Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-11-12
ECLI:NL:PHR:2024:1154
Strafrecht
6,043 tokens
Conclusie
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 31 augustus 2023 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. primair en 2. "de eendaadse samenloop van medeplegen van verkrachting en mishandeling" veroordeeld tot een combinatiestraf bestaande uit een jeugddetentie van negentig dagen, waarvan 48 dagen voorwaardelijk (met een proeftijd van één jaar en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer) met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen jeugddetentie. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen en hiermee verbonden aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/03520 J. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en F.T.C. Dölle, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.1
Het middel heeft betrekking op feit 1 (de bewezenverklaarde verkrachting). Het bevat de klacht dat de bewijsvoering strijd oplevert met het bewijsminimumvoorschrift van art. 342 lid 2 Sv. Na het weergeven van de relevante onderdelen van het arrest ga ik nader in op de argumenten die de steller van het middel hiertoe aanvoert.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:
“hij op 13 april 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, door geweld en door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte en zijn mededader die [slachtoffer] (telkens) gedwongen te dulden dat [slachtoffer] verdachte en zijn mededader moest pijpen en bestaande dat geweld en bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader
tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd: "pas op wij hebben een wapen bij ons, dus kan je maar beter luisteren naar waf we zeggen", en
een wapen in zijn broeksband aan die [slachtoffer] heeft getoond en
met zijn verdachtes hand naar dat wapen is gegaan en
tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd dat ze mee moest komen en
voornoemde [slachtoffer] tegen het (achter)hoofd en tegen de wang en tegen het gezicht heeft geslagen en
voornoemde [slachtoffer] bij de arm heeft vastgepakt en
voornoemde [slachtoffer] heeft meegenomen en
tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd dat zij verdachte en zijn mededader moest neuken of pijpen anders zouden ze haar kleding stelen en zou ze een kogel door haar kop krijgen en in een gracht belanden en
voornoemde [slachtoffer] bij haar hoofd heeft vastgepakt en
het hoofd van voornoemde [slachtoffer] naar beneden heeft geduwd en
tegen voornoemde [slachtoffer] heeft geroepen dat zij op haar knieën moest gaan en hem, verdachte, en/of zijn mededader moest pijpen, en
voornoemde [slachtoffer] bij de borsten heeft betast.”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 maart 2022,
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik was inderdaad op 13 april 2020 bij [restaurant] in Amsterdam Noord. Ik heb met [slachtoffer] (het hof begrijpt: de aangeefster) gesproken.
2. Een proces-verbaal van aangifte van 13 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 006 tot en met 010].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 mei 2020 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:
Op 13 april 2020 ging ik naar mijn werk. Ik werk bij [restaurant] bij de [a-straat] in Amsterdam. [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte [verdachte]) had mij gebeld en ik kreeg toen een vriend van [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte [verdachte]) aan de telefoon. Zijn vriend heet [medeverdachte] (het hof begrijpt: de [medeverdachte]).
Omstreeks 20.30 uur stond ik samen met [getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1]) voor [restaurant] , ik zag toen dat [verdachte] en [medeverdachte] naar mij toe liepen. Ik hoorde aan de stem van [verdachte] dat hij heel boos was. Hij was luid en agressief. Ik hoorde [medeverdachte] zeggen dat ik met hem moest gaan praten. Ik ben toen in gesprek gegaan met [medeverdachte]. [medeverdachte] vertelde het volgende; "Pas op, we hebben een wapen bij ons, dus beter kan je maar luisteren naar wat wij zeggen." Ik zag toen dat [verdachte] een wapen had in zijn broeksband. Ik zag dat de hand van [verdachte] naar het wapen ging. Op dat moment kwam [getuige 1] naar buiten.
[verdachte] en [medeverdachte] zeiden dat ik met hun mee moest komen. Ik zei dat ik dit niet wilde. Ik voelde toen ineens een klap op mijn linkerwang. Ik zag dat [verdachte] mij met zijn rechterhand had geslagen op mijn wang. Ik voelde toen pijn. Ik voelde dat mijn wang brandde. Ik ben toen uiteindelijk met [verdachte] en [medeverdachte] meegelopen. Toen ik met [verdachte] en [medeverdachte] mee liep naar het park, zeiden ze dat ik met ze moest neuken en hun moest pijpen. Ik had gezegd dat ik dit niet wilde doen. Ik voelde toen dat [verdachte] mij bij mijn arm pakte en mee nam.
Toen we aankwamen bij het [park] had [verdachte] mij meerdere malen in mijn gezicht geslagen. [verdachte] sloeg mij omdat ik zei dat ik geen seks met hun wilde en hun niet wilde pijpen. Ze hebben toen gezegd dat zij een kogel door mijn kop zouden schieten en mij in de gracht zouden gooien en alle kleding van mij af zouden halen. Toen dwongen zij mij om mij te pijpen. Ze pakte mij bij mijn hoofd. Ik heb dit toen gedaan omdat ik bang was. Ik heb een aantal keer geprobeerd om weg te komen. Elke keer konden zij mij weer bij mijn arm beet pakken. Dit deed zowel [medeverdachte] als [verdachte]. Elke keer als ik weg wilde komen sloeg [verdachte] mij op mijn linker wang. Ik heb ze beiden gepijpt. Ik had eerst [medeverdachte] gedaan en daarna [verdachte].
Ik heb toen [getuige 1] gebeld. Ik ben toen opgehaald en ben toen terug gegaan naar [restaurant] . [getuige 1] heeft mij toen getroost.
3. Een proces-verbaal van aangifte van 14 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 151 tot en met 157]
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 mei 2020 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:
In het [park] is gezegd dat ik hen moest neuken en pijpen want anders dan stelen we je kleding en dan krijg je een kogel in je kop en beland je in de gracht. Dat zei [verdachte] tegen mij. En toen heb ik het maar gedaan. Ik moest als eerste [medeverdachte] pijpen. [verdachte] pakte me bij mijn hoofd en gaf mij een duw op mijn hoofd, naar beneden. Ik stond bij [medeverdachte] en hij wilde eerst droogneuken. Hij ging met zijn handen bij mijn tieten. [medeverdachte] zei dat ik op mijn knieën moest gaan en hem moest pijpen.
Toen heb ik [getuige 1] snel gebeld en toen is er geregeld dat iemand me op kwam halen. [getuige 2] heeft me toen opgehaald, hij is een collega van [restaurant] .
Beoordeling
2.6
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Alle onderdelen van de bewezenverklaring worden gedekt door de bewijsmiddelen, met name de verklaringen van het slachtoffer. In cassatie wordt de bewijsvoering in zoverre ook niet betwist. Het gaat dus slechts om de vraag of in de overige gebezigde bewijsmiddelen “voldoende steun” voor het bewezenverklaarde kan worden gevonden als bedoeld in de rechtspraak ter zake van art. 342 lid 2 Sv. Het geldend juridisch kader is door het gerechtshof op juiste wijze vooropgesteld (weergegeven onder 3.4) en wordt als zodanig in cassatie niet ter discussie gesteld (onder 1.6 van de schriftuur). Ik voeg hier alleen aan toe dat voor de toets in cassatie van belang kan zijn of het hof zijn oordeel dat aan het bewijsminimum is voldaan nader heeft gemotiveerd.
2.7
Samengevat komt de bewijsconstructie van het hof op het volgende neer (met aanduiding van de bewijsmiddelen). De verdachte komt samen met de [medeverdachte] naar het slachtoffer en de [getuige 1]. De verdachte is daar agressief en/of intimiderend (aangeefster, [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]). Hij slaat bovendien de aangeefster en gebruikt dreigende woorden om haar mee te nemen (aangeefster en [getuige 1]). Daarbij laat hij een wapen zien (aangeefster). De aangeefster gaat mee, wordt opnieuw geslagen en bedreigd en wordt gedwongen om seksuele handelingen te verrichten bij de verdachte en de medeverdachte (aangeefster). In de tussentijd probeert de [getuige 1] de aangeefster te bellen, maar zij krijgt geen contact ([getuige 1], [getuige 2] en telefoongegevens). Als de aangeefster uiteindelijk terugbelt, dan huilt zij ([getuige 1]), dat is ook zo als zij wordt opgehaald op de plek waar zij was ([getuige 2]) en als zij terug is bij de [getuige 1] ([getuige 1] en [getuige 3]). Daar heeft de aangeefster meteen gezegd wat er was gebeurd, waarbij zichtbaar is dat de aangeefster een blauwe wang en slaap heeft ([getuige 1]).
2.8
Van miskenning van het bewijsminimumvoorschrift is hiermee geen sprake. De verklaringen van [getuige 1] (bewijsmiddel 4 en 5) behelzen meer dan een de auditu (overbrengende) verklaring van het slachtoffer. Zij verklaart immers dat zij zelf heeft gezien dat het slachtoffer door de verdachte werd geslagen terwijl de medeverdachte haar sommeerde om mee te lopen en dat de aangeefster na terugkeer een blauwe slaap en wang had. Anders dan de steller van het middel, zie ik niet in waarom deze verklaring slechts steun zou bieden ter zake van de onder 2 bewezen verklaarde mishandeling en/of in een te ver verwijderd verband zou staan tot het bewijs van de bewezenverklaarde verkrachting. De getuige heeft immers niet alleen gezien dat het slachtoffer werd geslagen, maar ook uit eigen waarneming verklaard dat de jongens het slachtoffer hebben gedwongen mee te lopen. In deze verklaring vindt het hiervoor als tweede genoemde argument en het beroep op het arrest van 23 april 2024 bovendien reeds zijn weerlegging, nu hieruit volgt dat het hof het scenario dat de verdachte het slachtoffer slechts heeft willen wegsturen omdat zij niet na werktijd rond [restaurant] mocht ‘hangen’, met bewijsmiddelen heeft weerlegd, althans in die mate dat voldoende duidelijk c.q. begrijpelijk wordt dat en waarom het hof hieraan als onaannemelijk voorbij is gegaan. Voor wat betreft het derde argument - de telefoongegevens - geldt dat het hof deze niet slechts heeft gebruikt om te staven dat de verdachte ter plaatse was, maar deze telefoongegevens ook steun geven aan de verklaring van [getuige 1] dat zij in het uur nadat het slachtoffer door de verdachte en de medeverdachte was meegenomen geprobeerd heeft het slachtoffer te bellen, maar zij steeds werd weggedrukt (vgl. bewijsmiddel 4 met de een na laatste alinea van bewijsmiddel 9).
2.9
Ten slotte merk ik nog op dat het bewijsminimumvoorschrift, anders dan de steller van het middel lijkt te veronderstellen, er niet toe strekt om per bewijsmiddel na te gaan of deze wel of niet op zichzelf ‘voldoende steun’ geeft aan betwiste (slachtoffer)verklaringen, maar in plaats daarvan voorschrijft na te gaan of al het steun gevende bewijs, in onderlinge samenhang bezien, de drempel van voldoende steun haalt. Dat is in de onderhavige zaak zonder meer het geval.
2.10
Het middel faalt.
Het tweede middel
3.1
Het middel heeft betrekking op feit 2 en bevat de klacht dat het hof ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ter zake van de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer en [getuige 1].
3.2
Ter zitting is door de verdediging verweer gevoerd ten aanzien van de gestelde onbetrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer en [getuige 1]. Dat verweer had in de eerste plaats betrekking op feit 1 maar is ook gevoerd ten aanzien van feit 2. Het hof heeft dit verweer in het bestreden arrest uitvoerig besproken en verworpen. Daarbij heeft het hof geen onderscheid gemaakt tussen de feiten 1 en 2 maar de verklaringen voor beide feiten betrouwbaar (en redengevend) beoordeeld. Het hof heeft overigens ook eendaadse samenloop aangenomen.
3.3
In cassatie wordt niet geklaagd over de wijze waarop het hof het betrouwbaarheidsverweer heeft verworpen, maar geklaagd (en dus ook: gesteld) dat het hof in het geheel niet heeft gerespondeerd op het verweer dat de verklaringen van het slachtoffer en [getuige 1] onbetrouwbaar zouden zijn. Dat heeft het hof als gezegd wel degelijk gedaan en het middel lijkt mij daarom feitelijke grondslag te ontberen. Ik heb me nog afgevraagd of ik de klacht anders zou moeten lezen. Mogelijk begrijpt de steller van het middel de overwegingen van het hof over de betrouwbaarheid van beide getuigen zo dat deze alleen betrekking hebben op feit 1. Dat zou kunnen verklaren waarom de steller van het middel de klacht expliciet toespitst op feit 2. Een dergelijke lezing is mij evenwel te gekunsteld en acht ik daarom onjuist.
3.4
Hoe dan ook, faalt het middel.
Afronding
4.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Hof Amsterdam 31 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3144.
Hof Amsterdam 31 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3143.
Zie p. 2-3 van het proces-verbaal van de zitting van 17 augustus 2023. De verdachte geeft aan dat hij dit zou hebben gedaan omdat hij geen problemen wilde met ‘[betrokkene 1]’, de leidinggevende van het betreffende [restaurant] filiaal.
Vgl. p. 12 van de pleitnota, onder 38. De pleitnota bevat nog enkele zelfstandige klachten ten aanzien van de betrouwbaarheid voor zover de verklaringen betrekking hebben op de mishandeling (tot en met randnummer 43). Die rechtvaardigen evenwel niet een afzonderlijke bespreking, temeer niet nu in het middel niet geklaagd wordt over de wijze waarop het hof het betrouwbaarheidsverweer heeft verworpen.
Zie p. 3-4 van het arrest, onder het kopje “De betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster en [getuige 1]”.
Enigszins bevreemdend is dat in de schriftuur onder de toelichting van het eerste middel wel gewag wordt gemaakt van de overwegingen van het hof over de betrouwbaarheid van het slachtoffer en de [getuige 1], en de door mij hierboven bedoelde motivering zelfs integraal wordt geciteerd (onder 1.3 van de schriftuur). Het lijkt dan ook niet waarschijnlijk dat de steller van het middel deze passage over het hoofd heeft gezien.
Conclusie
4. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 13 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 033 tot en met 035]
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 mei 2020, tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]:
Op maandag 13 april 2020 omstreeks 21.00 uur stond stonden [slachtoffer] en ik met zijn tweeën buiten de zaak bij [restaurant] , gelegen aan [a-straat] in Amsterdam.
Ik zag dat [verdachte] samen met [medeverdachte] (het hof begrijpt: de [medeverdachte]) aan kwam lopen. Ik hoorde [medeverdachte] tegen [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) zeggen dat zij mee moest komen. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] daarna twee keer sloeg. Ik zag dat hij haar een keer op haar achterhoofd en een keer op haar wang sloeg. Ik hoorde [verdachte] zeggen: "Als je nu niet meeloopt, heb je nog een groter probleem. En jij blijft hier bij de zaak wachten!". Ik zag dat [slachtoffer] , [verdachte] en [medeverdachte] richting de [b-straat] liepen.
Vervolgens werd ik gebeld door [slachtoffer] , Dit was bijna een uur later. Ik had [slachtoffer] al een paar keer gebeld, maar ik werd steeds weggedrukt. Ik hoorde toen van [slachtoffer] dat [verdachte] een vuurwapen in zijn broeksband had laten zien en dat zij met hem is meegelopen uit angst. Ik hoorde toen van [slachtoffer] dat zij met [verdachte] en [medeverdachte] richting het park gegaan zijn en dat zij daar op haar rechterwang en haar slaap geslagen was. Ik hoorde [slachtoffer] huilend aan de telefoon vragen of ik haar kon ophalen. Ik heb een collega (het hof begrijpt: [getuige 2]) gevraagd om [slachtoffer] op te halen. Ik zag dat [slachtoffer] teruggebracht werd naar de zaak. Ik zag dat zij hevig geëmotioneerd was. Ik zag dat de rechterwang en slaap blauwkleurig waren.
5. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 14 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 036 tot en met 039].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belangen zakelijk weergegeven, als de op 14 mei 2020 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]:
Ongeveer een uur later werd ik terug gebeld door [slachtoffer] . Ze zei tegen me; "Kan je me ophalen, want ik ben weggerend van [verdachte] en [medeverdachte].”
Heb je gehoord wat er in het park is gebeurd?
Ja dat heeft [slachtoffer] verteld toen ze huilend aankwam bij [restaurant] . Ze moest met hun meelopen naar het park naar een afgelegen plekje, daar is ze ook geslagen door [verdachte] . Ze moest [verdachte] en [medeverdachte] pijpen en als; ze dat niet deed dan kreeg ze een kogel door haar kop hadden ze gezegd.
Had [slachtoffer] beide jongens gepijpt?
Ja. Dat moest van [verdachte] en [medeverdachte].
6. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 16 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 128 tot en met 133].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 mei 2020 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 2]:
V: Wat kan je vertellen over de zaak van [slachtoffer] ?
A: Ik heb ze wel gezien. [verdachte] was, met één vriend van hem. Die vriend ken ik niet. Ze stonden buiten voor de deur, [slachtoffer], [getuige 1], [verdachte] en die vriend. Ik had wel geschreeuw gehoord, [verdachte] was boos. [slachtoffer] werd meegenomen door hun tweeën. [getuige 1] zei dat. Ze zei iets van: "Kijk ze lopen weg". Ik zag ze toen zelf weglopen.
[getuige 1] probeerde [slachtoffer] te bereiken, daar was ik bij. Toen nam ze niet op. [getuige 1] vroeg of ik [slachtoffer] wilde halen. Ik zag [getuige 1] huilen, omdat ze bang was dat er wat was gebeurd. Ik heb [slachtoffer] opgehaald en ze was aan het huilen. Ik vroeg haar wat er was gebeurd, maar ze zei niks. Ik heb [slachtoffer] bij [restaurant] afgezet.
7. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde 134].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):
Op maandag 18 mei 2020 toonde ik [getuige 2] als eerste de foto van de verdachte [medeverdachte] en als tweede de foto van [verdachte] .
Hierop verklaarde [getuige 2]:
De jongen op de tweede foto heet [verdachte] . Deze jongens heb ik hier gezien bij dit filiaal van [restaurant] op de dag dat [slachtoffer] met hen mee liep (het hof begrijpt: 13 april 2020).
8. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 17 juni 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 204 tot en met 205].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 17 juni 2020 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 3]:
Op 13 april van dit jaar (het hof begrijpt: 2020) kwam ik aan en zag [verdachte] met zijn vriend hier (het hof begrijpt: bij [restaurant] ). Toen [slachtoffer] kwam begonnen ze een beetje intimiderend te doen. En toen liepen ze met zijn drieën weg. En toen ging ik mijn bestelling rijden en toen kwam ik terug en toen zag ik haar vriendin [getuige 1], mijn collega, helemaal bezorgd. Mijn collega [getuige 2] ging haar (het hof begrijpt: [slachtoffer]) ophalen. Hij reed die kant op. En toen even later waren [getuige 1] en [slachtoffer] zelf in tranen. Ik kon aan [slachtoffer] zien dat er iets gebeurd was.
9. Een proces-verbaal van bevindingen van 10 augustus 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 231 tot en met 235].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
[telefoonnummer 1]
:
Dit telefoonnummer is met het onderzoeksteam gedeeld als zijnde het telefoonnummer van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004.
[telefoonnummer 2]
:
Dit telefoonnummer is met het onderzoeksteam gedeeld als zijnde het telefoonnummer van [getuige 1], geboren op [geboortedatum] 2004:
[telefoonnummer 3]
:
Uit de politiesystemen, die mij ter beschikking staan, blijkt dat dit telefoonnummer bij [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2003, in gebruik is.
Om 21:13:57 uur en om 21:19:37 uur heeft het [telefoonnummer 2] uitgaande gesprekken, van slechts 1 en 2 seconden, met het [telefoonnummer 1]. Om 21:19:52 uur en om 21:21:02 uur heeft hef [telefoonnummer 2] inkomende gesprekken van het [telefoonnummer 1], deze gesprekken duren 30 seconden en 0 seconden. Uit de bovenstaande informatie blijkt dat ten tijde van het strafbare feit [getuige 1] contact heeft gezocht met aangeefster [slachtoffer] .
Op het overzichtskaartje te zien dat voor het strafbare feit de telefoonnummers [telefoonnummer 1] (in gebruik bij [slachtoffer] ) en [telefoonnummer 3] (mogelijk in gebruik bij [verdachte] ) onder het bereik staan van cell-ID's die zich in de omgeving van het adres van [restaurant] bevinden.