Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2020-10-13
ECLI:NL:PHR:2020:917
Strafrecht
2,481 tokens
Inleiding
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/03685
Zitting 13 oktober 2020 (bij vervroeging)
Conclusie
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,
hierna: de verdachte.
1Het cassatieberoep
1.1.
De verdachte is bij arrest van 22 juli 2019 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en “opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, 2. “oplichting”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 1.500,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak. In het tweede middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van feit 2 (oplichting).
2Het eerste middel
2.1.
Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verzoek tot aanhouding van de behandeling ter terechtzitting, ter effectuering van het aanwezigheidsrecht van verzoeker, heeft afgewezen.
2.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2019 vermeldt dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt voorts het volgende in:
“Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.N. de Bruijn, advocaat te Almere, die mededeelt door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
De raadsvrouw deelt mede:
Mijn cliënt is op de hoogte van de zitting van vandaag. Mijn cliënt en ik hebben beiden een aanhoudingsverzoek ingediend. Mijn cliënt woont in [plaats] , Friesland. Vanwege de reisafstand is mijn cliënt niet in staat om vroeg voor uw hof te verschijnen. Volgens de website 9292 doet mijn cliënt er van deur tot deur vijf uren over om hier te verschijnen. U houdt mij voor dat ik contact met de planning van het hof had kunnen opnemen over het tijdstip van de behandeling van de zaak. Dat heb ik niet gedaan.
Naar aanleiding van de mishandeling in december vorig jaar, in de Penitentiaire Inrichting, is mijn cliënt niet in staat om zich psychisch dan wel lichamelijk voor te bereiden. Met betrekking tot de klachten naar aanleiding van de mishandeling, merk ik op dat mijn cliënt zodanige klappen heeft gehad, dat hij naar de neuroloog en oogarts moest en dat hij de resultaten van de artsen eerst wil afwachten. Dit is niet met meer stukken te onderbouwen. Mijn cliënt wil wel graag aanwezig zijn.
Desgevraagd door de voorzitter, deelt de advocaat- generaal mede:
Ik heb alleen de brief van de verdachte zelf ontvangen. Een verzoek van de raadsvrouw heb ik niet gezien. Ik ga er vanuit dat het verzoek door de raadsvrouw wel is ingediend. Betreffende de reisafstand wil ik opmerken dat de zaak gepland stond om 10:40.uur. [plaats] is in Friesland, mede gelet op het tijdstip van aanvang lijkt mij dat te doen. Voorts is er geen contact opgenomen met de planning. Betreffende het letsel van de verdachte merk ik op dat ik de foto's heb gezien, alsmede de onderliggende stukken. Ik vraag me af in hoeverre daadwerkelijk kan worden gesteld dat de verdachte niet kan verschijnen. Ik verzoek uw hof het verzoek tot aanhouding af te wijzen.
Op vragen van het hof, deelt de raadsvrouw mede:
Het is inderdaad zo dat de reden voor het verzoek tot aanhouding gelegen is in de medische situatie van cliënt en dat de reistijd wel speelt, maar in die zin ondergeschikt is.
U vraagt mij waarom het verzoek niet eerder is ingediend. Ik heb eerder geen contact kunnen
krijgen met mijn cliënt. Dat is pas vorige week gelukt.
U vraagt mij of ik over een medische onderbouwing beschik betreffende de psychische klachten. Nee, hij zegt dat hij heel slecht slaapt en psychisch niet in staat is om te verschijnen.
De voorzitter, onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter mede dat het door de raadsvrouw ingediende aanhoudingsverzoek niet in het dossier is aangetroffen en - na navraag - evenmin bekend is bij de administratie van het hof.
De voorzitter verzoekt de raadsvrouw haar aanhoudingsverzoek van 3 juli 2019 thans ter zitting per e-mail aan de griffier te sturen.
Na kennis te hebben genomen van het aanhoudingsverzoek van 3 juli 2019 en daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door de voorzitter, deelt de advocaat-generaal mede:
In het aanhoudingsverzoek van 3 juli 2019 brengt de raadsvrouw hetzelfde naar voren als de verdachte, namelijk de psychische gesteldheid en het letsel. Dit wordt verder niet onderbouwd. Ik blijf bij mijn eerder ingenomen standpunt.
In reactie op de advocaat-generaal, deelt de raadsvrouw mede:
Ik blijf ook bij mijn standpunt.
De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof het verzoek tot aanhouding zal afwijzen, nu de medische argumentatie onvoldoende is onderbouwd. Voorts deelt de voorzitter mede dat de behandeling van de zaak doorgang zal hebben en dat de raadsvrouw door haar cliënt uitdrukkelijk en bepaaldelijk is gemachtigd namens haar cliënt de verdediging te voeren, nu haar cliënt er niet is.”
2.3.
Voor beoordeling van een middel waarin geklaagd wordt over de afwijzing van een aanhoudingsverzoek ter effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte ingevolge art. 6 EVRM, wordt door de Hoge Raad een vast stramien gevolgd waarvan de volgende elementen in de onderhavige zaak van belang zijn:
(i) Als de rechter de omstandigheid die ten grondslag ligt aan het aanhoudingsverzoek niet voldoende onderbouwd acht, dient de rechter, mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden, bijvoorbeeld als het gaat om ziekte van de verdachte, voordat hij beslist over het aanhoudingsverzoek de verdediging de gelegenheid te bieden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen.
(ii) Dat hoeft de rechter niet te doen als de gestelde omstandigheid die ten grondslag ligt aan het aanhoudingsverzoek, ook als die juist zou zijn, na de hierna onder (iv) te maken belangenafweging, niet tot toewijzing van het verzoek zou leiden.
(iii) De rechter kan daarnaast zonder nadere belangenafweging het verzoek afwijzen als de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is.
(iv) Als het onder (iii) gestelde zich niet voordoet en dus de aangevoerde omstandigheid niet onaannemelijk wordt geacht, dient de rechter bij de beslissing op het verzoek een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6 lid 3, onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht - waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen - en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Deze afweging moet blijken uit de motivering van de (afwijzende) beslissing.
Conclusie
3.1.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.2.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie de herstelbeslissing van het hof die aan het arrest is gehecht.
Vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285, m. nt. Mevis.
Vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285, m. nt. Mevis.
Zie ook HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:902 waarin het ook ging om ziekte wat ten grondslag was gelegd aan het aanhoudingsverzoek. Zie ook HR 10 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:398 en HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:622. Zie ook M.H. Dubelaar, ‘Het aanwezigheidsrecht in strafzaken anno 2019’, DD 2019/47 en E.T. Luining, ‘Het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting en de afwijzing daarvan’, TPWS 2018/2: ”Beslissend is immers niet of het verzoek voldoende onderbouwd is, maar of hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd aannemelijk is geworden en het resultaat van de door de rechter te maken belangenafweging.”
Zie ook HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1236. Zie voorts ook de noot van Mevis onder 6 en 10 onder HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285 m. nt. Mevis.