van Strafrecht. De invulling is overgelaten aan de rechtspraak. Dit biedt de gelegenheid om in voorkomende gevallen alle feiten en omstandigheden mee te wegen. Zeker wanneer het gaat om illegale activiteiten, zoals de professionele hennepteelt waarbij innovatie een grote rol speelt, is het niet verstandig te trachten de te hanteren criteria wettelijk vast te leggen. De in de memorie van toelichting genoemde indicatoren zijn ontleend aan de OM-richtlijnen, waarop in de inleiding werd ingegaan. Het systeem van in de OM-richtlijnen opgenomen indicatoren bevordert de eenheid van beleid en biedt tegelijkertijd de mogelijkheid om op flexibele wijze te reageren op wijzigingen die de professionele illegale teelt ondergaat. Uit het voorgaande moge blijken waarom het wetsvoorstel geen voorstel voor een definitie bevat’ (p. 2)
‘De leden van de fractie van het GPV vroegen of er nog sprake is van een geloofwaardig opsporingsbeleid van illegale hennepteelt en -handel die zich op een kleinschaliger niveau afspeelt en of er inzicht bestaat in het marktaandeel daarvan. Zoals in antwoord op eerdere vragen van leden van de fractie van de PvdA al werd aangegeven, is de omvang van de teelt niet bepalend voor het bedrijfs- of beroepsmatige karakter ervan. De omvang vormt een van de te hanteren indicatoren.
Conclusie
Teelt op kleinere schaal met veel oogsten per jaar en met geavanceerde apparatuur kan zeer wel worden aangemerkt als bedrijfsmatige teelt. Dit is van belang omdat in de afgelopen jaren ook sprake is van een toename van kleinere professionele kwekerijen. Reeds thans vallen deze binnen de prioriteitstelling van de OM-richtlijnen’ (p. 8)
13. De memorie van antwoord aan de Eerste Kamer houdt – in lijn daarmee – onder meer het volgende in:
‘De leden van de fractie van GroenLinks vroegen wat de criteria zijn voor het bepalen van de illegale teelt van hennep en ook voor het beroeps- of bedrijfsmatige karakter daarvan.
De gehanteerde kwalificatie, «Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf», komt in onze wetgeving meer voor. Wij wijzen in dit verband op de artikelen 137g, 151 b, 151 c, 429quater, 437 en 437bis van het Wetboek van Strafrecht. De invulling is overgelaten aan de rechtspraak. Dit biedt de gelegenheid om in voorkomende gevallen alle feiten en omstandigheden mee te wegen. Zeker wanneer het gaat om illegale activiteiten, zoals de professionele hennepteelt waarbij innovatie een grote rol speelt, is het niet verstandig te trachten de te hanteren criteria wettelijk vast te leggen. Met het oog op de beoordeling van het karakter van de teelt zijn in de OM-richtlijnen die per 1 oktober inwerking zijn getreden, een aantal indicatoren vermeld voor beroeps-/bedrijfsmatige teelt. Zo zijn niet alleen het aantal planten maar ook de te behalen oogsten per jaar van belang. Voorts kan uit de wijze waarop de teelt in concreto plaatsvindt, zoals het gebruik van technische hulpmiddelen, het beroeps/bedrijfsmatige karakter daarvan worden afgeleid’ (p. 7)
14. Het strafmaximum gesteld op overtreding van artikel 11, derde lid, Opiumwet, is in 2003 verhoogd tot zes jaren gevangenisstraf.
15. Nadien is in 2015 een nieuw artikel 11a Opiumwet ingevoerd, dat handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt strafbaar stelt. Dit artikel luidde en luidt als volgt:
‘Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.’
16. De Nota naar aanleiding van het verslag houdt onder meer in:
‘De leden van de VVD-fractie vroegen of het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2011 (LJN:BP1275) dat betrekking had op de teelt van vijf planten aanleiding geeft om het gedoogbeleid inzake vijf planten te wijzigen. Graag reageren wij op deze vraag als volgt. Op 1 juli 2011 is de gewijzigde Aanwijzing Opiumwet (Staatscourant 2011, nr. 11 134 van 27 juni 2011) in werking getreden. Onderdeel van de daarin doorgevoerde wijzigingen vormt een aanscherping van het beleid inzake beroeps- of bedrijfsmatige teelt, die mede door het voornoemde arrest werd ingegeven. De aanwijzing vermeldt in paragraaf 3.2.1, voor zover hier van belang, dat voor de beoordeling van het al dan niet beroeps- of bedrijfsmatige karakter van teelt wordt gekeken naar de omstandigheden waaronder de teelt plaatsvindt. Bij het aantreffen van een hoeveelheid van vijf planten of minder wordt in het algemeen aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Echter, het aantal planten is niet de doorslaggevende factor voor het bepalen van het al dan niet beroeps- of bedrijfsmatige karakter van de teelt. Ook teelt van vijf planten of minder kan worden aangemerkt als beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Dit geldt in situaties waarin aan twee of meer indicatoren voor professionele teelt, zoals opgenomen in een bijlage van de Aanwijzing, is voldaan en indien er sprake is van teelt voor geldelijk gewin.’
17. Uit een en ander kan worden afgeleid dat de wetgever er bewust van heeft afgezien (in de wet) precies te omschrijven wanneer van ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod sprake is, dat niet alleen de omvang van de teelt maar ook het aantal oogsten en het gebruik van technische hulpmiddelen daarvoor van belang is, en dat de wetgever in dit verband belang hecht aan de indicatoren vermeld in de Aanwijzing Opiumwet.
18. De thans geldende Aanwijzing Opiumwet houdt onder meer in:
‘3.2.1. Teelt van hennep (of de cannabis plant)
Deze aanwijzing gaat uit van twee situaties: er is sprake van ofwel beroeps- of bedrijfsmatige teelt, ofwel geen beroeps- of bedrijfsmatige teelt.
Niet bedrijfsmatige teelt van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik heeft, indien de verdachte volwassen is, geen prioriteit. Teelt door minderjarigen behoort steeds te leiden tot een strafrechtelijke reactie.
Prioriteit ligt bij de beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Bij de vaststelling van hetgeen beroeps- of bedrijfsmatige teelt is, spelen de volgende factoren een rol:
− De schaalgrootte van de teelt: de hoeveelheid planten;
Bij een hoeveelheid van 5 planten of minder wordt in beginsel aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Deze situatie wordt gelijk behandeld als de situatie waarin wordt geconstateerd dat sprake is van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik.
− De mate van professionaliteit, afgemeten aan het soort perceel waarop geteeld wordt, belichting, verwarming, bevloeiing, etc. (opgenomen in bijlage 1);
Indien, ongeacht de hoeveelheid planten, wordt voldaan aan twee of meer punten, genoemd in de lijst indicatoren met betrekking tot de mate van professionaliteit, zoals opgenomen in bijlage 1, wordt aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen.
− Het doel van de teelt.
Indien er sprake is van het telen van hennep om geldelijk gewin te verkrijgen, wordt, ongeacht de hoeveelheid planten, aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen.
(…)
Bijlage 1
Factor professionaliteit bij de definiëring van bedrijfsmatig handelen met betrekking tot de teelt van cannabis.
Professionaliteit:Laag Gemiddeld Hoog
Indicator:
Belichting daglicht kunstlicht op tijdklokken
Voeding gieter centraal geregeld bevloeiingssysteem, drupsysteem
Ruimte balkon, tuin afgescheiden ruimte in huis kas of grote, verdeelde en afgeschermde ruimte binnen of buiten
Afscherming geen geïsoleerd m.b.t. daglicht en temperatuur
Ventilatie geen afzuiging naar buiten
Verwarming geen wel thermostaat- of computergestuurd
Bodem aarde, potgrond speciaal verrijkte aarde en potgrond, steenwol, hydrocultuur
Ziektebestrijding geen wel signaleringsvellen, ziektebestrijding, ook biologische
Verwerking kleinschalig in eigen beheer uitbesteed aan manicultuurbedrijf
Plantmateriaal onbekend zaad geselecteerd zaad stekken en klonen van eigen planten of extern gekocht
CO2-suppletie geen wel gestuurde installatie
NB. Deze lijst met indicatoren is niet limitatief. Hetzelfde geldt voor de duiding van de aangetroffen installatie en productiemiddelen.’
19.
Conclusie
Uw Raad heeft in een arrest van 23 september 2014 inzake artikel 11, derde lid, Opiumwet overwogen dat mede ‘met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel – een verdrievoudiging van het strafmaximum van de op te leggen vrijheidsstraf – (…) aan de vaststelling daarvan bepaaldelijk eisen’ moeten worden gesteld en dat ‘de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht’ dient te geven. Uit rechtspraak van Uw Raad van latere datum volgt evenwel dat de enkele omstandigheid dat een nadere overweging inzake de bewezenverklaring van telen ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ ontbreekt, nog niet tot cassatie leidt. In zijn conclusie voorafgaand aan een arrest van Uw Raad van 13 april 2021 gaf A-G Aben aan dat uit de bewijsmiddelen zonder meer kon worden afgeleid ‘dat de teelt zodanig grootschalig en professioneel was dat sprake was van handelen ‘in de uitvoering van een beroep of bedrijf’ in de betekenis die daaraan toekomt in artikel 11 lid 3 Opiumwet’ (randnummer 41). Dat de hennepkwekerij vroegtijdig was ontdekt hoefde daaraan volgens hem niet af te doen. Aben attendeerde er voorts op dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep had verklaard dat hij de hennepkwekerij was gestart als ‘een handvat om faillissement te voorkomen’ en over twee kweekcycli sprak. En dat het verweer inhoudend dat de tenlastegelegde aantallen hennepplanten en -stekken niet juist zijn, door het hof op een begrijpelijke manier was verworpen. Uw Raad deed het middel af met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
20. Ook in de onderhavige zaak doet zich de situatie voor dat een bewijsverweer dat niet verband hield met het in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen door het hof is verworpen, en dat tegen die verwerping in cassatie geen klacht is geformuleerd. En ook in de onderhavige zaak heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd waaruit volgt dat de hennepkwekerij vanuit een financieel motief is opgezet; hij wilde ‘geld verdienen’ om aan zijn huis te kunnen klussen.
21. Bij de vraag of het telen ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, doet zich de bijzonderheid voor dat het hof voor twee ankers is gaan liggen. Het hof heeft in het arrest overwogen dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, en verwezen naar de verklaring die die verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd en het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, p. 3 t/m 6. Nadat cassatieberoep is ingesteld, heeft het hof evenwel ook een aanvulling opgemaakt waarin – zo bleek – passages uit die verklaring en dat proces-verbaal zijn opgenomen. Dat zou verband kunnen houden met een andere passage in het bestreden arrest, waarin het hof aangeeft dat het ‘door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen’. Deze overweging behelst naar het mij voorkomt evenwel een misslag; het tot vrijspraak strekkende verweer ziet op bewijsuitsluiting en wordt weerlegd door een bewijsoverweging. Maar wat daar ook van zij, nu de steller van het middel de vraag centraal stelt of het telen ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, zal ik die vraag eerst bespreken.
22. Uit het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij blijkt dat in een slaapkamer 37 hennepplanten zijn aangetroffen (bewijsmiddel 1). Daaruit volgt dat geen sprake is van een situatie waarin maximaal 5 hennepplanten worden geteeld. En dat sprake was van teelt in een afgescheiden ruimte in huis, een omstandigheid die als factor professionaliteit ‘gemiddeld’ wordt genoemd. Verder hingen in de kweekruimte vijf assimilatielampen maar spreekt het proces-verbaal niet over tijdklokken. Het proces-verbaal vermeldt ook de aanwezigheid van een koolstoffilter, maar dat wordt in bijlage 1 niet afzonderlijk genoemd. Dat de luchtverversing en luchtafvoer, naar ik begrijp naar buiten, werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie is een omstandigheid die als factor professionaliteit ‘hoog’ wordt genoemd. De verklaring van de verdachte houdt in dat hij ‘eigenaar van het pand’ is, dat hij ‘de hennepkwekerij’ die alleen van hemzelf was, heeft opgezet ‘rond augustus 2019’ en dat hij in oktober 2019 is ‘begonnen met kweken’.
23. Wanneer deze feiten en omstandigheden naast de Aanwijzing Opiumwet worden gelegd, meen ik dat het hof op grond van de mate van professionaliteit in samenhang met het (kennelijk) doel van de teelt kennelijk heeft aangenomen en heeft kunnen aannemen dat van telen ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ sprake is. In verband met de mate van professionaliteit wijs ik op de aan- en afzuiginstallatie en de omstandigheid dat de teelt in een afzonderlijke ruimte plaatsvond, en noem ik daarnaast de assimilatielampen. Het hof heeft uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, waarin wordt gesproken over het opzetten van een ‘hennepkwekerij’ – meen ik – voorts kunnen afleiden dat sprake was van ‘telen van hennep om geldelijk gewin te verkrijgen’.
24. Voor het geval Uw Raad de aan de bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden zonder nadere motivering onvoldoende acht om het oordeel te kunnen dragen dat sprake is van telen ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ merk ik nog op dat de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in de verklaring die het hof als bekennend heeft aangemerkt ook heeft verklaard dat hij ‘moest klussen aan het huis’ en daarom de kwekerij heeft opgezet; het was niet zijn bedoeling ‘een grote klapper te maken’ maar hij wilde ‘geld verdienen’ om aan zijn huis te kunnen klussen. Daaruit volgt nog duidelijker dan uit het tot het bewijs gebezigde deel van de verklaring van de verdachte dat ‘sprake is van het telen van hennep om geldelijk gewin te verkrijgen’. Mede in het licht van de omstandigheid dat het hof de verklaring van de verdachte als bekennend heeft aangemerkt en deels voor het bewijs heeft gebezigd, doet zich naar het mij voorkomt een situatie voor waarin het verhandelde ter terechtzitting aanleiding geeft tot het oordeel ‘dat een hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ter zake van de bewezenverklaring zal leiden’.
25. Aan de toereikendheid van de bewijsvoering doet niet af dat het aantal hennepplanten relatief beperkt is te noemen en dat de bewezenverklaarde periode maar één dag beslaat, en evenmin dat het hof niet expliciet heeft vastgesteld dat het telen meermalen heeft plaatsgevonden. Uit het door de steller van het middel genoemde arrest van Uw Raad van 10 februari 2015 kan niet worden afgeleid dat alleen als het telen meermalen heeft plaatsgevonden sprake kan zijn van telen in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
26. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad meer dan twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld uitspraak zal doen. Gelet op het aantal uren taakstraf dat is opgelegd behoeft dat niet tot vermindering van de opgelegde straf te leiden. Ook voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Wet van 18 maart 1999 tot wijziging van de Opiumwet in verband met de invoering van een verhoogde strafmaat voor beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, Stb. 1999, 168, in werking getreden op 21 april 1999.
Kamerstukken II 1996/97, 25 325, nr. 3.
Kamerstukken II 1997/98, 25 325, nr. 6.
Kamerstukken I 1998/99, 25 324 en 25 325, nr. 57a.
Wet van 1 juni 2006 tot implementatie van het kaderbesluit nr.