Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2019-03-26
ECLI:NL:PHR:2019:287
Strafrecht
3,172 tokens
Conclusie
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 23 augustus 2017 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 subsidiair “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” en 2 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Er bestaat samenhang met de zaak 17/04356. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt dat het hof ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft bewezen verklaard dat het in de bewezenverklaring vermelde geweld “openlijk, te weten aan de openbare weg”, is gepleegd.
Het hof heeft onder 1 subsidiair ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“zij op 10 juli 2015 te Nijmegen openlijk, te weten aan de openbare weg, [a-straat 1] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het opzettelijk met kracht bij de nek vastpakken van die [slachtoffer] en met een hockeystick op de rug slaan van die [slachtoffer] .”
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (zonder weergave van voetnoten):
“Uit de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de politie Oost-Nederland, genummerd PL0600-2015336287, opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie Oost-Nederland, gesloten op 30 maart 2016:
Ten aanzien van feit 1:
1. Een proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] , opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van politie Oost-Nederland, gesloten op 14 december 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 15 e.v.):
Ik ben een dag na dit incident bij de huisarts geweest. De arts heeft een gekneusde kaak geconstateerd. Ik had blauwe plekken op mijn rug door de klap met de hockey stick. Ik heb hiervan een foto. Deze zal ik u toesturen.
Als bijage gaat bij dit proces-verbaal: foto rug aangever met blauwe plek.
(…)
Ten aanzien van feit 1 en 2:
3. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt door [verbalisant 3] , agent van politie Oost-Nederland, gesloten op 10 juli 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 9 e.v.):
Op vrijdag 10 juli 2015 omstreeks 11:35 bevond ik mij bij mijn huis aan [a-straat 1] te Nijmegen.
Ongeveer tien minuten later hoorde ik de voordeurbel gaan en liep naar beneden om de deur te openen. Ik zag de vrouw met nog twee andere personen staan.
Vervolgens riep de man: “Oh jij gaat niet betalen” en pakte mij met zijn arm om mijn hals in een soort van klem. De klem deed pijn en zorgde dat ik me benauwd voelde.
Opmerking verbalisant: van de striem zal ik een foto bijvoegen.
De worsteling duurde enkele seconden waarna de man stopte. Toen ik vanuit mijn gebukte positie weer omhoog kwam zag ik de vrouw met de hockeystick van mijn dochter in de hand staan. Ik gooide de deur met een harde klap dicht. Vervolgens liepen de personen weer weg. Hierna liep ik naar de achterdeur om deze op slot te draaien. Dit deed ik omdat ik het vermoeden had dat ze achterom zouden komen, wat ook het geval was. Ik zag dat de vrouw met de hockeystick in haar hand trachtte de deur te openen. Dit lukte niet omdat ik de deur op slot had gedaan. Vervolgens sloeg de vrouw met de hockeystick tegen de ruit van de deur waardoor er een gat in de ruit ontstond. U heeft hier een foto van gemaakt.
4. een proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] , opgemaakt door [verbalisant 4] , surveillant van politie Oost-Nederland, gesloten op 13 januari 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 19 e.v.):
U vertelt mij dat u mij nader wilt horen over de openlijke geweldpleging die op 10 juli 2015 heeft plaatsgevonden en waar ik aangifte van heb gedaan.
U vertelt mij dat ik in mijn aangifte verklaar dat ik op gegeven moment bij mijn nek gepakt werd. U vraagt mij waar ik toen stond. Ik zag en voelde dat de man mij toen bij mijn nek pakte. Ik zag dat de man toen binnen in mijn woning stond op de deurmat. U vertelt mij dat ik in mijn aangifte verklaar dat ik hierna weer omhoog kom en dat ik dan zie dat de vrouw een hockeystick in haar handen heeft. U vraagt mij of ik hier meer over kan vertellen. Ik heb later van mijn dochter gehoord dat de vrouw mij heeft geslagen met de hockeystick.
U vraagt mij waar deze hockeystick precies vandaan kwam en hoe de vrouw hieraan kwam: Deze hockeystick is van mijn dochter en deze staat voor de meterkast achter een soort kledingkist. Dit is ongeveer 1 meter van de voordeur vandaan. De vrouw moet de hockeystick gepakt hebben toen de man mij vast had. Ik heb dit niet kunnen zien.
5. een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , opgemaakt door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie Oost-Nederland, gesloten op 10 juli 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 22 e.v.):
Er werd aangebeld bij de woning. Er stonden een man en een vrouw voor de woning. Ik hoorde dat zij allebei aan het schreeuwen waren. Kort daarna zag ik dat de man mijn vader bij zijn nek vasthield. Ik zag dat hij mijn vader met allebei zijn handen bij zijn nek vasthield. Mijn vader stond voorover gebogen alsof hij los wilde komen. Volgens mij stond die man op dat moment voor mijn vader. Dit gebeurde allemaal in de deuropening. Ik zag dat de vrouw die erbij stond mijn hockeystick pakte. Mijn hockeystick staat vlak bij de voordeur. Ik zag dat de vrouw mijn vader vervolgens met de hockeystick sloeg.
6. een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , opgemaakt door [verbalisant 6] , hoofdagent van politie Oost-Nederland, gesloten op 13 juli 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 26 e.v.):
Ik was vrijdag 10 juli 2015 bij een vriendin van mij genaamd [getuige 1] . Omstreeks 12.00 uur werd er bij de woning van mijn vriendin aangebeld. Ik zat met [getuige 1] in de woonkamer en de vader van [getuige 1] deed de voordeur open. Ik hoorde een ruzie en een gevecht ontstaan maar hoe dat precies is gegaan weet ik niet meer en dat heb ik ook niet gezien. Ik had vanuit mijn positie in de woonkamer geen zicht op de voordeur. Wat er allemaal bij de voordeur is gezegd, dat weet ik niet meer. Toen de vader weer terug kwam in de woonkamer zag ik dat hij de achterdeur snel op slot draaide. Ik zag dat een voor mij onbekende vrouw vervolgens de achtertuin kwam in gerend.
Ik zag dat de vrouw de achterdeur probeerde open te maken, maar die zat op slot. Ik zag vervolgens dat de vrouw met de hockeystick tegen het raam van de woonkamer sloeg. Ik zag dat er door de klap een gat in het raam zat. Ik heb de vrouw een (1) keer, hard tegen het raam zien slaan.
7. een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , opgemaakt door [verbalisant 6] , hoofdagent van politie, gesloten op 13 juli 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 28 e.v.):
Ik was vrijdag 10 juli 2015 alleen thuis. Ik hoorde omstreeks 12.00 uur dat er een aantal mensen aan het schreeuwen waren. Ik hoorde dat het geschreeuw uit de richting van mijn buren kwam. Ik heb toen door het keukenraam aan de voorzijde van de woning naar buiten gekeken. Ik zag dat er bij de buren die op nummer [a-straat 1] wonen ruzie was ontstaan. Ik zag dat er in ieder geval twee personen voor de deur van [a-straat 1] stonden.
Ik zag dat de vrouw een hockeystick met haar beide handen vasthield.
8.
Motivering
10. In de onderhavige zaak is het openlijke van het geweld in de tenlastelegging en bewezenverklaring geconcretiseerd als “aan de openbare weg, [a-straat 1] ”. In cassatie gaat het er dus om of het hof zijn oordeel dat het in de bewezenverklaring bedoelde geweld “aan de openbare weg” is gepleegd, toereikend heeft gemotiveerd. Zoals de Hoge Raad zelf zegt in zijn overzichtsarrest, kan het begrip "openlijkheid" zoals bedoeld in art. 141 Sr in sommige gevallen vragen oproepen, maar laat dat onverlet dat de openlijkheid van het geweld gepleegd “op of aan de openbare weg” zelden problematisch is. Zo oordeelde de Hoge Raad in HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1050 dat het oordeel van het hof dat het in de voortuin van een woning gelegen aan de openbare weg, [b-straat] te Den Haag, gepleegde geweld "openlijk" was in de zin van art. 141 lid 1 Sr niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en toereikend was gemotiveerd. De Hoge Raad overweegt in zijn overzichtsarrest bij de vraag of het gepleegde geweld “openlijk” is, dat “de mate van verstoring van de normale gang van zaken van belang kan zijn”. Ik wijs verder op het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2774. De Hoge Raad oordeelde dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat het geweld is gepleegd aan de openbare weg, zoals is bewezenverklaard. Uit de in die zaak gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het geweld was gepleegd “in de tuin”, maar waar in de tuin, of het een voor- of achtertuin betrof etc, blijkt niet. Ook mijn ambtgenoot Harteveld overweegt in zijn conclusie voor dit arrest: “Uit het dossier kan niet blijken, of hetgeen zich in (de beslotenheid van) deze tuin heeft afgespeeld vanaf de openbare weg voor anderen waarneembaar is geweest”. In HR 13 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:55, oordeelde de Hoge Raad dat, in aanmerking genomen dat het voorval zich blijkens de gebezigde bewijsvoering afspeelde in een schoolgebouw, de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte geweld heeft gepleegd “aan de openbare weg, Alexander Dumaslaan”, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van die bewijsvoering. Bij de vraag of het tenlastegelegde geweld zich “aan de openbare weg” heeft afgespeeld lijkt de Hoge Raad dus doorslaggevend althans een belangrijke factor te vinden of het geweld zichtbaar was of had kunnen zijn vanaf die weg.
11. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat de geweldshandelingen in de deuropening en op de deurmat van de woning van het slachtoffer, te weten [a-straat 1] te Nijmegen, hebben plaatsgevonden terwijl de voordeur openstond. Uit het arrest blijkt voorts dat het hof ervan uit is gegaan dat het incident ook voor (eventuele) omstanders zichtbaar was. Blijkens Google Maps is de voordeur van [a-straat 1] te Nijmegen vanaf de (openbare) weg zichtbaar. Ik meen dat deze, uit een algemeen toegankelijke bron blijkende omstandigheid die zonder noemenswaardige moeite of specialistische kennis te achterhalen valt, als een “feit van algemene bekendheid” mag worden beschouwd. Feiten van algemene bekendheid behoeven in de bewijsmiddelen niet tot uitdrukking te komen. De Hoge Raad kan bovendien bij zijn beoordeling van de bewijsvoering in cassatie zelfstandig een beroep doen op feiten van algemene bekendheid. Mede gelet daarop heeft het hof kunnen aannemen dat het geweld aan de openbare weg plaatsvond en voor derden waarneembaar kan zijn geweest. Gelet op hetgeen onder 9. is vooropgesteld, heeft het hof daarmee ook kunnen oordelen dat het geweld als ‘openlijk’ moet worden beschouwd. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet ontoereikend gemotiveerd.
12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende overweging.
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1008, NJ 2018/436, m.nt. N. Rozemond.
ECLI:NL:PHR:2016:1210.
Vgl. art. 339 lid 2 Sv en HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1125, NJ 2018/344.
Vgl. HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, NJ 2011/116.
Vgl. HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6787, NJ 2010/601, r.o. 2.3. Zie ook mijn ambtgenoot Vegter in zijn conclusie van 26 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:653 onder 12.