Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2022-02-01
ECLI:NL:PHR:2022:92
Strafrecht
2,810 tokens
Conclusie
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
I. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 3 december 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “bedreiging met brandstichting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een gedeelte van de gevangenisstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van 16 december 2016 van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven.
Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
II. Het middel en de bespreking daarvan
3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting van het hof rechtsgeldig aan de verdachte is betekend, althans dat het hof er geen blijk van heeft doen geven te hebben onderzocht in hoeverre de onjuiste adressering aan de aanname dat de dagvaarding daadwerkelijk is bezorgd aan het adres waarnaar deze is verzonden in de weg staat, zodat het onderzoek ter terechtzitting en het arrest nietig zijn.
De van belang zijnde gedingstukken
4. Onder de op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevinden zich, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende stukken:
(i) een akte instellen hoger beroep, inhoudende dat op 11 februari 2020 door de verdachte ter griffie van de rechtbank Oost-Brabant hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis van de politierechter in die rechtbank, locatie 's-Hertogenbosch, d.d. 24 mei 2019. Op deze akte staat vermeld dat de verdachte woonachtig is in België, op het adres [a-straat 1] te [plaats];
(ii) een grievenformulier hoger beroep (aangehecht aan de akte instellen hoger beroep), waarop de verdachte onder meer heeft aangegeven niet ter terechtzitting in eerste aanleg aanwezig te zijn geweest omdat hij geen uitnodiging heeft gekregen. Op dat formulier staat onder zijn naam “Wonende te Barcelona onbekend Spanje”, hetgeen met pen is doorgekruist;
(iii) een dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen ter terechtzitting van het hof op 3 december 2020 om 14:30 uur. Vermeld staat dat de verdachte wonende is te [plaats] (België), op het adres [a-straat 1];
(iv) een informatiestaat SKDB betreffende de verdachte van 15 oktober 2020, waarop staat vermeld dat de verdachte met ingang van 8 oktober 2019 als “huidig” BRP-adres heeft: “[a-straat 1], [postcode] [plaats], België”. Voorts staat genoteerd dat de verdachte niet gedetineerd is en (sinds 19 april 2016) als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats [b-straat 1] te [plaats] heeft;
(v) een akte van uitreiking met als adres [a-straat 1] [plaats] (België). Deze akte houdt in dat de dagvaarding van de verdachte om op 3 december 2020 (14:30 uur) ter terechtzitting te verschijnen, op 15 oktober 2020 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie en dat de gerechtelijke brief is verzonden naar het op de akte vermelde adres in het buitenland.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 3 december 2020 houdt, voor zover hier relevant, het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
wonende te [plaats] (België),[a-straat 1],
is -hoewel behoorlijk gedagvaard- niet verschenen.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat de behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte wordt voortgezet.”
Het juridisch kader
6. In de voorliggende zaak was ten tijde van de verzending van de dagvaarding in hoger beroep art. 588, tweede lid, (oud) Sv nog van toepassing. Dit artikel is per 1 januari 2020 vervallen met de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2017, 82). De uitreiking van een gerechtelijke mededeling als de onderhavige is thans geregeld in art. 36e, eerste lid, Sv.
7. Ingevolge art. 588, tweede lid, (oud) Sv diende de uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend was, te geschieden door toezending van de mededeling door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing was, met inachtneming van dat verdrag. Te dien aanzien blijkt uit het overzichtsarrest van HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt. Schalken (rov. 3.19-3.22 en 3.34) nog het volgende. Doet zich de mogelijkheid van rechtstreekse toezending van de dagvaarding aan de verdachte voor, zoals in casu, dan geldt dat zij in de regel kan geschieden als gewone brief over de post; door de toezending is de dagvaarding rechtsgeldig betekend. Indien sprake is van tussenkomst van de bevoegde autoriteit of instantie, dan behoeft uit de stukken slechts te blijken dat deze is ingeroepen, doch niet dat aan het gedane verzoek is voldaan. Wordt van die kant bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, dan kan deze uitreiking als betekening in persoon worden aangemerkt zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken. Het voorgaande is alleen anders indien een door Nederland aangegane verdragsverplichting jegens de Staat waar naartoe de dagvaarding moet worden verstuurd, zich daartegen verzet. Indien aannemelijk is dat bij de toezending van de dagvaarding aan de verdachte wiens buitenlandse adres bekend is, de ter zake geldende verdragsverplichtingen niet zijn nageleefd, dan wel dat de buitenlandse autoriteit of instantie geen uitvoering heeft gegeven aan het verzoek, behoort de rechter het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde het verzuim te doen herstellen. Beijers merkt nog op dat, hoewel de wet deze eis niet stelt, het aanbeveling verdient dat het openbaar ministerie in de akte van uitreiking melding maakt van de verzending teneinde de naleving van art. 588, tweede lid, (oud) Sv controleerbaar te maken.
8. België is partij bij het Tweede aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken (ERV). Art. 16, eerste lid, van dat aanvullend protocol bepaalt dat de bevoegde rechterlijke autoriteiten van een Partij gerechtelijke stukken en rechterlijke uitspraken rechtstreeks per post kunnen toezenden aan personen die zich op het grondgebied van een andere Partij bevinden. Art. 5, eerste lid, van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, waaronder België en Nederland, gesloten te Brussel op 29 mei 2000 (EU-Rechtshulpovereenkomst), schrijft in zoveel woorden voor dat poststukken die bestemd zijn voor personen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden in beginsel rechtstreeks per post worden verzonden. Dit is blijkens het bepaalde in het tweede lid enkel anders indien: (a) het adres van de persoon voor wie het stuk bestemd is, onbekend of twijfelachtig is; (b) het toepasselijke procesrecht van de verzoekende lidstaat een ander bewijs dan het via de postdiensten verkrijgbare bewijs van uitreiking van het stuk aan de geadresseerde verlangt; (c) het stuk niet per post kon worden bezorgd; of d) de verzoekende lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat verzending over de post zonder resultaat zal blijven of niet toereikend zal zijn.
9. Art.
Conclusie
15. Het middel faalt.
16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Op de akte stond “H [a-straat 1]” gedrukt, maar de eerste H is met pen doorgehaald.
De toevoeging dat bij de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen rekening dient te worden gehouden met toepasselijke verdragen, is sinds 2004 in de wet opgenomen; zie de Wet van 18 maart 2004 tot wijziging van enige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en de Wet politieregisters en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met het oog op de uitvoering van de op 29 mei 2000 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, Stb. 2004, 107.
Recentelijk herhaald in HR 7 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1833 (rov. 2.3.2).
Herhaald in bijvoorbeeld HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY3496.
Zie A. Beijer, in Melai/Klip e.a., Wetboek van Strafvordering, internationaal en interregionaal deel (IISS), ‘III.6.2.3.2 Wijze van kennisgeving indien het adres bekend is’ (online, actueel t/m 01 september 2013), onder verwijzing naar HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt Schalken en J.M. Reijntjes, De dagvaarding in strafzaken, Deventer: Kluwer 2011, p. 51.
Trb. 2008, 157.
Trb. 2000, 96.
A. Beijer, in Melai/Klip e.a., Wetboek van Strafvordering, internationaal en interregionaal deel (IISS), ‘III.6.5.7 Benelux-verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken (BUV)’ en ‘III.6.5.8.4 Verhouding tot andere rechtshulpverdragen’ (online, actueel t/m 1 september 2013). Vgl. ook C.M. Pelser, in: T&C Strafvordering, dertiende druk 2019, art. 588, aant. 7 onder c.
HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4491. Zie voorts HR 27 maart 1990, DD 90.272.
Gebruikelijk is dat een adres in België uit een straatnaam, huisnummer, (viercijferige) postcode en plaatsnaam bestaat. Zie de website van de Europese Unie (Publicatiebureau — Interinstitutionele schrijfwijzer — 9.1.4. Adressen in de lidstaten: schrijfwijze en voorbeelden (europa.eu) en Publicatiebureau — Interinstitutionele schrijfwijzer — 9.1.5. Adressen in de lidstaten: bijzondere kenmerken (europa.eu)).
Gelet op de omstandigheid dat in de informatiestaat SKDB (zie randnummer 4 ad (iv)) wel melding wordt gemaakt van de postcode ([postcode]), is goed denkbaar dat de dagvaarding met vermelding van de postcode naar het bedoelde adres in België (per post) is verzonden.
Ik wijs er daarbij op dat [plaats] allerminst een wereldstad met een imposant aantal straten is. Voorts noem ik hier de conclusies van mijn voormalige ambtgenoten Knigge en Jörg voorafgaand aan HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1152 (randnummer 3.6) respectievelijk HR 12 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2793 (randnummer 5).