Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2023-10-06
ECLI:NL:PHR:2023:989
Civiel recht
2,640 tokens
Conclusie
E.M. Wesseling-van Gent
In de zaak
Almeersch Hippisch Centrum B.V.
tegen
1. ASR Basis Ziektekostenverzekeringen N.V.2. ASR Aanvullende Ziektekostenverzekeringen N.V. h.o.d.n. Ditzo Zorgverzekering
1Aanduiding procespartijen en inhoud cassatieberoep
1.1
Eiseres tot cassatie wordt hierna aangeduid als AHC en verweersters in cassatie gezamenlijk als ASR (ev).
1.2
Het cassatieberoep is op de voet van art. 80 eerste lid RO van een vonnis van de kantonrechter ingesteld. Geklaagd wordt dat de kantonrechter het fundamentele recht op een mondelinge behandeling heeft miskend en zonder (voldoende) motivering is voorbijgegaan aan het verzoek van AHC om een mondelinge behandeling te gelasten.
Feiten
2.1
[betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) en AHC hebben een paardrijlesovereenkomst gesloten. Op 4 november 2021 is [betrokkene 1] tijdens een paardrijles bij AHC ten val gekomen doordat het paard, waarvan AHC eigenaar is, is gaan bokken. Bij het ongeval heeft [betrokkene 1] onder meer een heup gebroken. Zij is per ambulance afgevoerd naar het ziekenhuis en is daar medisch behandeld.
2.2
[betrokkene 1] is bij ASR verzekerd tegen ziektekosten. ASR heeft de medische kosten van [betrokkene 1] die het gevolg zijn van het ongeval op de manege van AHC, vergoed, en heeft de gemaakte medische kosten op AHC verhaald.
2.3
Achmea - de aansprakelijkheidsverzekeraar van AHC - heeft de door [betrokkene 1] gemaakte en door ASR vergoede medische kosten op grond van vaste jurisprudentie voor 50% vergoed en heeft daarop een eigen risico van AHC van € 1.250,-- in mindering gebracht.
2.4
De aansprakelijkheid voor het ongeval staat tussen partijen niet ter discussie. Procesverloop
2.5
Bij inleidende dagvaarding van 8 september 2022 heeft ASR AHC gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere. ASR heeft daarbij gevorderd dat AHC wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 1.250,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede een bedrag van € 187,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, de nakosten en de proceskosten.
2.6
AHC heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarna ASR een conclusie van repliek heeft genomen en AHC daarop een conclusie van dupliek.
2.7
De kantonrechter heeft bij vonnis van 15 maart 2023, voor zover thans van belang, AHC uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld: (i) om aan ASR tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.437,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over € 1.250,-- vanaf 8 september 2022 tot de voldoening; (ii) tot betaling van de proceskosten aan de zijde van ASR en (iii) tot betaling van de na dit vonnis ontstane kosten indien zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door ASR volledig aan dit vonnis voldoet.De kantonrechter heeft daarnaast het meer of anders gevorderde afgewezen.
2.8
AHC heeft van dit vonnis (hierna: het bestreden vonnis) tijdig cassatieberoep ingesteld. Tegen ASR is verstek verleend.AHC heeft afgezien van schriftelijke toelichting.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel bevat twee onderdelen.
3.2
Onderdeel 1 klaagt in de kern dat het hof het fundamentele recht op een mondelinge behandeling alsmede de motiveringseisen die aan een afwijzing van een verzoek om een mondelinge behandeling worden gesteld, heeft miskend. Daartoe voert het onderdeel, samengevat, aan dat AHC tweemaal om een mondelinge behandeling heeft gevraagd en dat de kantonrechter in het vonnis niet op dat (herhaald) verzoek is ingegaan.
3.3
Voordat ik deze klachten behandel, ga ik kort in op (i) het cassatieberoep van een vonnis van de kantonrechter; (ii) de feitelijke grondslag van de stelling dat AHC om een mondelinge behandeling heeft verzocht, en (iii) het recente arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2023 over het recht op een mondelinge behandeling en de afwijzing van een verzoek daartoe.
(i) het cassatieberoep van een vonnis van de kantonrechter (art. 80 lid 1 RO)
3.4
Van het bestreden vonnis stond geen hoger beroep open, omdat de vordering van ASR waarover de kantonrechter moest beslissen, niet meer bedraagt dan € 1.750,-- (de financiële appelgrens als bedoeld in art. 332 lid 1 Rv). In een dergelijk geval staat op de voet van art. 398, aanhef en onder 1°, Rv van het vonnis beroep in cassatie open.
3.5
Op grond van art. 80 lid 1 RO zijn de cassatiegronden tegen uitspraken van de kantonrechter (in burgerlijke zaken) beperkt tot: a. het niet inhouden van de gronden waarop het vonnis of de beschikking berust (motiveringsgebreken); b. het niet in het openbaar gedaan zijn van het vonnis of de beschikking; c. onbevoegdheid of d. overschrijding van rechtsmacht. Daaraan is door de Hoge Raad de cassatiegrond toegevoegd dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet meer kan worden gesproken.
3.6
Bij motiveringsgebreken gaat het om dezelfde motiveringseisen als die aan andere rechterlijke uitspraken worden gesteld. Motiveringsklachten die in wezen rechtsklachten zijn of die niet kunnen worden beoordeeld zonder ook de juistheid van de rechtsopvatting van de kantonrechter te beoordelen, stuiten af op art. 80 lid 1 RO.
(ii) feitelijke grondslag van het verzoek om een mondelinge behandeling
3.7
AHC heeft gesteld dat zij bij toezending van de conclusie van dupliek in een e-mail van 15 februari 2023 aan de griffier van de rechtbank, de kantonrechter heeft verzocht om een mondelinge behandeling (het eerste verzoek, aldus onderdeel 1). Deze e-mail luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
“Geachte heer, mevrouw,
Hierbij treft u aan het (tweede) schriftelijke verweer van gedaagde (Almeersch Hippisch Centrum (AHC)) in bovengenoemde procedure.
Graag maak ik daarnaast alvast van de gelegenheid gebruik door aan te geven dat AHC de wens heeft dat er op de twee schriftelijke rondes die nu plaats hebben gevonden een mondelinge behandeling volgt.”
3.8
Deze e-mail wordt niet in het bestreden vonnis genoemd en maakt geen deel uit van de gedingstukken. Daarmee ontbreekt de feitelijke grondslag als bedoeld in art. 419 lid 2 Rv. Met het oog op de vraag of de desbetreffende e-mail met betrekking tot het gedane verzoek om een mondelinge behandeling kan dienen als hypothetisch feitelijke grondslag, heb ik voor de volledigheid ambtshalve via de griffie van de Hoge Raad de vraag aan de rechtbank Midden-Nederland laten stellen of genoemde e-mail aldaar is ontvangen. Het antwoord daarop luidt bevestigend.
(iii) HR 24 maart 2023
3.9
In een recent arrest van 24 maart 2023 heeft de Hoge Raad over het recht op een mondelinge behandeling en de afwijzing van een verzoek daartoe als volgt geoordeeld:
“3.2 Art. 87 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter, op verzoek van partijen of een van hen dan wel ambtshalve, in alle gevallen en in elke stand van het geding een mondelinge behandeling kan bevelen. Art. 87 lid 8 Rv bepaalt dat indien geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, de rechter voordat hij over de zaak beslist aan partijen desverlangd de gelegenheid biedt hun standpunt mondeling uiteen te zetten. (…).
3.3
Blijkens de wetsgeschiedenis is art. 87 lid 8 Rv ingevoerd wegens het vervallen van art. 134 (oud) Rv, waarin het recht op pleidooi was vervat. In de memorie van toelichting is daarover het volgende opgemerkt:
“Artikel 134, dat betrekking heeft op het pleidooi, vervalt. In de wetgeving uit 2016 is het pleidooi als afzonderlijke proceshandeling komen te vervallen, omdat de rechter partijen altijd in de gelegenheid moet stellen om hun standpunt over de zaak mondeling toe te lichten (vgl. artikel 30k, eerste lid, aanhef en onderdeel b, in dit wetsvoorstel overgenomen in artikel 87). Het vierde lid van artikel 134 (artikel 30k, vierde lid over de aanwezigheid van partijen bij het pleidooi) komt in dit wetsvoorstel terug in artikel 87, vijfde lid, derde volzin.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter te Almere van 15 maart 2023 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Ontleend aan rov. 2.1 van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, van 15 maart 2023 (hierna: het bestreden vonnis).
Zie voor het procesverloop de rov. 1.1 en 1.2 van het bestreden vonnis.
De procesinleiding is op 26 april 2023 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:449, NJ 2023/125.
Zie daarover Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/196-202; A.E.H. van der Voort Maarschalk, in Van der Wiel (red.), Cassatie (BPP nr. 20), 2019/88.
HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637, m.nt. H.J. Snijders.
Zie bijv. HR 14 april 1989, , NJ 1989/609 en HR 3 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8199, NJ 2001/148.
Zie bijv. HR 11 december 1987, NJ 1988/338 m.n.t W.L. Haardt, rov. 3.3 en HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ3207, NJ 2004/680, rov. 3.3.
Procesinleiding, par. 1.5. De e-mail is als onderdeel van het in cassatie gefourneerde procesdossier overgelegd.
Zie daarover Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/280-282.
Vgl. HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7843, NJ 2013/202, rov. 3.3. Zie in dit verband ook mijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2017:1420, voor HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:144 (81 RO), onder 3.8.
Vindplaats hiervoor in voetnoot 4.
In voetnoot 2 verwijst de HR hierbij naar Kamerstukken II 2018/19, 35 175, nr. 3, p. 8.
In voetnoot 3 verwijst de HR hierbij naar o.a. HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1081, rov. 4.2 en HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3151, rov. 3.3.2.