Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2021-12-14
ECLI:NL:PHR:2021:1073
Strafrecht
4,236 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 december 2020 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 4 februari 2020 met verbetering van gronden bevestigd. In dat vonnis is de verdachte wegens “witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week met aftrek van voorarrest, is beslist op de vordering van de benadeelde partij en is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Namens de verdachte heeft mr. M.T. de Vaal, advocaat te ’s-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel klaagt dat het hof de bewezenverklaring onvoldoende met redenen heeft omkleed en ontoereikend heeft gemotiveerd. De steller van het middel voert daartoe aan dat de verdachte zich in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat hij niet wist of moest vermoeden dat de televisie uit misdrijf afkomstig was. Ter onderbouwing daarvan is in hoger beroep aangevoerd dat de verklaring van de verdachte bij de politie voldoende aannemelijk is en voldoende door het dossier wordt ondersteund. Immers, de verdachte ontkent het tenlastegelegde, heeft de koper verteld dat de tv was beschadigd en had nog gekeken op www.stopheling.nl, terwijl uit het dossier niet volgt dat dat verklaring van de verdachte niet juist is en evenmin wat de marktconforme verkoopprijs voor de betreffende tv was. Het oordeel dat de verdachte opzet, in de zin van voorwaardelijk opzet, heeft gehad op witwassen is, mede gelet op hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, volgens de steller van het middel, niet naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed, niet toereikend gemotiveerd en niet begrijpelijk. Door slechts te constateren dat de verdachte niet heeft doorgevraagd met betrekking tot de gang van zaken terwijl hij daarnaast weinig bruikbare informatie heeft gegeven op basis waarvan zijn verklaring kan worden bevestigd, heeft het hof immers onvoldoende inzichtelijk gemaakt in welke mate de verdachte is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht en dus dat hij met aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld.
4. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 18 november 2019, te 's-Gravenhage, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een televisie,
- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp is, en/of
- dit voorwerp heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.”
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 18 november 2019, te 's-Gravenhage, een voorwerp, te weten een televisie, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij wist, dat dit voorwerp, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf.”
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende vier bewijsmiddelen:
“1. het proces-verbaal van aanhouding, d.d. 18 november 2019, nr. PL1500-2019322310-2, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van de politie-eenheid Den Haag
als relaas van deze opsporingsambtenaren, inhoudende:
Op 18 nov 2019 heb ik verbalisant telefonisch contact opgenomen met [betrokkene 1] . Hij verklaarde dat hij de eigenaar was van [A] in Den Haag. Op 17 nov 2019 werd hij door de politie op de hoogte gebracht van het feit dat er was ingebroken. Hij zag dat er een televisie (Sony Intertek, serienr. [001] ) was weggenomen. Zijn dochter zag dat de weggenomen televisie op Marktplaats werd aangeboden voor € 85. Het serienummer op de doos kwam overeen met het serienummer van de aangeboden televisie. Hij had een bod van € 200 gedaan en afgesproken de televisie vandaag om 20:30 op te komen halen op de [a-straat 1] te [plaats] . Op dat adres stond één persoon ingeschreven: [verdachte] .
Ik hoorde dat de dochter van aangever doorgaf dat zijn dochter richting de woning was gelopen en dat zij de tv herkende en dat de serienummers overeenkwamen. Ze had de tv voor €200 gekocht en het geld al overhandigd.
2. het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 19 november 2019, nr. PL1500- 2019322310-8, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie-eenheid Den Haag
als de op 19 november 2019 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [verdachte] inhoudende:
Zondag tussen 16:00 en 19:00 heb ik een tv gekregen van iemand waarvan ik de naam niet ga noemen, want hij studeert nog. Ik moest de TV verkopen van hem en moest het geld weer aan hem geven achteraf.
3. het proces-verbaal van aangifte, d.d. 17 november 2019, nr. PL1500-2019320857-1, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie-eenheid Den Haag
als de op 17 november 2019 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 1] inhoudende:
Ik ben eigenaar van [A] aan de [b-straat 1] in Den Haag. Gistermiddag, zaterdag 16 november was ik tot 17.00 uur aanwezig in mijn zaak. Vanochtend, zondag 17 november kreeg ik om 07.00 uur telefonisch van de politie te horen dat er bij mij in de zaak is ingebroken.
Bijlage gestolen goederen: televisie (flatscreen), sony Tx-300e, waarde 600 euro, registratienummer [002] .
4. het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 20 november 2019, nr. PL1500-2019322310-16, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie-eenheid Den Haag
als relaas van deze opsporingsambtenaar, inhoudende:
De verdachte [verdachte] verklaarde tijdens zijn verdachte verhoor, omtrent de tweede verdachte. Vervolgens heb ik het districtelijk informatie knooppunt verzocht om een zoekslag te doen. Hieruit kwamen ongeveer 13 personen naar voren. Ik zag dat er geen enkele persoon van de 13 personen in aanmerking kwam voor de bovenstaande persoonsomschrijving.”
7. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 14 december 2020 is daar door de raadsman het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities. Die pleitnotities houden onder meer het volgende in:
“- De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet vastgesteld kan worden dat cl wist of moest vermoeden dat de tv van een misdrijf afkomstig was, daarom is het verzoek cl vrij te spreken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
- De verklaring van cl bij de politie is voldoende aannemelijk (hij zou de tv namens iemand anders verkopen) en wordt voldoende door het dossier ondersteund, in ieder geval onvoldoende weerlegt.
- Cl ontkent.
- Hij vertelde de koper dat de tv was beschadigd, en dat hij nog gekeken had op stopheling.nl. Uit het dossier volgt niet (bv onderzoek tel) dat dit niet gedaan is.
- Er volgt uit het dossier niet of onvoldoende wat een normale prijs is voor de tv of in welke staat deze bij cl kwam of was. De prijs is vastgesteld door de andere persoon. Uitgaande van een tweedehands tv is een verkoopprijs van €185 (€200) dan marktconform.
- De appgesprekken zijn tussen koper en de andere persoon, ook na aanhouding cl. Die had dus duidelijk de leiding.
- Gezien al deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat cl ten tijde van het voorhanden hebben of verkopen wist of moest vermoeden dat de tv van diefstal afkomstig was.”
8.
Conclusie
16. Het middel slaagt.
17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Kamerstukken II 2000/01, 27 159, nr. 5, p. 11.
Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.6 (HIV I).
Vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:984.
Conclusie
De aantekening van het mondeling vonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 4 februari 2020 bevat de volgende bewijsoverweging:
“De verdachte heeft verklaard dat hij de bij hem aangetroffen televisie op verzoek van een derde – wiens naam hij niet wenste te noemen – op marktplaats heeft aangeboden en dat hij er niet van op de hoogte was dat de televisie van diefstal afkomstig was. Met betrekking tot deze verklaring van de verdachte, overweegt de politierechter als volgt.
Vast staat dat de televisie van diefstal afkomstig was en dat deze televisie, met een waarde van € 600,-, op marktplaats is gezet voor een bedrag van € 85,-. De politierechter acht niet direct ongeloofwaardig dat een derde betrokken is geweest bij het plaatsen van de televisie op marktplaats door de verdachte. De politierechter stelt echter vast dat de verdachte kennelijk niet heeft doorgevraagd met betrekking tot voornoemde gang van zaken, terwijl hij daarnaast weinig bruikbare informatie heeft gegeven op basis waarvan zijn verklaring kan worden bevestigd. Gelet hierop kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de televisie die hij op marktplaats zette en die hij in zijn bezit had, van misdrijf afkomstig was. De politierechter stelt vast dat daarmee wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte opzet, in de zin van voorwaardelijk opzet, heeft gehad op witwassen.”
9. Het hof heeft in zijn uitspraak van 28 december 2020 het volgende overwogen:
“De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden verbetering aanbrengt.
In de bewijsoverweging op pagina 4 van het vonnis waarvan beroep staat vermeld: "Vaststaat dat de televisie van diefstal afkomstig was en dat deze televisie, met een waarde van € 600,- op marktplaats is gezet voor een bedrag van € 85,-." Het bedrag van € 85,- dient te worden verbeterd in een bedrag van € 185,-. Het vonnis waarvan beroep dient derhalve onder verbetering van gronden te worden bevestigd.”
10. Het middel klaagt, als gezegd, dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed en ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel heeft daarbij blijkens de toelichting op het middel het oog op de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte “ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”. In dat kader stel ik vast dat in deze zaak (schuld)witwassen en niet (schuld)heling is tenlastegelegd en dat in het door het hof bevestigde vonnis is bewezenverklaard dat de verdachte wist dat de televisie, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf. Voor zover het middel klaagt over de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte “ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof” berust het aldus op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag.
11. Dit geldt tevens voor zover aan het middel ten grondslag is gelegd dat het hof onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt in welke mate de verdachte is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht en dus dat hij met aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Het hof heeft immers witwassen als bedoeld in art. 420bis Sr en niet schuldwitwassen als bedoeld in art. 420ter Sr bewezenverklaard. Ook in zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
12. Voor zover de steller van het middel blijkens de toelichting klaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte opzet, in de zin van voorwaardelijk opzet, heeft gehad op witwassen, mede gelet op hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, niet naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed, niet toereikend gemotiveerd en niet begrijpelijk is, merk ik het navolgende op.
13. Art. 420bis, eerste lid, Sr luidt – voor zover hier van belang:
“Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. […]
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.”
14. Bij de beoordeling van voormelde klacht moet het volgende worden vooropgesteld. Voor de bewezenverklaring van art. 420bis Sr is volgens de memorie van toelichting voorwaardelijk opzet voldoende. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het voorhanden hebben, het overdragen en het omzetten van een televisie die uit misdrijf afkomstig is – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
15. Het hof heeft de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld. De verdachte heeft een televisie ter waarde van € 600,- voor € 185,- aangeboden op Marktplaats en vervolgens voor € 200,- verkocht, terwijl die televisie korte tijd daarvoor was gestolen. De verdachte heeft verklaard dat hij deze televisie heeft gekregen van een derde, wiens naam hij niet wil noemen. Hij moest deze televisie van die derde verkopen en moest daarna het geld weer aan die derde geven. Hoewel de betrokkenheid van die derde persoon door het hof, in navolging van de politierechter, niet direct ongeloofwaardig is geacht, is volgens het hof wel vast komen te staan dat de verdachte kennelijk niet heeft doorgevraagd over de herkomst van de televisie en dat hij daarnaast weinig bruikbare informatie heeft gegeven op basis waarvan zijn verklaring kan worden bevestigd. Er is dus niet sprake van een voldoende verifieerbare verklaring van de verdachte. Uit deze omstandigheden volgt echter niet zonder meer dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de in de bewezenverklaring genoemde televisie – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. Nu dat (voorwaardelijk) opzet ook overigens niet uit de bewijsvoering volgt, is de bewezenverklaring in zoverre niet toereikend gemotiveerd. In zoverre slaagt het middel.