Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-11-05
ECLI:NL:PHR:2024:1070
Strafrecht
2,219 tokens
Conclusie
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de klager.
1Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 6 maart 2024 het ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift, dat strekt tot teruggave van het in beslag genomen voorwerp, gegrond verklaard en teruggave van dat voorwerp aan de klager gelast.
1.2
Tegen deze beschikking is door K. van der Willigen, officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, cassatieberoep ingesteld.
1.3
Namens het openbaar ministerie heeft W.J.V. Spek, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondisementesparket Amsterdam, één middel van cassatie ingesteld.
1.4
Deze zaak draait om een in beslag genomen voorwerp dat door de rechtbank wordt omschreven als “een goudkleurig Dior airsoftwapen”. Uit de stukken van het geding blijkt dat dit voorwerp is aangetroffen in het kader van een doorzoeking van een bedrijfspand in een strafrechtelijk onderzoek tegen een derde en toen op 5 juni 2023 op grond van art. 94 Sv in beslag is genomen.
2De beschikking
2.1
Uit het proces-verbaal van de zitting van 6 maart 2024 blijkt dat de raadsman van de klager en de officier van justitie daar de volgende standpunten hebben uitgewisseld:
“De raadsman voert het woord als volgt:
Cliënt is thans gedetineerd en was dat ten tijde van de inbeslagname ook. Het voorwerp hing als kunstobject aan de muur. Uit het dossier blijkt dat het wordt aangemerkt als airsoftwapen, maar het is gewoon een lege huls metaal.
Het object heeft wel de vorm van een kalashnikov, maar het is goudkleurig en helemaal bedrukt met de letters DIOR. Het is kostbaar, cliënt heeft er € 15.000,- voor betaald. Het object is aangetroffen aan de muur, waar het duidelijk als kunstobject hing.
Volgens het Openbaar Ministerie (OM) valt het object onder de restcategorie zoals genoemd in de Wet Wapens en Munitie (WWM) omdat het is geschikt voor afdreiging. In principe is ieder voorwerp, zoals bijvoorbeeld een tak, onder bepaalde omstandigheden geschikt voor afdreiging.
De conclusie moet zijn dat het object niet onder de restcategorie valt. Het is duidelijk dat bepaalde onderdelen missen en dat het een kunststuk is.
De officier van justitie voert het woord als volgt:
De redenering van de raadsman is creatief. Het wapen is echter een bijna exacte kopie van een AK47. Iemand die ermee bedreigd wordt kan niet zien dat het van binnen leeg is. Volgens de wapenexperts van de politie is het wapen geschikt voor afdreiging. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, het wapen verbeurd zal verklaren of zal onttrekken aan het verkeer.
De raadsman voert aan:
Het voorwerp is overduidelijk een kunstwerk. Het hing aan de muur en is bedrukt. Het valt niet onder de restcategorie zoals bedoeld in de WWM. Het kunststuk is in juni 2023 in beslag genomen en er is nog geen parketnummer aan de zaak gekoppeld. Cliënt is niet als verdachte gehoord omdat hij gedetineerd was. Ik ben bang dat het voorwerp tussen wal en schip valt.”
2.2
De rechtbank heeft het beklag gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:
“In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager -, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken. Het wapen is aangetroffen tijdens een doorzoeking van een pand in een strafrechtelijk onderzoek, dat niet tegen de klager was gericht. Het wapen is goudkleurig, heeft de opdruk Dior, is onklaar gemaakt en hing aan de muur als kunststuk.
Gelet op de wijze waarop het wapen is aangetroffen, het feit dat het essentiële onderdelen mist, de aanschafprijs en de kunstzinnige opdruk, merkt de rechtbank het wapen als kunst aan.
De rechtbank zal het beklag gegrond verklaren en teruggave aan de klager gelasten.”
3Het middel
3.1
Het middel klaagt dat de rechtbank bij haar beslissing tot gegrondverklaring van het beklag het summiere en voorlopige karakter van de beklagprocedure heeft miskend door vooruit te lopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak. Het middel klaagt daarnaast dat het oordeel van de rechtbank dat het in beslag genomen voorwerp als kunst moet worden aangemerkt en dat het beklag daarom gegrond moet worden verklaard en het voorwerp moet worden teruggeven aan de klager, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
3.2
De rechtbank heeft in de hiervoor onder 2.2 geciteerde overweging op een juiste wijze uitgelegd hoe er in het kader van een op grond van art. 94 Sv gelegd beslag in de beklagprocedure moet worden getoetst of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Daarbij heeft de rechtbank onder meer met juistheid overwogen dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van het voorwerp als het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen. Hieraan kan voorts nog worden toegevoegd dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
3.3
In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie zich verzet tegen de teruggave van het in beslag genomen voorwerp, omdat het openbaar ministerie zal vorderen dat het voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer. Daartoe is aangevoerd dat het wapen “een bijna exacte kopie van een AK47 wapen” is en dat het “daarom geschikt [is] voor afdreiging”. Daarmee zou het volgens de officier van justitie – zo begrijp ik uit het zich bij de gedingstukken bevindende schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie – gaan om een verboden wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie I sub 7 WWM.
3.4
In navolging van het betoog van de raadsman van de klager, heeft de rechtbank geoordeeld dat het “wapen” (zoals de rechtbank het hier noemt) – gelet op de wijze waarop het is aangetroffen, het feit dat het essentiële onderdelen miste, de aanschafprijs en de kunstzinnige opdruk – moet worden aangemerkt als kunst. De rechtbank heeft het beklag vervolgens gegrond verklaard en teruggave van het voorwerp aan de klager gelast.
Conclusie
4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.8 en 2.9.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.2. Zie ook HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3310, rov. 2.3 en HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:579, rov. 2.5.