Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2022-11-22
ECLI:NL:PHR:2022:1092
Strafrecht
2,410 tokens
Conclusie
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte
1Het cassatieberoep
2. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 20 februari 2019, gelet op het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 28 augustus 2018. De kantonrechter heeft de verdachte wegens een snelheidsovertreding veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 880. Tevens heeft de kantonrechter de tenuitvoerlegging gelast van twee voorwaardelijk opgelegde boetes van elk € 250.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. F.T.C. Dölle, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4Het middel
4.1
In het middel wordt geklaagd dat art. 6 lid 1 EVRM is geschonden doordat na het wijzen van het arrest bij het betekenen van de verstekmededeling onvoldoende voortvarendheid is betracht, als gevolg waarvan de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.
4.2
Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding blijkt het volgende:
(i) De aan de verdachte geadresseerde dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 20 februari 2019 is op 25 januari 2019 aangeboden aan het adres [a-straat 1] te [plaats] . De uitreiking heeft niet kunnen plaatsvinden, omdat er op het adres niemand werd aangetroffen. Op 5 februari 2019 is de dagvaarding uitgereikt aan de griffier, omdat de verdachte op de dag van aanbieding van de dagvaarding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de Basisregistratie Personen op het op de akte vermelde adres was ingeschreven. Tevens is op diezelfde dag een afschrift van de dagvaarding verzonden aan het eerder vermelde adres.
(ii) De verdachte stond op 7 februari 2019 (sinds 26 oktober 2017) ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats] .
(iii) Op de terechtzitting in hoger beroep van 20 februari 2019 is de verdachte niet verschenen en is tegen de verdachte verstek verleend. Het hof heeft de verdachte overeenkomstig de vordering van het OM niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
(iv) Op 1 mei 2019 is getracht de mededeling uitspraak uit te reiken aan het adres [a-straat 1] te [plaats] , maar die uitreiking is niet gelukt, omdat de adresseerde niet werd aangetroffen. Op 9 mei is het gerechtelijk schrijven teruggezonden aan de afzender. Er is geen ID-staat SKDB ten name van de verdachte van 1 mei 2019 in het dossier aanwezig.
(v) Op 22 juni 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. In de bijzondere machtiging tot het instellen van cassatie, gehecht aan de cassatieakte, is door de raadsvrouw opgemerkt dat de mededeling uitspraak op 21 juni 2021 aan de verdachte is uitgereikt. Van die uitreiking heb ik in de gedingstukken geen akte aangetroffen. Daarom moet het er voor worden gehouden dat de verdachte ontvankelijk is in het beroep in cassatie.
4.3
Krachtens art. 366 lid 1 Sv, dat op grond van art. 415 lid 1 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, dient van het arrest dat buiten aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken zo spoedig mogelijk een mededeling aan de verdachte te worden betekend. Het tweede lid van art. 366 Sv bepaalt dat deze mededeling niet behoeft te worden gedaan indien de dagvaarding of oproeping aan de verdachte in persoon is betekend, de verdachte op de (nadere) terechtzitting aanwezig is of zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van een (nadere) terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
4.4
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan van overschrijding van de redelijke termijn sprake zijn indien op grond van art. 366 lid 1 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht. In HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3638, NJ 2010/458 overwoog de Hoge Raad in dit verband het volgende:
“3.3.1. Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.
Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake:
a. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend
1. hetzij aan de verdachte in persoon,
2. hetzij op de voet van het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv.
In de onder 2 bedoelde gevallen komt een na de betekening opgetreden vertraging immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak.
b. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3°, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, én indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv (vgl. HR 17 juli 2008, BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.19).
3.3.2.
Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat een verdachte, die, kennis dragende van een tegen hem ingestelde vervolging, nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn verhuizingen en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten dan wel verzonden aan het adres alwaar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven en/of nalaat zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zodanige door hem ontvangen berichten dan wel daarop niet reageert, ten gevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen, zonder resultaat blijven, zich niet met vrucht kan beroepen op schending van de hiervoor genoemde verdragsbepaling (vgl. HR 30 januari 2001, LJN ZD2099).”
4.5
Uit de gedingstukken volgt dat de dagvaarding om in hoger beroep te verschijnen niet in persoon is betekend, dat de verdachte niet op de terechtzitting in hoger beroep is verschenen en dat zich ook niet anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. Het openbaar ministerie was dan ook gehouden zo spoedig mogelijk een mededeling van de uitspraak aan de verdachte te betekenen.
4.6
Hoewel op de akte van uitreiking van 9 mei 2019 is vermeld dat de mededeling van de uitspraak niet kon worden uitgereikt aan het adres [a-straat 1] te [plaats] en dat de akte is teruggezonden aan de afzender, is niet uit de akte op te maken dat de dagvaarding is uitgereikt aan de griffier (conform art. 588 lid 3 sub c (oud) Sv). Evenmin blijkt uit de gedingstukken dat het openbaar ministerie een afschrift van de mededeling uitspraak heeft toegezonden aan het adres [a-straat 1] in [plaats] . De achterzijde van de akte van uitreiking maakt geen onderdeel uit van de Hoge Raad toegezonden gedingstukken. Uit de gedingstukken blijkt ook niet dat na 9 mei 2019 en voor juni 2021 nog pogingen zijn gedaan de mededeling uitspraak aan de verdachte te betekenen.
4.7
In cassatie moet er daarom van worden uitgegaan dat de mededeling van de uitspraak, zoals vermeld in de bijzondere volmacht tot het instellen van cassatie, eerst op 21 juni 2021 aan de verdachte is betekend.
Conclusie
5.1
Het middel is terecht voorgesteld, maar omdat er geen aanleiding is om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden, kan de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3475; HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2749; HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:541; en HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:479.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6.2. onder C.
HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7086, NJ 2010/640.
Zie bijvoorbeeld nog (expliciet) HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558, NJ 2019/82, m.nt. P.A.M. Mevis en (impliciet) HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1004 in welke zaak in het middel werd verzocht om compensatie in de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel. Ambtgenoot Paridaens zag daar geen mogelijkheden voor. De Hoge Raad kennelijk ook niet. Hij compenseerde de schending van de redelijke termijn met vermindering van de opgelegde gevangenisstraf..