Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2023-02-07
ECLI:NL:PHR:2023:156
Strafrecht
6,489 tokens
Conclusie
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte
1Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 12 augustus 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens medeplichtigheid aan het telen van hennep veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf voor de duur van veertig uur, subsidiair twintig dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2Het middel, de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen
2.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan hennepteelt, dan wel dat het hof dat oordeel niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. subsidiair
een of meer personen in de periode van 10 april 2019 tot en met 19 juni 2019 te Amsterdam, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld in een pand aan de [a-straat 1] te Amsterdam hennepplanten, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 10 april 2019 tot en met 19 juni 2019 te Amsterdam, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door aan die persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.”
2.3
Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van 20 juni 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als mededeling van de verbalisant:
Op donderdag 20 juni 2019 is, naar aanleiding van een melding van een VVE, omstreeks 14.25 uur binnengetreden in een bovenwoning aan de [a-straat 1], [postcode] Amsterdam.
Kweekruimte 1
Na het binnentreden zag ik een professioneel ingerichte kweekruimte, voorzien van afzuiginstallatie, assimilatielampen, irrigatie middels tijdklokken.
In totaal hingen er in de kweekruimte 30 assimilatielampen. Alle hennepplanten werden door middel van een irrigatiesysteem van vloeistof voorzien. In de kweekruimte bevonden zich 3 koolstoffilters.
De luchtverversing en luchtafvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie.
Kweekruimte 2
Na het binnentreden zag ik een professioneel ingerichte kweekruimte, voorzien van afzuiginstallatie, assimilatielampen, irrigatiesysteem. In totaal hingen er in de kweekruimte 30 assimilatielampen.
Alle hennepplanten werden door middel van een irrigatiesysteem van vloeistof voorzien. In de kweekruimte bevonden zich 3 koolstoffilters.
De luchtverversing en luchtafvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie.
Vaststelling hennep
Ik constateerde op grond van mijn kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hennepplanten waren, gezien de uiterlijke kenmerken, kleur, vorm en herkenbare geur. Met hennep wordt bedoeld elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden.
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 20 juni 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als mededeling van de verbalisanten:
Op ons verzoek is de dienstdoende hulpofficier ter plaatse gekomen, bij het uitschrijven van de machtiging zagen en hoorden wij dat de toegangsdeur van de woning geopend werd. Hierop zagen wij twee mannen de woning naar buiten komen. De mannen hebben wij als verdachte van betrokkenheid bij (het) in werking hebben van een hennepkwekerij staande gehouden. Op ons verzoek hebben twee andere collega's de woning betreden en troffen daar een in werking zijnde hennepkwekerij aan. Hierop hebben wij op donderdag 20 juni 2019 te 14:15 uur beide personen aangehouden.
Verdachte: [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats]
Verdachte: [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats]
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 20 juni 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als mededeling van de verbalisant:
In de woning aan de [a-straat 1] te Amsterdam trof ik twee grote zwarte tassen aan, met daarin 15 sealbags met plantendelen. Aan de hand van de geur, de uiterlijke kenmerken en de kenmerkende plakkerigheid van de plantentoppen kan ik zeggen dat het hennep betreft.
4. Een proces-verbaal van bevindingen van 12 augustus 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als mededeling van de verbalisant:
Naar aanleiding van het aantreffen van een hennepkwekerij in perceel [a-straat 1] te Amsterdam op 20 juni 2019 heb ik een nader onderzoek ingesteld naar de levering van de elektriciteit voor dit pand.
Middels een vordering identificerende gegevens is bij Netbeheerder Liander de naam van de energieleverancier gevorderd vóór de [a-straat 1] te Amsterdam. De energie werd geleverd door Nuon.
Middels een vordering identificerende gegevens zijn bij energieleverancier Nuon de personalia gevorderd van de contractant voor de levering van de energie voor de [a-straat 1] te Amsterdam op 20 juni 2019. De contractant is genaamd:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1993.
Rekeningnummer: [rekeningnummer] ([verdachte]).
5. Een geschrift van [betrokkene 3] namens Liander N.V. van 4 juli 2019 (…). Dit geschrift houdt in:
Liander N.V. heeft vanaf 10 april 2019 met een persoon genaamd [verdachte] een overeenkomst gesloten betreffende de aansluiting en transport van elektriciteit naar [a-straat 1] Amsterdam.
6. Een proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als mededeling van de verbalisant:
[betrokkene 4] is de eigenaar van de woning [a-straat 1] te Amsterdam.
7. Een proces-verbaal van verhoor van 6 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als verklaring van [betrokkene 4]:
De woning aan de [a-straat 1] in Amsterdam is van mij. Ik heb die woning verhuurd aan een jongen, genaamd [verdachte]. Ik verhuurde de woning vanaf januari van dit jaar (hof: 2019), voor 1.500 euro per maand. Ik heb de huur één keer op mijn bankrekening gekregen en daarna gaf hij het contant. De jongen kwam gewoon langs in [plaats] (waar ik nu woon) om de huur te betalen.
8. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (…).
Beoordeling
3.5
Nu het bewezenverklaarde opzet niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, is de bewezenverklaring van medeplichtigheid niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.6
Het middel slaagt.
Conclusie
4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Vgl. bijvoorbeeld HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4372, NJ 2002/245, rov. 3.4, HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1961, NJ 2011/319, rov. 2.3. en HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:226, NJ 2017/107,rov. 2.3. Vgl. ook A.J. Machielse in Noyon, Langemeijer, Remmelink, art. 48 Sr, aant. 7 (actueel t/m 17 juli 2017).
J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 474 en 475.
Vgl. HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6931, NJ 2010/335, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.3, HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8363, NJ 2010/639, rov. 2.3., HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1961, NJ 2011/319, rov. 2.3., HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:226, NJ 2017/107, rov. 2.3, HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:964, rov. 2.3. en HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1812, NJ 2020/38, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.3.
Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voor HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1237, randnr. 3.15.
Vgl. N. Seijlhouwer-de Visser, De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand’, in: NTS 2020/109, nr. 5, p. 349-357. Zie voor een voorbeeld daarvan HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:681, NJ 2017/66, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.3.
Vgl. HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6931, NJ 2010/335, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.3.
Conclusie
Dit proces-verbaal houdt in (…) als mededeling van de verbalisant:
Op dinsdag 9 juli 2019 heb ik telefonisch contact gehad met [betrokkene 4] en heb ik gevraagd het verhuurcontract, samen met een kopie van het gebruikte ID-document, naar mij toe te sturen of mailen. Hierop heb ik een mail ontvangen met een huurcontract.
Als legitimatie bij het opmaken van het huurcontract is een Nederlands paspoort gekopieerd op naam van: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats]. Het huurcontract is ingegaan op 1 januari 2019.
De huurder zal elke maand 1500 euro op deze rekening storten.
Van [betrokkene 4] heb ik op dinsdag 9 juli 2019 twee afdrukken ontvangen van betalingen die zij voor de huur van het pand [a-straat 1] zou hebben ontvangen.
Op 2 maart 2019 zijn door 'dhr SFD [verdachte]' vanaf rekeningnummer [rekeningnummer] twee betalingen gedaan: van 1.000 en 500 euro.
9. Een proces-verbaal van bevindingen van 23 november 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als mededeling van de verbalisant:
Naar aanleiding van de transactiegegevens van [verdachte] van bankrekeningnummer [rekeningnummer] heb ik een nader onderzoek ingesteld naar de volgende transactie:
NUON Omschrijving: 02110217678621 - valutadatum: 22-05-2019 (139 euro).
Door energieleverancier Nuon werd medegedeeld dat deze transactie betrekking heeft op een energiebetaling voor het adres [a-straat 1] te Amsterdam.
10. De eigen waarneming van het hof gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juli 2021. Deze eigen waarneming houdt in (…):
De handtekening die links op de bladzijden van het huurcontract (dossierpagina’s B041 tot en met B045) staat (op de plek van de verhuurder) lijkt enigszins op de handtekening van de verdachte zoals die in zijn paspoort voorkomt (dossierpagina B046). En deze toont ook overeenkomst met zijn ondertekening in het proces-verbaal van zijn verhoor bij de politie.
11. Een proces-verbaal van verhoor van 14 november 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (…). Dit proces-verbaal houdt in (…) als verklaring van de verdachte:
Ik heb 1.500 euro overgemaakt voor de woning aan de [a-straat].
Ik heb het gas, water en licht betaald.”
2.4
Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het hof het volgende overwogen:
“Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 subsidiair
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de medeplichtigheid aan het telen van hennep bewezen wordt geacht en heeft ter onderbouwing hiervan het volgende aangevoerd.
De eigenaresse van de onderhavige woning heeft verklaard de woning per 1 januari 2019 te hebben verhuurd aan een jonge man die [verdachte] heet. De datum en de tenaamstelling van de huurder op het huurcontract bevestigen de verklaring van de eigenaresse. De handtekening van de verdachte op het huurcontract verschilt weliswaar van de handtekening op zijn paspoort, maar ook zijn handtekening onder het proces-verbaal van zijn verhoor lijkt daar weer niet op. De verdachte heeft kennelijk niet slechts één handtekening. Voorts is gebleken dat vanaf de bankrekening van de verdachte huur is overgemaakt naar de eigenaresse van de woning en dat energiekosten zijn betaald. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario is vaag en onduidelijk.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit omdat naar haar oordeel de verdachte niet kan worden gekoppeld aan de hennepkwekerij. Zij heeft daartoe het volgende gesteld.
De verdachte heeft de woning niet gehuurd, de handtekening onder het huurcontract van de woning is vals. De handtekening op het huurcontract onder de naam van de verdachte komt niet overeen met de handtekening op het paspoort van de verdachte, waarvan een kopie is bijgevoegd bij het huurcontract. Er is nagelaten onderzoek te doen naar de echtheid van de handtekening op het huurcontract. Dat had in de reden gelegen nu het paspoort van de verdachte een periode als vermist geregistreerd heeft gestaan. Het is voorts niet de verdachte geweest die een contract bij Nuon heeft afgesloten voor het pand. Hij is benaderd door een Marokkaans meisje en een Nederlandse jongen om gas, water en licht te betalen. Die personen zouden hem in ruil daarvoor aan extra werk helpen omdat de verdachte in de schulden zat. Indien de verdachte al de woning ter beschikking zou hebben gesteld, dan blijkt niet dat hij wetenschap had van de (voorgenomen) criminele activiteiten. Dubbel opzet ontbreekt, het enkele huurder zijn van een pand is onvoldoende om medeplichtigheid aan hennepteelt aan te nemen (vgl. ECLI:NL:HR:2017:226 en ECLI:NL:HR:2019:1545). Er is niet onderzocht of de verdachte bij of in het pand is geweest. De verdachte had geen wetenschap van het feit dat een hennepkwekerij was opgezet in de woning noch had hij beschikkingsmacht over de kwekerij.
Oordeel van het hof
Op 20 juni 2019 is de politie naar aanleiding van een melding van een VvE naar een woning aan de [a-straat 1] in Amsterdam gegaan waar een hennepkwekerij werd aangetroffen. Twee personen die uit de woning kwamen, werden aangehouden. De eigenaresse van de woning heeft verklaard dat zij de woning had verhuurd aan “een jongen genaamd [verdachte]”; zij heeft het desbetreffende huurcontract, voorzien van een kopie van de personaliabladzijde van het paspoort van de verdachte, aan de politie overhandigd. Het hof merkt daarbij op dat de handtekening die in het huurcontract links (per abuis onder “verhuurder”) is geplaatst enigszins lijkt op de handtekening in het paspoort van de verdachte en ook enige gelijkenis vertoont met de handtekening van de verdachte onder zijn verhoor bij de politie. Uit het dossier blijkt voorts dat de verdachte op 4 maart 2019 een bedrag van € 1.500 heeft overgemaakt aan de eigenaresse van de woning, volgens het huurcontract de afgesproken huurprijs. De eigenaresse heeft verder verklaard dat de overige huurbetalingen contant zijn verricht. Ook het energiecontract met Nuon stond op naam van de verdachte en vast staat dat hij betalingen aan Nuon heeft gedaan.
Het hof neemt op grond van deze feiten en omstandigheden als vaststaand aan dat het de verdachte is geweest die de woning aan de [a-straat 1] in Amsterdam heeft gehuurd en in ieder geval een aantal maanden voor gas en elektra heeft betaald. Hij is de woning niet zelf gaan bewonen – en heeft zich er ook niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie personen – maar hij heeft de woning beschikbaar gesteld aan een of meer onbekend gebleven personen. Door niet (periodiek) te controleren wat in de woning gebeurde, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de woning zou worden gebruikt voor het telen van hennep.
Voorts is het hof, met de politierechter en de advocaat-generaal, van oordeel dat het door de verdachte geschetste alternatief scenario, inhoudende dat een ander het huurcontract heeft afgesloten en daarbij zijn gegevens heeft misbruikt ongeloofwaardig, mede in aanmerking genomen dat (ook) het contract met Nuon op zijn naam stond en hij ook huur heeft betaald aan de eigenaresse van de woning.
Conclusie
Aan de verklaring van de verdachte dat hij is benaderd door twee personen om gas, water en licht te betalen en dat derden via zijn bankrekening het huurbedrag aan de eigenaresse hebben overgemaakt (in ruil voor werk) gaat het hof voorbij, nu verdachte het bestaan van deze personen van meet af aan onvoldoende heeft geconcretiseerd, laat staan verifieerbaar gemaakt.”
2.5
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 juli 2021 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de ter zitting overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in:
“6. Client heeft van begin af aan verklaard niets met de hennepkwekerij te maken te hebben. Hij heeft nimmer het pand gehuurd, laat staan ter beschikking gesteld. (…) De feiten worden geheel ontkend. De vereiste wetenschap en de beschikkingsmacht ontbreken geheel. (…)
7. Client is destijds door een Marokkaans meisje en een Nederlandse jongen benaderd om gas, water en licht te betalen. Die personen zouden in ruil hem aan extra werk helpen omdat cliënt in de schulden zat. In maart 2019 is er via zijn bankrekening geld overgemaakt naar [betrokkene 4].
(…)
14. Client heeft eenmaal de huur voldaan. Omdat hier uiteindelijk niets tegenover stond heeft hij niet meer betaald (…).
15. Dat de betaling van water en licht van een pand zou zijn waar een hennepkwekerij in was, was hem geenszins bekend. Dat hij hier enige wetenschap van had blijkt ook niet uit het dossier. Hij ging akkoord met enkel het overmaken van een bedrag, niet meer.
[AG: Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsvrouw aan dit punt uit de pleitnota mondeling toegevoegd:]
Ik hoorde zojuist de advocaat-generaal ook zeggen, op de vraag of deze zaak toch doorgang moest hebben, dat nergens uit blijkt dat mijn cliënt en de medeverdachten elkaar kennen. Dat blijkt ook inderdaad niet uit het dossier. Ik vind het belangrijk opgemerkt te hebben dat de advocaat-generaal dit dus ook vindt.
16. Verder heeft hij nooit een huurcontract ondertekend. Dat hij het niet kan zijn geweest, blijkt al uit het feit dat er een valse handtekening onder het contract is gezet (p. 40). Het tegendeel is niet aannemelijk gemaakt. Dit had simpel kunnen worden uitgezocht door bijvoorbeeld zijn sleutelbos in beslag te nemen en deze te onderzoeken. Dit is niet gebeurd. Indien zijn sleutels zouden zijn onderzocht dan was al snel gebleken dat cliënt geen toegang tot het pand had omdat hij niet over de sleutel beschikte. Het is overduidelijk dat er misbruik van zijn paspoortgegevens zijn gemaakt. Volgens het GBA was ook niemand op het adres ingeschreven (p. 18). Indien hij al het pand ter beschikking zou hebben gesteld, dan blijkt voorts niet dat hij de wetenschap had van de voorgenomen criminele activiteiten. (…)
17. Niet blijkt verder uit het dossier dat hij bij of in het pand was. Niemand heeft hem daar gezien, medeverdachten verklaren niets over hem. Ook zijn er geen mastgegevens onderzocht waaruit zijn aanwezigheid zou kunnen blijken.
18. Er is verder ook geen DNA-onderzoek bijvoorbeeld verricht om zijn betrokkenheid bij de kwekerij aan te tonen. Ook zijn er geen gesprekken getapt, observaties gevoerd of zijn telefoon uitgelezen op zoek naar enige link van hem met de kwekerij dan wel de medeverdachten. Op de telefoon van [betrokkene 1] zijn geen belastende feiten aangetroffen.
19. Enkel het contract met Liander staat op zijn naam. Ook hiervoor geldt dat met paspoortgegevens en een bankpasje eenieder makkelijk een contract kan afsluiten. Dit staat wederom niet gelijk aan de vereiste wetenschap en het hebben van beschikkingsmacht over de kwekerij. Ook dubbel opzet ontbreekt.
20. Uit het vorengaande blijkt dat er geen feiten en omstandigheden zijn die hem aan het pand verbinden, laat staan aan de kwekerij. Het enkel zijn van een huurder van een pand waar een kwekerij is aangetroffen is onvoldoende om medeplichtigheid aan het telen van hennep aan te nemen, ik verwijs naar het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:226). Dit brengt mij op het volgende punt, namelijk het ontbreken van dubbel opzet.
21. Voor de bewezenverklaring is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat verdachtes opzet was gericht op het verschaffen van gelegenheid of het behulpzaam zijn als bedoeld in artikel 48 Sr, maar ook dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het door de dader of daders gepleegde misdrijf. In die zaak ging het om een persoon die akkoord ging met het op naam zetten van de woning in ruil voor een vergoeding en ging de verdachte zelfs een paar uur tv kijken zoals hem werd opgedragen omdat de woning bewoond moest lijken. In deze zaak is daar op geen enkele wijze sprake van: integendeel: het huurcontract is vals!
22. Ik verwijs nog naar een andere vergelijkbare uitspaak van de Hoge Raad van 8 oktober 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1545) waarin wederom is bevestigd dat het enkel zijn van een huurder van een pand onvoldoende is om medeplichtigheid ter zake hennep dan wel diefstal aan te nemen.
23. Gelet hierop, kan op grond van het bovenstaande nimmer wetenschap en beschikkingsmacht over de kwekerij worden aangenomen. Ook blijkt niet dat er enig opzet was op het verschaffen van gelegenheid of het behulpzaam zijn, laat staan de vereiste dubbele opzet.
24. [AG: Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsvrouw, aangekomen bij dit punt uit de pleitnota, het volgende gezegd:]
Ik wil daarnaast nog verwijzen naar een uitspraak van uw hof van 17 november 2020, waarin – kort gezegd – is geoordeeld dat niet is komen vast te staan de verdachte heeft deelgenomen aan het telen van hennep. Daarbij ging het om een verdachte die in het pand woonde en zich niet heeft gedistantieerd van de aanwezigheid van hennep. Desondanks bleek niet dat sprake was van enige betrokkenheid en dat was voldoende voor uw hof om die verdachte vrij te spreken. Dus al met al verzoek ik uw hof mijn cliënt vrij te spreken.”
3Bespreking van het middel
3.1
Uit de toelichting op het middel blijkt dat door de steller wordt geklaagd over het bewijs van het voor medeplichtigheid vereiste “dubbele opzet”. In het bijzonder richt de steller zijn pijlen op de overweging van het hof dat de verdachte “door niet (periodiek) te controleren wat er in de woning gebeurde, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de woning zou worden gebruikt voor het telen van hennep”. Volgens de steller is deze overweging onjuist, althans onbegrijpelijk. Voorts klaagt de steller dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat het ter beschikking stellen van de gehuurde woning leidt tot een aanmerkelijke kans dat die woning zou worden gebruikt om hennep te kweken en evenmin dat de verdachte enige wetenschap had van de hennepkwekerij.
3.2
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk gelegenheid heeft verschaft tot het plegen van een misdrijf. Voor het bewijs van dat opzet is “dubbel opzet” vereist, dus niet alleen opzet op de deelneming (in casu: opzet op het verschaffen van gelegenheid als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2º Sr), maar ook opzet op het door de dader(s) gepleegde misdrijf (in casu: opzet op het telen van hennep). “(M)edeplichtigheid is op zichzelf een leeg begrip”, aldus De Hullu; “het gaat altijd om medeplichtigheid tot of bij een specifiek misdrijf. Het opzet verdient daarom soms een specifieke motivering die niet te algemeen mag zijn.