Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-10-15
ECLI:NL:PHR:2024:1044
Strafrecht
2,161 tokens
Conclusie
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 18 oktober 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair "telkens: verduistering" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/04133. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft J.M. Buchel, advocaat in Zandvoort, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4. Het middel behelst de klacht dat ’s hofs bewezenverklaringen van verduistering ontoereikend zijn gemotiveerd. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet zonder meer volgt dat de verdachte zich de bewezenverklaarde goederen (tas en telefoon) wederrechtelijk heeft toegeëigend, te minder nu de verdachte heeft verklaard deze goederen te hebben gevonden en voornemens was om deze terug te geven, maar dat dit enkel niet was gelukt vanwege taalproblemen.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“feit 1 meer subsidiair:
hij op 22 januari 2023 te Arnhem opzettelijk een tas (met daarin een of meerdere pasje(s) en een ID-kaart en een oplaadkabel en een koptelefoon), die aan [betrokkene 1] toebehoren, en die hij, verdachte, anders dan door misdrijf onder zich heeft, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
feit 2 meer subsidiair:
hij op 22 januari 2023 te Arnhem, opzettelijk een telefoon (iPhone) die aan [betrokkene 2] toebehoort, en die hij, verdachte, anders dan door misdrijf onder zich heeft, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.”
6. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:
“1.
Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , brigadier van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 22 januari 2023 (dossierpagina 7 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:
Vanmorgen (22.01.2023) zat ik in de internationale trein (ICE 121) van Amsterdam Centraal op weg naar Duitsland.
Op een gegeven moment viel ik in slaap.
Een onbekende passagier duwde me om ongeveer 7.20 uur (na vertrek uit Utrecht op de route naar Arnhem) wakker. De persoon wees erop dat mijn tas verdwenen was en zei me dat ze zich herinnerde hoe de dader eruit zag en dat ze me wilde helpen zoeken naar de tas.
Ik ging toen in de richting die de passagier aangaf. Nadat ik het boordpersoneel had verteld dat mijn tas was gestolen, kreeg ik te horen dat men de dader het toilet had zien verlaten.
Een personeelslid begeleidde me naar het toilet en ontsloot het. Mijn tas was daar.
Mijn pasjes. ID en een paar elektronische apparaten (oplaadkabel en koptelefoon) waren er echter niet.
Een medewerker van Deutsche Bahn benaderde de verdachte en vroeg hem of hij de vermiste voorwerpen bij zich had, hij zei ja en gaf ze terug.
2. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] , hoofdagent van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige van 22 januari 2023 (dossierpagina 11 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3], zakelijk weergegeven:
Ik hoorde dat de centralist mij vertelde dat er een hele groep zakkenrollers, bestaande uit Algerijnen, bij ons in de trein gestapt zou zijn op Utrecht-Centraal.
Even later werd ik en mijn collega's benaderd door een meisje. Ik hoorde dat zij tegen mij zei in de Engelse taal dat haar tas gestolen was en dat die gene nog op de trein moest zijn.
Terwijl dit meisje dit tegen ons vertelde, hoorde ik dat de Bistro-medewerkster tegen mij zei dat zij een man het toilet in zag lopen.
Na een aantal keer kloppen op de toiletdeur en roepen werd de deur niet geopend. Na meerdere pogingen werd daarna uiteindelijk de toiletdeur geopend en zag ik dat daarin de man stond die door de Bistro-medewerkster werd genoemd.
Nadat hij buiten het toilet stond keek een collega van mij de WC in en zagen wij daarin een donkerkleurige weekendtas.
Het bestolen meisje dat bij mij stond herkende die tas als de tas die zij miste. Zij doorzocht die tas om te kijken of zij nog spullen eruit miste. Ik hoorde dat zij zei dat zij haar pasjes uit de tas miste, die in een klein portemonneetje zaten. Dit portemonneetje lag nog wel in de tas.
Ik hoorde dat het meisje aan de man die uit het toilet kwam meerdere keren vroeg om haar pasjes terug te geven.
Ik zag en hoorde dat de man een aantal keer moeilijk deed, maar nadat het meisje het aandrong zag ik dat de man uit zijn linkerachterzak een stapelpasjes pakte die van het meisje waren.
3.
Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , brigadier van politie, Eenheid Oost-Nederland,
opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 22 januari 2023 (dossierpagina 14 e.v.), voor
zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:
Vannacht (22 januari 2023) zat ik met mijn vriendin in de trein van Amsterdam naar Utrecht. We waren uit geweest en wij zijn tijdens de treinreis in slaap gevallen.
Ik had mijn telefoon in mijn linker broekzak. Toen we uit Utrecht uitstapten miste ik mijn telefoon.
Mijn telefoon is een Iphone 11, zwart van kleur. De telefoon is mijn eigendom.
Het scherm hoesje is links onder in de hoek beschadigd.
Ik geef u de omschrijving van de foto van mijn vriendin.
Ik geef u de codes voor simkaart en ontgrendeling.
Opmerking verbalisant:
De omschrijving van de foto, de beschadiging kloppen met de in beslag genomen telefoon. Verder kon ik inderdaad de telefoon openen en ontgrendelen met de opgegeven code’s.
4.
Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , respectievelijk hoofdagent, brigadier en brigadier van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van aanhouding verdachte van 22 januari 2023 (dossierpagina 16 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Vandaag kregen wij omstreeks 07:40 uur van onze meldkamer de melding dat er op spoor-9 van het Centraal-Station Arnhem de internationale trein uit Duitsland zou staan waarin meerderen zakkenrollers zouden zitten. Eén van die zakkenrollers zou een tas hebben gestolen en zou zich hebben opgesloten op de WC.
Wij betraden dit treinstel en zagen dat de treinmanager bij een man stond die iemand bestolen zou hebben.
Ik, [verbalisant 2] , stelde zijn identiteit vast als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] .
Ook zagen wij een vrouw die bij het treinpersoneel stond, die betrokkene [betrokkene 1] bleek te zijn.
Conclusie
11. Het middel faalt en kan mijns inziens met de aan art. 81 RO lid 1 Sv ontleende motivering worden afgedaan.
12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 8 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:805, met verwijzing naar HR 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8253 (NJ 1990/256). Zie ook mijn conclusie vóór HR 6 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:492, waarin ik inhoudelijk nader ben ingegaan op het begrip ‘wederrechtelijke toe-eigening’. Kortheidshalve verwijs ik hier naar die conclusie, alsook naar mijn bijdrage in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 321, aant. 1.1 en 1.2, ook wat betreft het onderdeel ‘gevonden voorwerpen’.