Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2023-08-29
ECLI:NL:PHR:2023:710
Strafrecht
2,130 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 12 oktober 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “overtreding van het bepaalde in art. 62, bord A1 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” (overschrijding van de maximumsnelheid) veroordeeld tot een geldboete van 1.080,00,- euro, subsidiair 20 dagen hechtenis, te betalen in termijnen. Daarnaast heeft het hof de verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van zes maanden.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het eerste middel richt zich tegen de afwijzing van het verzoek van de verdachte tot kennisneming van bodycambeelden. Volgens de stellers van het middel getuigt deze afwijzing van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is zij onvoldoende gemotiveerd.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2021, houdt het volgende in:
“De voorzitter deelt mee -zakelijk weergegeven- als volgt:
De rechtbank heeft u vrijgesproken. Het openbaar ministerie is vervolgens in hoger beroep gegaan. Het openbaar ministerie heeft een aanvullend proces-verbaal laten opmaken. Verbalisanten hebben verklaard dat ze een zwarte Audi Avant met Duits kenteken zagen rijden.
De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:
Het klopt dat ik op 28 april 2018 in een zwarte Audi reed met een Duits kenteken.
De voorzitter deelt mee -zakelijk weergegeven- als volgt:
De verbalisanten hebben verklaard dat ze een Audi Avant met hoge snelheid zagen rijden. Ze zagen continu de achterlichten van deze Audi. Deze Audi reed volgens de verbalisanten tussen de 210 en 230 kilometer per uur. Voorbij de afslag Gouda liepen de verbalisanten iets in op de Audi. Ze hebben uiteindelijk een stopteken gegeven. U bleef in de auto zitten. Ze hoorde dat u tegen de bijrijder zei: Ik had de cruise controle op 220 kilometer per uur staan.
De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:
Dat hoor ik nu voor het eerst. Dat is niet gezegd tijdens de zitting bij de rechtbank.
De voorzitter deelt mee -zakelijk weergegeven- als volgt:
Dat klopt dat staat namelijk in het aanvullend proces-verbaal van 7 oktober 2019.
De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:
De agenten hadden een camera op hun borst. Ik wil die beelden van de camera wel zien. Het klopt dat ik in een Audi reed en dat ik staande ben gehouden. Ik kan me niet herinneren dat ik dat gezegd heb. Het kan kloppen dat ik niets verklaard heb. Ik heb een andere Audi voorbij zien racen met een Duits kenteken. Deze Audi reed zo hard. Mijn Audi is niet zo snel. Ik zat in de auto met twee kleine jongens mijn broertjes, dan ga ik geen 230 kilometer per uur rijden.
[…]
Ik heb het gevoel dat de agenten dingen verzinnen. Ik heb dat absoluut niet gezegd. Ik wil graag dat de beelden van de body camera tevoorschijn komen. Ik weet zeker dat ze een grote fout hebben gemaakt. Ik ben niet zo achterlijk dat ik 220 kilometer per uur ga rijden met mijn broertjes in de auto. Ik zag op de kilometerteller 130 kilometer per uur staan. Hij had een body camera. Hij duwde mij op de vluchtstrook. Ik zei kunnen we niet naar een afslag rijden. Toen zei hij volg mij maar. Ik heb gezegd dat ik het 100% niet ben geweest. Een raket kwam mij voorbij gereden. Ik had een standaard Audi. Misschien is het fout gegaan omdat beide auto’s een wit kenteken hadden en hebben ze daardoor een vergissing gemaakt.
[…]
Ik wil dat de beelden van de camera naar voren komen.”
5. Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:
“Volgens de verdachte droegen de verbalisanten een bodycamera. Verdachte heeft verzocht de beelden die door deze camera’s zijn gemaakt te bekijken.
Op dit verzoek is het noodzaakscriterium van toepassing.
Tegen de achtergrond van de overige stukken in het dossier is de noodzaak van het bekijken van de mogelijk (nog) bestaande beelden naar het oordeel van het hof niet gebleken. Het hof acht zich voldoende voorgelicht. Het verzoek wordt afgewezen.”
6. In de onderhavige zaak wordt de verdachte verweten op 28 april 2019 op de A12 ter hoogte van Woerden ongeveer 194, althans 170, kilometer per uur te hebben gereden. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat de verdachte de inhoud van een aanvullend proces-verbaal daaromtrent betwist en dat hij ter terechtzitting herhaaldelijk heeft aangegeven beelden van de bodycams van deze verbalisanten te willen zien. De verdachte betwist in het bijzonder dat hij tegen de bijrijder zou hebben gezegd dat hij de cruise control op 220 kilometer per uur had staan, zoals in het aanvullend proces-verbaal is gerelateerd.
7. Het hof heeft ten aanzien van het verzoek van de verdachte om de beelden te kunnen bekijken allereerst geoordeeld dat bij de beoordeling van dit verzoek het noodzaakscriterium van toepassing is en vervolgens het verzoek afgewezen omdat tegen de achtergrond van de overige stukken in het dossier de noodzaak voor het bekijken van de mogelijk (nog) bestaande beelden naar het oordeel van het hof niet is gebleken.
8. Bij de beoordeling van het middel moet gelet op een arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022 het volgende worden vooropgesteld:
“Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van stukken bij de processtukken is op grond van artikel 315 lid 1 Sv in verbinding met artikel 415 Sv of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij het nemen van zijn beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van artikel 149a lid 2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat hierbij dus om de relevantie van die stukken. (Vgl. HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:218)
De verdediging kan – mede gelet op het in artikel 6 lid 3, aanhef en onder b, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en met het oog op het doen van een verzoek tot het voegen van stukken aan het dossier – een gemotiveerd verzoek doen tot het verkrijgen van inzage in specifiek omschreven stukken. Tijdens het vooronderzoek kan een dergelijk verzoek worden gedaan overeenkomstig de in artikel 34 leden 2-4 Sv geregelde procedure. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting beslist de zittingsrechter – zo nodig op basis van de bevindingen van nader onderzoek dat door een ander dan de zittingsrechter, bijvoorbeeld de rechter-commissaris, is verricht naar de aard en de inhoud van de betreffende stukken en gegevens – of en zo ja, in welke mate en op welke wijze, die inzage kan worden toegestaan.”
9. Het hof heeft bij de beoordeling van het verzoek van de verdachte als maatstaf aangelegd of de noodzaak van het verzochte is gebleken en heeft het verzoek kennelijk beschouwd als een verzoek tot voeging van het beeldmateriaal bij de processtukken om de beelden vervolgens ter terechtzitting te bekijken. Op een dergelijk verzoek is art. 315 lid 1 Sv van toepassing.
10. Art.
Conclusie
15. Het eerste middel slaagt en het tweede middel behoeft geen bespreking.
16. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:900, NJ 2022/295, m.nt. A.J. Machielse, rov. 4.4.3.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.5.3.