Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2021-09-28
ECLI:NL:PHR:2021:870
Strafrecht
3,433 tokens
Conclusie
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de klager.
1Het cassatieberoep
1.1.
De rechtbank Amsterdam, heeft bij beschikking van 20 augustus 2020 het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag op een personenauto en een geldbedrag van € 880,-, ongegrond verklaard.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel keert zich tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift.
2De procesgang
2.1.
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
(i) De klager wordt verdacht van twee woninginbraken (diefstal in vereniging). Op grond van deze verdenkingen is onder de klager een personenauto en een geldbedrag van € 880,- in beslag genomen. Dit beslag berust thans wat het geldbedrag betreft op zowel art. 94 Sv als art. 94a Sv en wat de auto aangaat op art. 94a Sv.
(ii) Op 18 mei 2020 heeft de klager aan het openbaar ministerie gevraagd om teruggave van zijn auto. Dit verzoek is naar de rechtbank doorgezonden en door de rechtbank beschouwd als een klaagschrift, gericht tegen het uitblijven van een last tot teruggave met betrekking tot de onder hem in beslag genomen personenauto.
(iii) Het openbaar ministerie heeft zich op 9 juni 2020 in een schriftelijke reactie op dit klaagschrift verzet tegen teruggave van deze auto aan de klager.
(iv) Op 15 juli 2020 heeft mr. T. Korff zich in deze procedure als raadsvrouw van de klager gesteld en te kennen gegeven dat het beklag zowel ziet op de onder de klager inbeslaggenomen auto als het geldbedrag van € 880,-.
(v) Vanwege de omstandigheden met betrekking tot COVID-19 hebben partijen afgezien van het recht op behandeling van het klaagschrift ter zitting en heeft een schriftelijke uitwisseling van standpunten plaatsgevonden.
(vi) Op 12 augustus 2020 heeft de raadsvrouw namens de klager gereageerd op het schriftelijke standpunt van de officier van justitie, waarop nog een re- en dupliek is gevolgd op 13 en 19 augustus 2020.
3De standpunten van de klager en het openbaar ministerie
3.1.
De rechtbank heeft hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd in haar beschikking van 20 augustus 2020 als volgt samengevat:
“De raadsvrouw van klager heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd. Op het geld ligt zowel klassiek als conservatoir beslag en op het voertuig alleen conservatoir beslag. De conservatoire beslaglegging ziet blijkens informatie van het Openbaar Ministerie toe op een door de rechter op te leggen schadevergoedingsmaatregel. In de strafzaak zijn twee verzoeken tot schadevergoedingen, te weten: 1) [betrokkene 1] voor een bedrag van € 348,96 (€ 300,00 immateriële schade en €48,96 materiële schade nieuwe sleutels); 2) [betrokkene 2], voor een bedrag van € 500,00 (€ 300,00 immateriële schade en € 200,00 materiële schade voor een nieuw alarm en een camera). De totale schade bedraagt dus € 848,96. Het in beslaggenomen bedrag (€ 880,00) overstijgt daarmee het bedrag van de verzochte schade. Ten aanzien van dit overschot verzoekt klager dan ook om het klaagschrift deels gegrond te verklaren en het verschil aan hem terug te geven. Blijkens informatie van het Openbaar Ministerie rust op het voertuig enkel conservatoir beslag. Zoals hiervoor uiteengezet is het recht tot verhaal voor een schadevergoedingsmaatregel echter reeds 'gedekt' door het beslag op het geldbedrag. Er is dan ook geen reden om zowel conservatoir beslag te leggen op het geldbedrag als de auto. Daar komt bij dat klager een belang heeft bij teruggave van de auto. Hij gebruikt het voertuig voor zijn werk als elektromonteur en om dit werk goed uit te kunnen voeren is het van belang dat klager zich eenvoudig en snel kan vervoeren. Klager stelt zich dan ook op het standpunt dat het beslag dient te worden opgeheven en dat in ieder geval het voertuig en een deel van het geldbedrag aan hem dienen te worden teruggegeven.”
3.2.
De rechtbank heeft het standpunt van het openbaar ministerie als volgt in de beschikking weergegeven::
“De officier van justitie heeft zich - in lijn met het eerder ingenomen schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie - verzet tegen teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan klager. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat niet is uitgesloten dat [betrokkene 3] (inbraak [a-straat 1]) nog een vordering tot schadevergoeding in zal dienen. Zoals in het ‘proces-verbaal aanvraag machtiging tot leggen van beslag als conservatoir beslag’ staat vermeld is het totale aankoopbedrag van de aldaar weggenomen goederen hoog, namelijk ongeveer 130.000,- euro.”
3.3.
In aanvulling op de weergave van deze standpunten maak ik nog melding van de volgende mededeling van de officier van justitie in haar schriftelijke reactie van 13 augustus 2020 met betrekking tot de aangifte van [betrokkene 3] van de inbraak aan de [a-straat 1]:
“Volledigheidshalve merk ik wel op dat medeverdachte [betrokkene 4] voor dit feit is vrijgesproken en dat in zijn zaak geen sprake was van een vordering tot schadevergoeding van [betrokkene 3].”
3.4.
De raadsvrouw heeft in haar reactie van 19 augustus 2020 hier als volgt op gereageerd:
“Het OM geeft aan dat [betrokkene 3] mogelijk nog een vordering tot schadevergoeding in zou kunnen dienen. Echter is dit tot op heden niet gebeurd en zijn wij al geruime tijd verder. Hetgeen wat ik wil benadrukken en wat de OvJ ook aankaart is dat medeverdachte [betrokkene 4] voor dit feit is vrijgesproken en dat in zijn zaak geen sprake was van een vordering tot schadevergoeding van [betrokkene 3]. Het lijkt dan ook onwaarschijnlijk indien er voor de zaak van client wel een verzoek tot schadevergoeding zal worden ingediend terwijl zij beide verdacht worden voor hetzelfde feit.”
4De beschikking
4.1.
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en daartoe overwogen:
“De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654). In het onderhavig geval is sprake van een geldbedrag en een personenauto die volgens het Openbaar Ministerie aan klager toebehoren dienen tot bewaring van het recht van verhaal voor een aan klager op te leggen schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de strafzaak tegen klager, een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen (artikel 94a lid 3 Sv).
Beoordeling
5.4.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het beslag op de inbeslaggenomen auto en het geldbedrag rust op zowel art. 94 als art. 94a Sv. Uit de opstelling van het openbaar ministerie in de beklagprocedure kan worden afgeleid dat op het moment van het beklag alleen het conservatoir beslag ex art. 94a lid 3 (verhaal ter zake van een op te leggen schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f) nog ter zake doet. Ik zal daarvan dan ook bij de verdere bespreking van het middel uitgaan.
5.5.
Op zichzelf heeft de rechtbank het juiste toetsingskader gehanteerd, namelijk dat bij de beoordeling van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, derde lid, Sv de rechter dient te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager, als verdachte, een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr zal opleggen. Formeel is aan deze criteria voldaan en de rechtbank heeft in feite volstaan met de vaststelling hiervan.
5.6.
Hoewel het hiervoor genoemde toetsingskader volgens de Hoge Raad de beklagrechter niet verplicht tot een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, kunnen de omstandigheden van het geval met zich brengen dat in verband met hetgeen door of namens de klager is aangevoerd, de rechter in de motivering van zijn beslissing ervan blijk dient te geven een dergelijk onderzoek te hebben verricht. Van disproportionaliteit kan sprake zijn als er een wanverhouding is tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van het te ontnemen bedrag of als de belangen van strafvordering niet opwegen tegen de persoonlijke belangen van de klager. Wanneer de rechter tot het oordeel komt dat het beslag op gronden van proportionaliteit en subsidiariteit niet kan worden gehandhaafd, zal hij zijn oordeel wel nauwkeurig dienen te motiveren.
5.7.
Brengen de omstandigheden van het geval in deze zaak nu met zich mee dat de rechtbank in de motivering van zijn beslissing ervan blijk had dienen te geven een onderzoek te hebben verricht naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eis van proportionaliteit en subsidiariteit? Ik twijfel, maar hel toch over naar het standpunt van de steller van het middel, dat de rechtbank in het licht van hetgeen de klager heeft aangevoerd, zoals hiervoor onder 5.2. weergegeven, daartoe ten aanzien van de auto wel gehouden was. Daarbij speelt voor mij mee dat hetgeen de klager heeft aangevoerd heel concreet is onderbouwd en niet uitsluitend is gebaseerd op prognoses, zoals in HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1252, het geval was. Die onderbouwing komt erop neer dat het beslag dat op het geldbedrag voldoende verhaal biedt voor de vorderingen van de benadeelde partijen en dat het uiterst onzeker is dat er nog een andere vordering in de strafzaak tegen klager zal worden ingediend. Dat laatste had de rechtbank in het kader van de proportionaliteitstoets kunnen onderzoeken.
5.8.
Het middel slaagt.
6De conclusie
6.1.
Het middel is terecht voorgesteld.
6.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
De kennisgeving inbeslagneming vermeldt dat de personenauto op 4 mei 2020 op de voet van 94 en 94a Sv onder de klager in beslag genomen.
In eerste instantie lag er op het geldbedrag alleen klassiek beslag ex art. 94 Sv. Op vordering van de officier van justitie heeft de rechter-commissaris ten aanzien van dit geldbedrag op 6 april 2020 een machtiging conservatoir beslag verleend tot een maximum bedrag van € 100.000,-.
In HR 22 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:854, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het verzuim een klaagschrift als het onderhavige niet op de openbare raadkamerzitting te behandelen i.v.m. COVID-19, nietigheid van de beschikking met zich brengt. Omdat hierover in cassatie niet wordt geklaagd laat ik dit verder buiten beschouwing.
HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:249, rov. 2.5.
HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:833, NJ 2014/278 m.nt. Keulen; HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66; HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3311; HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2881; HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3065, NJ 2018/356 m. nt. F. Vellinga-Schootstra Zie ook: conclusie AG
Harteveld voor HR 7 januari 2014, ECLI:NL:PHR:2013:1683, NJ 2014/66, onder 3.3, conclusie AG Knigge voor
HR 29 mei 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW6674, NJ 2012/354, onder 4.7 en mijn conclusie voor HR 26 mei 2020,
ECLI:NL:HR:2020:915, onder 5.3.
HR 15 januari 2008, NJ 2008/63 en in HR 1 oktober 2013, NJ 2014/278, m.nt. Keulen.
HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3065, NJ 2018/356 m.nt. F. Vellinga-Schootstra, HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:977.
HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6674 en HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:977.