Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-11-19
ECLI:NL:PHR:2024:1143
Strafrecht
9,599 tokens
Conclusie
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 30 juni 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens onder 1 meer subsidiair en 2 telkens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof een beslissing genomen over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen. Tot slot heeft het hof een beslissing genomen over de vorderingen van de benadeelde partijen en telkens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/02501 en 24/02723. In de zaak 22/02501 zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en C.J.M. Jansen, advocaat in Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft F.J.M. Hamers, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.
4Het eerste middel
4.1
In het middel wordt in de kern geklaagd over de bewezenverklaring.
4.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. meer subsidiair
hij op 22 juli 2016 te Amsterdam, met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats en op de openbare weg (de Zeedijk), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], door die [slachtoffer 1] tegen het hoofd en lichaam te trappen / schoppen en die [slachtoffer 1] met een hard voorwerp tegen het hoofd te slaan;
2.
hij op 22 juli 2016 te Amsterdam, met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats en op de openbare weg (de Zeedijk), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], door die [slachtoffer 2] met een hard voorwerp tegen de schouder te slaan en in het gezicht te slaan en die (op de grond liggende) [slachtoffer 2] tegen het hoofd en lichaam te trappen / schoppen.”
4.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2016158995-37 van 11 augustus 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door opsporingsambtenaar [verbalisant 1], inclusief fotobijlagen [doorgenummerde pagina’s 94 tot en met 117].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring(en) van de verbalisant:
Naar aanleiding van de openlijke geweldpleging op de Zeedijk op 22 juli 2016 omstreeks 03.45 uur zijn camerabeelden gevorderd van nachtcafé [café], gevestigd Zeedijk […] te Amsterdam. Het betreft de camerabeelden van de rokersruimte.
02.28.20
uur
[slachtoffer 1] en [betrokkene 1] (het hof begrijpt hier en hierna, na naamswijziging: [betrokkene 1]) hebben zichtbaar ruzie met elkaar. Ze duwen elkaar en trekken aan elkaar. Er wordt door personen geprobeerd [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] van elkaar te scheiden.
02.29.06
uur
[medeverdachte] probeert [betrokkene 1] tegen te houden.
02.28.35
uur
[verdachte] komt de rokersruimte binnen.
02.30.55
uur
[verdachte] komt de rokersruimte binnen.
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2016158995-8 van 22 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 28 tot en met 29].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring(en) van de verbalisanten of één van hen:
Op 22 juli 2016 zagen wij op de Zeedijk, ter hoogte van de Stormsteeg te Amsterdam, drie mannen in versnelde pas weglopen van een man welke op de grond bleef liggen. Wij zagen dat een van deze mannen, welke later bleek te zijn genaamd [verdachte], geboren op [geboortedatum]/1975 te [geboorteplaats], iets in zijn rechterhand had en langs zijn lichaam hield. Kennelijk om te verbergen dat hij iets in zijn handen had. Hierop hebben wij [verdachte] gemaand datgene wat hij in zijn hand had te laten vallen. Wij zagen dat [verdachte] een afgebroken fietsstandaard op de straat liet vallen. Hierop hebben wij op de Zeedijk [verdachte] aangehouden en de fietsstandaard inbeslaggenomen.
Wij zagen dat een andere man, welke later bleek te zijn genaamd [medeverdachte], geboren op [geboortedatum]-1984 te [geboorteplaats], wegliep bij de aanhouding van [verdachte]. Ik zag dat [medeverdachte] met versnelde pas doorliep en plots snel linksaf sloeg.
Later op de plaats delict liep een onbekende man naar ons toe. Wij hoorden dat de man zei: “Die klootzak heeft mij en mijn vriend keihard geslagen. Hij was er zeker bij. Samen met nog een man met een stuk T-shirt, die met een fles heeft geslagen. Ik ben echt hard in mijn rug geslagen door iemand.”
Goed: PL1300-2016158995-5224852 fietsstandaard
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2016158995-33 van 11 augustus 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door opsporingsambtenaar [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina 90].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring(en) van de verbalisant:
De persoon welke verklaarde mishandeld te zijn in het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 2] betreft [slachtoffer 2]. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] tegen mij zei: “hij heeft mij en mijn vriend mishandeld”. Ik zag dat [slachtoffer 2] hierbij naar [verdachte] wees.
4. Een proces-verhaal van verhoor aangever met nummer PL1300-2016158995-23 van 23 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] [doorgenummerde pagina’s 8 tot en met 25].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 juli 2016 afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer 1]:
Ik was in de [café] in de rookruimte met mijn vriend [slachtoffer 2] (het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer 2]). In de rokersruimte was een Marokkaan, NN1. [slachtoffer 2] stond tussen mij en NN1 in. Ik hoorde NN1 opeens roepen dat hij ons dood ging maken. Vervolgens begonnen ze elkaar te duwen en te trekken. Ik bemoeide me hier vervolgens ook mee. [slachtoffer 2] ging op een gegeven moment naar achteren, uit de situatie, dus toen was ik nog alleen met NN1.
[slachtoffer 2] en ik zijn naar buiten gegaan. We kwamen weer langs de [café] en ik zag op dat moment NN1 naar buiten komen. Hij was met twee negroïde personen die ik NN2 en NN3 zal noemen. NN1, NN2 en NN3 hielden [slachtoffer 2] en mij staande. Er kwamen steeds meer en meer mensen bij.
Op een gegeven moment stonden NN1, NN2 en NN3 van links naar rechts voor me. Hierna voelde en zag ik dat NN 1 naar me uithaalde en me daarna naar de grond probeerde te trekken. Ik draaide me de andere kant op om weg te rennen, maar kwam ten val. Daarna voelde ik de trappen, schoppen en klappen komen. Ik voelde dit op mijn rug, hoofd, borst. Overal. En uiteindelijk mijn oog.
Beoordeling
4.8
Dat het hof geen waarde hecht aan de verklaringen van de verdachte dat hij geen geweld heeft toegepast tegen de aangevers, vind ik evenmin onbegrijpelijk, alleen al gezien het feit dat uit bewijsmiddel 2 en 3 blijkt dat [slachtoffer 2] de verdachte heeft aangewezen als de persoon die “hem en zijn vriend” keihard heeft geslagen en de medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de verdachte tijdens het gevecht naar buiten is gekomen en iedereen klappen heeft uitgedeeld (bewijsmiddel 6). Ook in zoverre faalt het middel.
4.9
Tot slot houdt het middel in dat het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt “(samengevat) inhoudende dat op basis van het onderhavige procesdossier niet vastgesteld kan worden of requirant betrokkenheid heeft gehad bij de geweldpleging jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en wat die betrokkenheid dan zou zijn geweest”, onvoldoende gemotiveerd is weersproken. Ik ben van mening dat dit geen stellige en duidelijke klacht is en in dit opzicht niet wordt voldaan aan de eisen die worden gesteld aan een cassatiemiddel in de zin van art. 437 Sv. In de toelichting op het middel wordt namelijk evenmin concreet verwezen naar een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Zo wordt in de alinea’s 6 tot en met 8 van de schriftuur enkel gesteld dat niet vast is komen te staan dat de verdachte in de rokersruimte van het nachtcafé [café] was toen daar een opstootje was en dat “op dit punt” zowel tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting als ook bij het hof een nadrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen. Verder wordt in alinea 14 alleen nog “samengevat” opgemerkt dat “in onvoldoende mate [is] ingegaan op enkele door de verdediging van requirant nadrukkelijk onderbouwde standpunten en gevoerde verweren (waaronder de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2])”. De klacht is vanwege haar onduidelijkheid niet te beoordelen, zodat ik daaraan voorbij zal gaan.
4.10
Het middel faalt.
5Het tweede middel
5.1
Het middel heeft betrekking op de (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.
5.2
Meer specifiek bevat het middel de klachten dat het hof de vorderingen van de benadeelde partijen “ten onrechte, althans op onjuiste gronden”, “onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd” heeft toegewezen, de overwegingen over de gestelde eigen schuld of medeschuld aan de zijde van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] “onjuist, althans onbegrijpelijk” zijn en het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat aan de zijde van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] sprake was van eigen schuld of medeschuld niet (voldoende) gemotiveerd is weerlegd.
5.3
De toelichting op het middel houdt slechts in dat de overweging van het hof over eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partijen “niet alleen innerlijk tegenstrijdig, maar ook onjuist en onbegrijpelijk” is, “[t]emeer nu het Hof in dit arrest niet heeft uitgelegd wat dan precies het door requirant toegepaste excessieve geweld zou hebben behelst”.
5.4
Ik heb mij afgevraagd of het aangevoerde kan worden gezien als een middel van cassatie zoals bedoeld in art. 437 Sv. Ik meen dat dit niet het geval is ten aanzien van de klacht dat het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt niet (voldoende) gemotiveerd is weerlegd. Deze algemene klacht niet is voorzien van enige toelichting. Ik zal het middel in zoverre dan ook onbesproken laten. In de opmerking dat “het Hof in dit arrest niet heeft uitgelegd wat dan precies het door requirant toegepaste excessieve geweld zou hebben behelst”, kan met enige welwillendheid een argument worden gelezen waarom de beslissing van het hof onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is. Op deze klacht zal ik daarom wel ingaan.
5.5
Het bestreden arrest bevat – voor zover van belang – de volgende overweging met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]:
“Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 24.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen.
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De verdediging meent onder andere dat sprake is van eigen schuld dan wel medeschuld van de benadeelde partij.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De omvang van de immateriële schade zal op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid worden geschat op € 24.000,00. Het hof neemt daarbij in aanmerking de ernst van het feit, het letsel van de benadeelde partij en de toegekende schadevergoedingen in vergelijkbare gevallen.
Het verweer van de raadsman, dat sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij, wordt verworpen. De vergoedingsplicht kan op grond van artikel 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek worden verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen (de zogenoemde ‘causaliteitsafweging’). Van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij, zoals door de raadsvrouw is betoogd, is geen sprake. Wat er ook zij van het handelen van het slachtoffer, hij hoefde niet bedacht te zijn op het door de verdachte uitgeoefende excessieve geweld. Nu het slachtoffer aan de daardoor ontstane schade niet heeft bijgedragen, ziet het hof geen aanleiding het toegewezen bedrag te matigen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 22.200,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd een bedrag van € 1.200,00 toe te wijzen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De verdediging meent onder andere dat sprake is van eigen schuld dan wel medeschuld van de benadeelde partij.
Het hof overweegt als volgt.
[…]
Voor zover door de raadsman verweer is gevoerd in het kader van ‘eigen schuld’ van de benadeelde partij, treft dat verweer hetzelfde lot als onder de bespreking van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1].
Conclusie
Alle drie die gasten hadden hun aandeel. Ik voelde op een gegeven moment ook een klap met iets van metaal op mijn hoofd, bovenop. Het voelde anders dan een menselijke klap.
Ik zag dat ik van NN 1 een rake trap op mijn gezicht kreeg. Ik heb NN2 ook een trap zien geven.
5. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2016158995-7 van 22 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] [doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 5].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 22 juli 2016 afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer 2]:
Op 22 juli 2016 was ik samen met [slachtoffer 1] in café [café]. Een Marokkaanse jongen, NN1, kwam bij ons staan. Ik zag dat NN1 [slachtoffer 1] vastpakte. Er ontstond een klein beetje duw- en trekwerk. Ik ben toen tussen beide gekomen om ze uit elkaar te halen. Omstanders in het café probeerden te helpen om [slachtoffer 1] en NN1 uit elkaar te halen. De beveiliger vertelde dat wij beter naar huis konden gaan. Wij hebben hier gehoor aan gegeven en zijn naar buiten gelopen.
Wij zijn met zijn tweeën weggelopen. Ik keek om en zag dat NN1 daar liep met nog een andere Marokkaanse jongen en 4 negroïde jongens. Ik zag dat de andere Marokkaanse jongen, NN2, op mij af kwam rennen. Ik zag dat hij een donkerkleurig voorwerp in zijn rechterhand had. Ik zag dat hij met zijn rechterhand met daarin het voorwerp uithaalde in mijn richting. Ik voelde dat een voorwerp mij raakte op mijn rechterschouder. Door de klap ben ik gestruikeld en op de grond gevallen. Terwijl ik op de grond lag, kreeg ik nog enkele trappen tegen mijn hoofd van NN1. Ik zag dat een negroïde jongen, NN3, op mij af kwam en ik voelde dat hij mij tegen mijn rug trapte.
Ik zag dat [slachtoffer 1] was omsingeld door de andere 4 jongens. Ik zag dat [slachtoffer 1] op de grond lag. Ik zag dat de jongens, waaronder NN1, hevig op [slachtoffer 1] aan het inslaan en trappen waren.
Ik zag dat NN2 en NN3 de Stormsteeg in renden. Ik ben achter de jongens aangerend. Ter hoogte van de FEBO zag ik NN2 staan.
6. Een proces-verbaal van 16 april 2019, opgemaakt door mr. M.B. de Boer, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam [ongenummerd].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 april 2019 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte [medeverdachte]:
In de rokersruimte was een opstootje tussen [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) en [slachtoffer 1]. Meerdere mensen zijn ertussen gekomen, ik heb daarbij [betrokkene 1] vastgepakt.
Ik zag [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aan de overkant staan. Ik heb tegen [betrokkene 1] gezegd: “ze wachten buiten op je”. [betrokkene 1] stormde langs mij naar buiten. Toen kwamen [betrokkene 1] en [slachtoffer 1] tegenover elkaar te staan. Ik stond naast [betrokkene 1].
[slachtoffer 1] rende weg, naar de overkant, richting zijn vriend, en wij zijn er achteraan gerend. Voordat we hem konden vastpakken of inhalen, is [slachtoffer 1] gestruikeld. Toen ik [slachtoffer 1] naderde, sprong of stond zijn vriend ([slachtoffer 2]) voor [slachtoffer 1]. Ik kreeg een handgemeen met zijn vriend. Tijdens dat gevecht zijn andere mensen naar buiten gekomen, waaronder [verdachte]. Er zijn klappen uitgedeeld, over en weer. Voor zover ik weet heeft iedereen klappen uitgedeeld, ikzelf ook. Iedereen was in het gevecht betrokken.
7. Een proces-verbaal sporenonderzoek met nummer PL1300-2016158995-43 van 21 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door opsporingsambtenaar [verbalisant 7] [doorgenummerde pagina’s 129 tot en met 131].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring(en) van de verbalisant:
Een fietsenstandaard is veiliggesteld voor nader onderzoek.
AAJV1130NL / 5224852 Afgebroken fietsenstandaard
Door mij werden de uiteinden van de afgebroken standaard rondom bemonsterd. De bemonsteringen werden voorzien van nummers:
AAJA2617NL Bemonstering metalen staaf, rechts
De bemonsteringen zijn verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut.
8. Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, van 13 oktober 2016, opgemaakt door ing. M.J.W. Pouwels [doorgenummerde pagina’s 154 tot en met 156].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
AAJA2617NL#01 Bemonstering (metalen staaf, rechts AAJV1130NL)
AAJA2617NL#01 DNA-profiel van een man
slachtoffer [slachtoffer 1]
9. Een geschrift, te weten een verslag van Forensische Geneeskunde GGD Amsterdam, van 24 juli 2016, opgemaakt door F. Petrus (forensisch arts) [doorgenummerde pagina’s 6 tot en met 7].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Datum aanmaken letselbeschrijving 24-07-2016
Medische informatie betreffende [slachtoffer 2]
Voornamen [slachtoffer 2]
Opgegeven toedracht Betrokken bij vechtpartij. Werd met vuistslag op zijn rechterschouder getroffen en rechts boven op zijn hoofd. Even later zegt hij niet met vuist te zijn geslagen, maar met voorwerp.
Past het letsel bij de opgegeven toedracht Mogelijk
Omdat Verwonden passen niet bij vuistslag. Zouden wel kunnen passen bij verwonding met voorwerp.
Lichaamsdeel Rug
Beschrijving Op achterzijde rechterschouder, schuin onder elkaar 2 bloeduitstortinkjes, waarvan bovenste plekje bestaat uit ongeveer 1 cm grote streepvormige blauwe plek, wat weer deel uit maakt van vierkantvormige verwonding. De tweede plek schuin daaronder heeft een hoefijzervormige verwonding, opp. schaafverwonding met roodheid, naar onder uitlopend in enkele rode puntvormige bloeduitstortinkjes in vierkantvorm. 10 cm onder schouderverwonding nog een halvemaanvormig schaafwondje van 1 cm lang.”
4.4
Het bestreden arrest bevat verder de volgende bewijsoverwegingen van het hof:
“Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde
De raadsman heeft gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van beide feiten, nu diens betrokkenheid bij de geweldshandelingen jegens de aangevers [slachtoffer 1] (verder: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (verder: [slachtoffer 2]) niet kan worden vastgesteld. Dat de verdachte rond het moment van zijn aanhouding een fietsenstandaard in zijn hand zou hebben gehad, betekent niet dat hij daarmee ook geweld jegens [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft toegepast. De processen-verbaal van bevindingen die zijn opgesteld naar aanleiding van een confrontatie met stills en/of camerabeelden, uitgevoerd door inspecteur [verbalisant 8], zijn volgens de raadsman niet bruikbaar voor het bewijs nu deze onzorgvuldig tot stand zijn gekomen.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.
Op 22 juli 2016 bevinden de verdachte, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich in het café [café] aan de Zeedijk te Amsterdam.
Beoordeling
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.”
5.6
Het hof heeft in het dictum, overeenkomstig de hierboven weergegeven overweging, de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] hoofdelijk toegewezen tot het bedrag van € 24.000,00, de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00 en telkens een schadevergoedingsmaatregel van gelijke hoogte opgelegd.
5.7
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2022 blijkt dat de raadsman van de verdachte daar aan de hand van zijn pleitnotities onder meer het volgende naar voren heeft gebracht over de vorderingen van de benadeelde partijen:
“Vordering benadeelde partij (voor zover gehandhaafd in hoger beroep)
Gelet op mijn pleidooi strekkende tot vrijspraak, dienen de door/namens de heren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ingediende vorderingen schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard te worden.
Voor het geval uw Hof niet tot vrijspraak zou komen wens ik in dit verband nog het navolgende op te merken.
[…]
Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat er zeer wel mogelijk sprake is van eigen schuld dan wel medeschuld aan de zijde van de benadeelde partijen. De verdediging van [verdachte] meent dat alle 2 de vorderingen dan ook geheel niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden voor het geval uw Hof ten aanzien van een of meer feiten tot een bewezenverklaring zou komen.”
5.8
Verder houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep – voor zover belang – het volgende in over de vorderingen van de benadeelde partijen:
“Mr. Hamers deelt mede:
Ik mis de onderbouwing van het eigen schuld verweer van de verdediging. Er wordt gesteld dat de confrontatie door onder anderen [slachtoffer 1] is opgezocht. Uit het arrest ECLI:NL:HR:2017:2789 komt naar voren dat twee fases dienen te worden doorlopen, namelijk de causaliteitsvraag en de billijkheidscorrectie. De gedragingen van de verdachten, die hebben geleid tot het gevolg dat [slachtoffer 1] zijn oog is kwijtgeraakt, zullen ertoe leiden dat de billijkheid uitslaat in het voordeel van [slachtoffer 1]. Het buitenproportionele handelen van de verdachten maakt dat de gehele schade aan hen is toe te rekenen. [slachtoffer 1] heeft niet een zodanige rol in het gebeuren gehad dat dat anders zou moeten zijn.
Mr. Van Megen deelt mede:
[slachtoffer 2] ontkent ten stelligste dat hij schuld heeft. Sterker nog, toen aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werd gevraagd om het café te verlaten, hebben zij daar direct gehoor aan gegeven. Ze zijn weggelopen en hebben niet de confrontatie opgezocht.
[…]
De raadsman dupliceert:
Het proces-verbaal van bevindingen uit 2018, waarin een verklaring van [slachtoffer 1] is opgenomen, is niet onder de juiste omstandigheden tot stand gekomen. In 2019 zijn nogmaals verklaringen door de aangevers afgelegd. In de tussentijd hebben zij kennisgenomen van het dossier, met elkaar erover gesproken en de foto van de verdachte gezien. Ook heeft op dat moment reeds een zitting in eerste aanleg plaatsgevonden. Het gehele onderzoek is slecht aangepakt.
Uit het dossier maak ik op dat de aangevers uit het café zijn weggestuurd. Zij hebben een blokje om gelopen en zijn teruggekomen, waarna zij vanaf buiten contact zochten met personen binnen. Vervolgens komen er mensen naar buiten en blijven de aangevers staan. Er wordt met een fles gegooid. In het kader van de vorderingen tot schadevergoeding zijn civiele uitgangspunten van toepassing. Dat betekent dat niet altijd wordt uitgegaan van een 100 respectievelijk 0 procent verdeling van de schuld. De vorderingen lenen zich niet voor een behandeling binnen het strafproces, omdat binnen een civiele procedure over de vorderingen kan worden gesteggeld. Met andere woorden: ik verzoek de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen.
De vordering van [slachtoffer 2] roept daarnaast vragen op voor zover die ziet op de schadepost ‘verlies van arbeidsvermogen’. [slachtoffer 2] zou in het eerste halfjaar van 2016 hebben gewerkt, maar daarvan zijn geen loonstroken overgelegd. Er kan niet worden uitgesloten dat de reden daarvan is dat hij in die periode niet heeft gewerkt en dus geen inkomen vergaarde. De schade aan het trainingspak blijkt ook niet uit stukken zoals een bonnetje. [slachtoffer 2] kan om die redenen niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.”
5.9
Ten aanzien van de motivering van de beslissing over een vordering van een benadeelde partij geldt dat deze beslissing met redenen omkleed moet zijn op grond van art. 361 lid 4 Sv. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij hangt mede af van de manier waarop (en de stukken waarmee) aan de ene kant de vordering is onderbouwd en aan de andere kant daartegen verweer is gevoerd. Hoe uitgebreider en specifieker de vordering wordt weersproken, des te meer aandacht de motivering van de toewijzing van de vordering vraagt.
5.10
Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partijen niet bedacht hoefden te zijn op het door de verdachte uitgeoefende excessieve geweld en dat zij niet hebben bijgedragen aan de schade die hierdoor is ontstaan. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de schade niet in een causaal verband staat tot het gedrag van de benadeelde partijen en dat art. 6:101 lid 1 BW dus niet van toepassing is. Dat oordeel is wat mij betreft niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij weeg ik mee dat uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte geweld heeft toegepast tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met gebruik van een hard voorwerp. Ook betrek ik daarbij dat namens de verdachte de vordering op dit punt slechts summier is weersproken.
5.11
Het middel faalt.
6. De middelen falen. Afdoening met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering ligt niet in de rede, aangezien de rechtbank de verdachte integraal heeft vrijgesproken.
7. Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 4 juli 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf naar de gebruikelijke maatstaf.
8. Voor het overige heb ik ambtshalve geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
In de zaak 24/02723 heeft het hof op 9 juli 2024 arrest gewezen en is namens de verdachte op 12 juli 2024 cassatieberoep ingesteld. De in art. 435 lid 1 Sv bedoelde aanzegging is op 8 oktober 2024 in persoon betekend, zodat nog tot en met 9 december 2024 een schriftuur houdende middelen van cassatie kan worden ingediend.
Zie alinea 8 en 11 t/m 13 van de schriftuur.
O.a. HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:982, r.o. 3.3.
Ibid.
HR 27 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.8.6.
Vgl. HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer, r.o. 2.4.
Conclusie
Omstreeks 03.28 uur is in de rokersruimte van het café een opstootje ontstaan tussen [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1]) en [slachtoffer 1]. Verschillende omstanders, onder wie [medeverdachte] (verder: [medeverdachte]), proberen [betrokkene 1] en [slachtoffer 1] uit elkaar te halen en te houden. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben na het opstootje het café verlaten. [medeverdachte] heeft hen op enig moment buiten voor het café zien staan, waarbij hij het idee had dat zij [betrokkene 1] stonden op te wachten. Direct nadat [medeverdachte] dit aan [betrokkene 1] kenbaar had gemaakt, is [betrokkene 1] naar buiten gesneld, in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. [medeverdachte] is achter [betrokkene 1] aangegaan. Vervolgens vindt buiten het café, op de Zeedijk ter hoogte van de Stormsteeg, een vechtpartij plaats. Vastgesteld kan worden dat op dat moment in ieder geval [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [betrokkene 1] en [medeverdachte] buiten in gevecht zijn. Op een gegeven moment bevindt ook de verdachte zich bij voornoemde personen.
De ter plaatse gekomen politieambtenaren constateren dat [medeverdachte], de verdachte en een onbekend gebleven persoon met versnelde pas weglopen van [slachtoffer 1], die op dat moment met diverse verwondingen op de grond ligt. De verdachte probeert daarbij een fietsenstandaard, die hij in zijn rechterhand draagt, te verhullen. Het hof acht het niet aannemelijk dat de verdachte de standaard enkel heeft opgeraapt en vervolgens ongebruikt heeft vastgehouden. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij met iets van metaal op zijn hoofd is geslagen, hetgeen steun vindt in het aangetroffen DNA-materiaal van [slachtoffer 1] op de fietsenstandaard. Het scenario dat door de verdediging is geschetst, namelijk dat [slachtoffer 1] de fietsenstandaard heeft vastgehad (waardoor zijn DNA-materiaal op het voorwerp is gekomen) en later heeft laten vallen, waarna in ieder geval de verdachte de standaard heeft opgeraapt, vindt geen enkele steun in het dossier. Het hof acht dit scenario daarom niet aannemelijk en zal dat passeren. Het hof weegt mee dat [slachtoffer 2] heeft verklaard over een donkerkleurig voorwerp waarmee hij door ‘NN2’, naar later blijkt de verdachte, tegen de schouder is geslagen. Uit de letselbeschrijving volgt dat [slachtoffer 2] letsel zou kunnen passen bij een verwonding met een voorwerp.
De verklaringen die [slachtoffer 2] direct na de vechtpartij ter plaatse tegenover de politie heeft afgelegd sterkt het hof in zijn overtuiging dat de verdachte een van de personen is geweest die geweld jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft toegepast. Daaruit volgt immers dat [slachtoffer 2] de verdachte onmiddellijk, zonder dossierkennis of overleg met bijvoorbeeld [slachtoffer 1], aanwijst als de persoon die “hem en zijn vriend” keihard heeft geslagen. Tegenover die verklaring staan de verklaringen van de verdachte, kortgezegd inhoudende dat hij geen geweld jegens de aangevers heeft toegepast en de fietsenstandaard enkel heeft opgeraapt ter eventuele bescherming in de chaotische situatie buiten. Het hof hecht geen waarde aan de verklaringen van de verdachte, gelet op het aangetroffen DNA van [slachtoffer 1] op de fietsenstandaard, de door de camerabeelden weerlegde verklaring van de verdachte dat hij die nacht niet in de rokersruimte is geweest en de - pas in hoger beroep ter terechtzitting afgelegde - verklaring dat hij (via een onlogische route) snel naar het centraal station van Amsterdam moest omdat zijn neef hem (pas) een uur later met de auto naar Brabant zou brengen. Overigens wijzen niet enkel de aangevers op zijn betrokkenheid bij de vechtpartij, nu ook [medeverdachte] heeft verklaard dat de verdachte zich buiten bevond en dat er “over en weer” werd geslagen en “iedereen klappen heeft uitgedeeld”.
Voor zover het verweer van de raadsman ziet op de bruikbaarheid van de processen-verbaal van bevindingen van inspecteur [verbalisant 8], laat het hof de bespreking daarvan buiten beschouwing nu deze processen-verbaal niet tot het bewijs worden gebezigd.
Het hof acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte openlijk geweld in vereniging heeft gepleegd jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], waarbij hij een hard voorwerp heeft gebruikt.”
4.5
In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat het hof enkele bewijsmiddelen ten onrechte voor het bewijs heeft gebruikt. Aan deze klachten zal ik voorbijgaan, aangezien hiermee wordt miskend dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent, terwijl de feitenrechter deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet hoeft te motiveren, tenzij een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal.
4.6
Daarnaast worden in de toelichting op het middel diverse klachten naar voren gebracht over gevolgtrekkingen van het hof en vaststellingen die daaraan ten grondslag liggen. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de klachten het karakter hebben van napleiten. Daarom zal ik niet alle klachten afzonderlijk bespreken. In de kern houden de klachten in dat het hof “ten onrechte en op basis van onjuiste feiten en omstandigheden” heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat de verdachte de fietsenstandaard enkel heeft opgeraapt en vervolgens ongebruikt heeft vastgehouden en dat het hof geen waarde hecht aan de verklaringen van de verdachte dat hij geen geweld jegens de aangevers heeft toegepast en de fietsenstandaard enkel heeft opgeraapt ter eventuele bescherming in de chaotische situatie buiten.
4.7