Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2019-05-21
ECLI:NL:PHR:2019:523
Strafrecht
2,514 tokens
Inleiding
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/02328
Zitting 21 mei 2019
Conclusie
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1977,
hierna: de betrokkene.
1Inleiding
1.1
De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking van 9 maart 2018 het door de officier van justitie gevorderde verlof als bedoeld in art. 552p lid 2 (oud) Sv verleend.
1.2
Namens de betrokkene is tegen voornoemde beschikking cassatieberoep ingesteld en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Het gaat in deze zaak om het volgende. De Duitse justitiële autoriteiten hebben op 19 oktober 2016 een rechtshulpverzoek gedaan tot het in beslag nemen en overdragen van stukken van overtuiging aan de Nederlandse autoriteiten met betrekking tot een in Duitsland lopend strafrechtelijk onderzoek naar belastingfraude dat onder andere tegen de betrokkene is gericht.
1.4
In het eerste cassatiemiddel wordt aan de orde gesteld of de rechtbank het op 19 oktober 2016 ingediende verzoek heeft kunnen aanmerken als een verzoek in de zin van art. 3 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (ERV) en derhalve een verdrag zoals bedoeld in art. 552k (oud) e.v. Sv. Het tweede cassatiemiddel richt zich tegen de beslissing van de rechtbank verlof te verlenen aan de officier van justitie om de gevraagde en in beslag genomen stukken van overtuiging over te dragen aan de Duitse autoriteiten.
2Het eerste middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het door de Duitse autoriteiten uitgevaardigde verzoek een rechtshulpverzoek is dat gegrond is op het ERV.
2.1
De bestreden beschikking van de rechtbank houdt hierover het volgende in:
“De beoordeling
Met betrekking tot de feiten verwijst de raadkamer naar de stukken zoals die zich in het dossier bevinden. Meer in het bijzonder gaat de raadkamer uit van het navolgende.
De Duitse justitiële autoriteiten hebben krachtens het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (20 april 1959) en de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (29 mei 2000) een rechtshulpverzoek, gedateerd 22 september 2016, gedaan aan de Nederlandse autoriteiten inzake een in Duitsland lopend strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte en andere onbekende verdachte(n) inzake, kort gezegd, belastingfraude, strekkende tot het in beslag nemen en overdagen van stukken van overtuiging.
In het kader van dit verzoek is door de officier van justitie op 1 juni 2017 een doorzoeking ter inbeslagname verricht op de locatie [a-straat 1] te Huissen, zijnde een bedrijfspand in gebruik bij [A] B.V. en [B] B.V. Verdachte was (destijds) bestuurder van voornoemde B.V. Bij deze doorzoeking zijn diverse (digitale) stukken in beslag genomen. De digitale werkzaamheden, zoals het draaien van query’s, zouden enkele uren in beslag nemen. In overleg met verdachte en de raadsman is bepaald dat de query’s op een later nader te bepalen tijdstip door een medewerker zouden worden opgehaald. Door rechercheur [betrokkene 1] werd nader op 9 augustus 2017 een zwarte USB-stick van het merk PNY van 16 GB groot (met audit-files) ontvangen uit handen van verdachte.
De onderhavige vordering strekt tot het verlenen van verlof tot het ter beschikking stellen aan de Duitse justitiële autoriteiten van de inbeslaggenomen stukken van overtuiging die zijn vermeld in proces-verbaal AMB-006.”
2.2
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat uit de stukken die de officier van justitie bij zijn vordering ex art. 552p (oud) Sv heeft gevoegd blijkt, dat de Duitse autoriteiten op 19 oktober 2016 een Europees onderzoekbevel (EOB) hebben uitgevaardigd en dat dit geen rechtshulpverzoek is dat aan de eisen van art. 3 ERV voldoet:
(i) omdat dit EOB op de richtlijn 2014/41/EU betreffende het Europees onderzoeksbevel is gebaseerd welke richtlijn op het moment van het uitvaardigen van het EOB nog niet in Nederland was geïmplementeerd;
(ii) dit EOB niet is aan te merken als ‘verzoek’ in de zin van het ERV en de bepalingen van Titel X Sv en
(iii) het kennelijk doel daarvan niet de toezending van ‘stukken van overtuiging van dossiers of van documenten’ zoals bedoeld in art. 3 lid 1 ERV en Titel X Sv is, maar de “overdracht van bewijsmiddelen” beoogt.
2.3
Naar mijn mening mist het middel feitelijke grondslag nu het is gebaseerd op de veronderstelling dat de Duitse autoriteiten een Europees onderzoeksbevel hebben uitgevaardigd. Bij de gedingstukken bevindt zich een kopie van de originele Duitstalige versie van het verzoek, die als bijlage bij de vordering van de officier van justitie is gevoegd. Daarin worden geen bewoordingen gebruikt die erop wijzen dat beoogd is een EOB uit te vaardigen, maar wordt steeds gesproken van een “Rechtshilfeersuch” (of vervoegingen daarvan). Deze term is kennelijk abusievelijk in de Nederlandse vertaling vertaald in “EOB”. De juiste vertaling is “rechtshulpverzoek”. Ik kan uit de stukken niet opmaken of de vertaling in opdracht van de Duitse autoriteiten heeft plaatsgevonden, of dat deze in opdracht van de Nederlandse autoriteiten is vervaardigd. De vertaling is opgemaakt door [betrokkene 2], beëdigd vertaler in de Duitse taal, beëdigd door de rechtbank te Rotterdam op 18 oktober 2002, wat mij doet vermoeden dat deze vertaling in opdracht van de Nederlandse autoriteiten is opgemaakt. Dat betekent dat de stelling die aan het middel ten grondslag ligt, namelijk dat het hier zou gaan om een door de Duitse autoriteiten uitgevaardigd EOB, niet juist is.
2.4
Ik heb mij nog afgevraagd of er enige betekenis moet worden toegekend aan de vertaalde versie van het rechtshulpverzoek voor zover daarin het verzoek wordt aangeduid als EOB. Dat is mijns inziens niet het geval. Art. 16 lid 1 ERV verplicht niet tot vertaling van rechtshulpverzoeken en daarbij behorende stukken en Nederland heeft in dat verband bij de ondertekening van het ERV ook geen voorbehoud gemaakt op grond van art. 16 lid 2 ERV. Dat betekent mijns inziens dat de Duitstalige versie van het verzoek en de bijlagen doorslaggevend zijn en ervan moet worden uitgegaan dat het om een rechtshulpverzoek gebaseerd op het ERV gaat, zoals ook in de vordering van de officier van justitie staat vermeld.
2.5
Ten overvloede wil ik nog drie opmerkingen maken:
(i) Het Duitstalige formulier behorende bij Richtlijn 2014/41/EU inzake het Europees onderzoeksbevel, dat als blijlage A bij de Duitse versie van de Richtlijn is gevoegd, verschilt op belangrijke punten met het formulier “Rechtshulpverzoek / Rechtshilfeersuchen / Comission rogatoire internationale” d.d. 19 oktober 2016, dat als bijlage bij de vordering van de officier van justitie is gevoegd. Het Europees onderzoeksbevel wordt in de bijlage bij de Richtlijn aangeduid als Europäische Ermmittlungsandordnung en afgekort als EEA.
(ii) De Duitse wet waarbij de Richtlijn in Duitsland is geïmplementeerd, te weten het “Viertes Gezets zur Änderung des Gesetzes über die internationale Rechtshilfe in Strafsachen”, is volgens art. 3 van die wet op 22 mei 2017 in werking getreden. Nu het verzoek van de Duitse autoriteiten tot “doorzoeking en beslaglegging” en “overdacht van bewijsmiddelen” van 19 oktober 2016 dateert, lijkt het mij onwaarschijnlijk dat – zoals in de toelichting van het middel wordt gesteld – de Duitse autoriteiten een “Europäische Ermittlungsanordnung” als bedoeld in de voornoemde Gesetz hebben uitgevaardigd. Een wettelijke grondslag daarvoor bestond er toen nog niet.
(iii) Tot slot blijven ingevolge art. 35 van de Richtlijn en art.
Conclusie
4.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
In de beschikking van de rechtbank wordt kennelijk abusievelijk de datum 22 september 2016 genoemd, maar dat is de datum van de doorzoekingsbeschikking van het kantongerecht Kleve.
Te raadplegen via:
<https://eur-lex.europa.eu/legal-content/DE/TXT/HTML/?uri=CELEX:32014L0041&from=NL#d1e41-24-1>
Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter implementatie van de richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken”, in werking getreden op 16 juni 2017.
Art. 35 Richtlijn 2014/41/EU luidt voor zover hier van belang: “1. Vóór 22 mei 2017 ontvangen verzoeken om wederzijdse hulp blijven vallen onder de bestaande regelgeving betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken.(…)”.
Ik merk voor de volledigheid op dat beide regelingen 22 september 2016 van kracht waren en nog steeds van kracht zijn.
Vlg. o.a. de conclusie van AG Knigge, ECLI:NL:PHR:2015:618, voorafgaand aan de beschikking HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3704 en de conclusie van AG Harteveld, ECLI:NL:PHR:2015:2517, voorafgaand aan de beschikking HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3798.