Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2018-04-24
ECLI:NL:PHR:2018:388
Strafrecht
2,916 tokens
Conclusie
[klager]
1. De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft, na (partiële) vernietiging en terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij beschikking van 29 september 2015, bij beschikking van 22 december 2015 het klaagschrift van de klager, strekkende onder meer tot teruggave aan hem van een inbeslaggenomen geldbedrag van € 5350,-, ongegrond verklaard.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 16/00602. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat de klager en zijn raadsman behoorlijk zijn opgeroepen voor de raadkamerbehandeling van 22 december 2015.
Procesverloop
4.1.
Het gaat in deze zaak en in de samenhangende zaak om het volgende:
- De klager heeft op 22 januari 2013 een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend, strekkende (onder meer) tot teruggave aan hem van een inbeslaggenomen geldbedrag van € 5350,-. Dit klaagschrift is door de rechtbank in behandeling genomen onder het RK-kenmerk 13/141. Het onderhavige cassatieberoep heeft betrekking op deze zaak.
- Op 6 december 2012 heeft de klager bij de rechtbank een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend, strekkende (onder meer) tot teruggave aan hem van een viertal inbeslaggenomen auto’s. Dit klaagschrift is door de rechtbank behandeld onder het RK-kenmerk 12/2372 en betreft de samenhangende zaak.
- Beide klaagschriften zijn door de rechtbank in de raadkamer van 22 december 2015 na terugwijzing door de Hoge Raad opnieuw behandeld, voor zover de Hoge Raad de eerder door de rechtbank op de klaagschriften gewezen beschikkingen heeft vernietigd.
4.2.
Het proces-verbaal van deze raadkamerzitting houdt in:
“Parketnummer: 01/889046-12
RK-kenmerk: 12/2372 en 13/141
(…)
Tegenwoordig:
mr. P.J.H. van Dellen, rechter, bijgestaan door F.H.M. Klerkx, griffier.
Aanwezig is de officier van justitie, mr C. Molle, teneinde te worden gehoord op de klaagschriften ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering op 6 december 2012 en op 22 januari 2013 ingekomen ter griffie van deze rechtbank.
Klager genaamd:
[klager],
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats],
wonende [woonplaats],
te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. J.A. Schadd,
Zijpendaalseweg 51a, 6814 CD Arnhem,
is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De raadsman van klager, mr. J.A. Schadd, is, hoewel behoorlijk opgeroepen, eveneens niet verschenen.
De rechter constateert dat de Hoge Raad bij arrest van 29 september 2015 heeft besloten de beslissing van de rechtbank d.d. 5 april 2013 te vernietigen, voor zover het betreft de beslissing ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag van in totaal €5350,-- en dat de zaak is terugverwezen naar de rechtbank, opdat de zaak op het openstaande klaagschrift, voor zover het betreft voornoemd geldbedrag, opnieuw wordt behandeld en afgedaan. Nu de Hoge Raad het beroep in cassatie voor het overige heeft verworpen beperkt het klaagschrift, geregistreerd onder RK-kenmerk 13/141 zich derhalve tot het verzoek tot teruggave van voornoemd geldbedrag. Naast dit klaagschrift staat ter beoordeling het verzoek tot teruggave van een rode Mercedes-Benz met kenteken [AA-00-BB], een grijze Mercedes-Benz met kenteken [CC-00-DD], een rode Mercedes-Benz met kenteken [EE-00-FF] en een witte Mercedes-Benz met kenteken [GG-00-HH]. Verder constateert de rechter dat de machtiging van de rechter-commissaris voor conservatoir beslag maximaal € 22.500,- bedraagt.
De officier van justitie:
Ik verzet me tegen teruggave van het geldbedrag van € 5350,- en voornoemde auto’s, omdat voortduring van het beslag gewenst is in verband met het recht tot verhaal van een geldbedrag ter voordeelontneming.
De rechter sluit het onderzoek en doet terstond uitspraak. (…)”
4.3.
Bij de stukken die op de voet van art. 447 lid 2 Sv aan de Hoge Raad zijn toegezonden, bevinden zich:
- Een kopie van een aan de klager toegezonden oproeping, inhoudende als volgt:
“Aan [klager]
P/a Zijpendaalseweg 51 a
6814 CD Arnhem
kenmerk: 13/141
parketnummer: 885046-12
onderwerp: oproep
’s-Hertogenbosch, 21 oktober 2015,
Hierbij roep ik u op om op 22 december 2015 te 10.05 uur te verschijnen ter
openbare raadkamer van deze rechtbank, zittinghoudende aan de Leeghwaterlaan 8, 5223 BA ’s-Hertogenbosch, teneinde alsdan te worden gehoord naar aanleiding van het door of namens u ingediende klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (beklag tegen de inbeslaggenomen voorwerpen).
de griffier,
(…)”
- Een kopie van een aan de raadsman van de klager toegezonden oproeping, inhoudende als volgt:
“Aan: mr. J.A. Schadd
Postbus 6800
6800AG Arnhem
’s-Hertogenbosch, 21 oktober 2015,
kenmerk: 13/141
parketnummer: 01/885046-12
onderwerp: klaagschrift 552a Sv.
inzake: [klager]
Naar aanleiding van het klaagschrift van uw cliënt roep ik u op om te verschijnen in raadkamer van deze rechtbank op 22 december 2015 te 10.05 uur, teneinde aanwezig te zijn bij de behandeling van voormeld klaagschrift. De raadkamer zal worden gehouden in het gerechtsgebouw aan de Leeghwaterlaan 8, 5223 BA ’s-Hertogenbosch.
De griffier
(…)”
5Het middel
5.1.
Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans ontoereikend dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat de klager en zijn raadsman behoorlijk zijn opgeroepen voor de raadkamerbehandeling van 22 december 2015.
5.2.
In de eerste plaats wordt gesteld dat de klager niet behoorlijk is opgeroepen, omdat de oproeping is verzonden naar het adres “p/a Zijpendaalseweg 51a, 6814 CD Arnhem” (het adres van de advocaat waar de klager woonplaats had gekozen) en niet (tevens) is verzonden naar het adres waarop de klager in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) is ingeschreven, te weten het (ook in de beschikking vermelde) adres [a-straat 1] te [woonplaats].
Ten aanzien van deze klacht geldt het volgende.
5.3.
Art. 23 lid 2 Sv bepaalt dat de belanghebbende voor de raadkamerbehandeling moet worden opgeroepen. Een verzuim hiervan raakt een wezenlijke grondslag van de raadkamerprocedure en brengt nietigheid van het onderzoek mee, ook al is dat gevolg niet met zoveel woorden in de wet opgenomen.
5.4.
Wat de wijze van oproeping van de belanghebbende voor de raadkamerbehandeling betreft, volgt uit art. 586 lid 1 Sv dat de wet bepaalt wanneer de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen dient te geschieden door betekening. Als dat laatste het geval is dient de uitreiking van het gerechtelijk schrijven te geschieden op de bij de wet voorziene wijze, in het bijzonder zoals is bepaald in de art. 588 e.v. Sv. Behoudens het in art. 588 lid 1 Sv bepaalde geval – de betrokkene is gedetineerd – dient het GBA-adres als uitgangspunt te worden genomen bij de betekening van een gerechtelijke mededeling. Als het gaat om de betekening van een gerechtelijke mededeling aan een natuurlijke persoon, kan niet worden afgeweken van de voorschriften van art. 588 Sv voor de wijze waarop uitreiking moet geschieden en heeft de betrokkene niet de vrijheid een (post)adres op te geven waaraan de uitreiking dient te geschieden.
5.5.
Indien de betekening niet bij wet wordt voorgeschreven, geschiedt de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen door toezending, tenzij de wet bepaalt of toelaat dat de kennisgeving mondeling wordt gedaan (art. 586 lid 2 Sv). Toezending geschiedt door middel van een gewone of aangetekende brief over de post dan wel op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze (art. 585 lid 3 Sv).
5.6.
Noch uit art. 23 Sv, noch art. 552a Sv volgt dat de oproeping voor de behandeling van een op de voet van art. 552a Sv ingediend klaagschrift in raadkamer aan de klager en of andere belanghebbenden moet worden betekend. Steun voor de opvatting dat de oproeping voor de behandeling van een op de voet van art. 552a Sv ingediend klaagschrift in raadkamer niettemin moet worden betekend, is in de jurisprudentie ook niet te vinden.
Beoordeling
5.12.
Voor zover het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de raadsman van de klager behoorlijk is opgeroepen, treft het wel doel. De tweede volzin van art. 48 Sv (ten tijde van de behandeling art. 51, tweede volzin, (oud) Sv), geldt ook voor de beklagprocedure. Aan de raadsman van de klager moet een afschrift van de oproeping van de klager worden verschaft zodat hij op de hoogte is van de tijd en plaats van de behandeling.
5.13.
Uit de onder 4.3 weergegeven stukken blijkt dat aan de raadsman van de klager een oproeping voor de behandeling van het klaagschrift is verzonden naar het adres “postbus 6800, 6800AG Arnhem”, in plaats van het adres “postbus 282, 6800AG Arnhem”, welk laatste het juiste postadres van de raadsman is. Dit betekent dat het voorschrift van art. 51, tweede volzin, (oud) Sv niet is nageleefd, hetgeen - al wordt zulks niet uitdrukkelijk in de wet bepaald - geacht wordt aan een geldige behandeling van het klaagschrift in raadkamer buiten tegenwoordigheid van de klager en diens advocaat in de weg te staan.
5.14.
Het middel slaagt in zoverre.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
ECLI:NL:HR:2015:2881.
Vgl. HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1023.
Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt. Schalken.
Zie HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM0781, met conclusie van voormalig AG Jörg, ECLI:NL:PHR:2011:BM0781. Dit laat onverlet de vraag of aan dat (post)adres ingevolge art. 588a Sv een afschrift van de gerechtelijke mededeling moet worden verzonden.
Het bezwaarschrift richtte zich tegen de kennisgeving dat vervangende hechtenis wordt toegepast wegens, kort gezegd, een niet (naar behoren) verrichte taakstraf.
Zie ook T&C Strafvordering, commentaar op art. 23 Sv, aant. 2 en commentaar op art. 552a Sv, aant. 17.
Zie de conclusie van AG Vellinga, ECLI:NL:PHR:2013:1742, voorafgaand aan de beschikking HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:2246 (art. 81 lid 1 RO). Zie ook HR 31 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ1084, met conclusie van AG Machielse, ECLI:NL:PHR:2004:AQ1084.
Vgl. HR 8 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6743.