Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2018-12-14
ECLI:NL:PHR:2018:1468
Civiel recht
2,456 tokens
Inleiding
Zaaknr: 18/04716 mr. F.F. Langemeijer
Zitting: 14 december 2018 Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Limburg
In deze Bopz-zaak is vóór het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling een voorlopige machtiging verzocht. Had de rechtbank bij de toewijzing van dit verzoek de geldigheidsduur van de voorlopige machtiging moeten bekorten met de periode die inmiddels na expiratie van de voorafgaande machtiging is verstreken?
Feiten
1.1
Verzoeker tot cassatie (geb. 1951, hierna: betrokkene) is op grond van een bevel tot inbewaringstelling opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij beschikking van 30 juli 2018 heeft de rechtbank Limburg machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz).
1.2
Bij verzoekschrift van 14 augustus 2018, op dezelfde datum ter griffie ontvangen, heeft de officier van justitie aan de rechtbank Limburg verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren (art. 2 Wet Bopz). Betrokkene verbleef toen op grond van voornoemde machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling in het psychiatrisch ziekenhuis van Mondriaan Zorggroep, locatie Wijerode te Heerlen. Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring gevoegd van de geneesheer-directeur, die betrokkene met het oog hierop heeft laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. In rubriek 3.c van deze verklaring is als diagnose vermeld: “manisch-psychotisch toestandsbeeld met hoog herhaalrisico op seksueel grensoverschrijdend gedrag”.
1.3
Op 30 augustus 2018 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld in aanwezigheid van betrokkene en zijn advocaat, een waarnemer van de behandelend psychiater en een verpleegkundige. De advocaat heeft gevraagd bij toewijzing van het verzoek de termijn van de voorlopige machtiging met elf dagen te verkorten “(g)elet op het feit dat het verzoek tot voorlopige machtiging alreeds na 11 dagen na de IBS is ingediend.” Hij verwees daarbij naar ECLI:NL:HR:2015:842 (proces-verbaal, blz. 2).
1.4
Bij beschikking van 30 augustus 2018 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend om het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren voor de duur van maximaal zes maanden. De rechtbank overwoog onder meer:
“Uit de stukken blijkt dat de officier van justitie zijn verzoek voor afloop van het verstrijken van de termijn van de inbewaringstelling, dus tijdig, bij de rechtbank heeft ingediend. Gelet hierop acht de Rechtbank geen termen aanwezig om de duur van de verzocht[e] machtiging te beperken (…).”
1.5
Namens betrokkene is – tijdig − beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Onderdeel I richt een rechts- en motiveringsklacht tegen de beslissing van de rechtbank om de geldigheidsduur van de verleende machtiging niet te bekorten. Het verzoek om een voorlopige machtiging is weliswaar ingediend vóór het einde van de looptijd van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling per 20 augustus 2018, maar toen de rechtbank op 30 augustus 2018 een beslissing nam op dit verzoek was betrokkene volgens de klacht al tien dagen zonder rechtsgrond gedwongen opgenomen in het ziekenhuis. Volgens het middelonderdeel had de rechtbank het tijdvak tussen het einde van de looptijd van de vorige machtiging en de beslissing op het verzoek om een aansluitende voorlopige machtiging in mindering moeten brengen op de looptijd van deze voorlopige machtiging. Ter toelichting haalt betrokkene de beschikking van HR 3 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:842) aan:
“(…) Het door de wettelijke termijnen beschermde belang van betrokkene staat echter eraan in de weg dat de machtiging wordt verleend voor een langere duur dan zes maanden, gerekend vanaf de datum waarop de voorafgaande machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verstreek (…).”
2.2
In het systeem van de Wet Bopz verleent de rechter machtiging tot vrijheidsbeneming, maar is de rechter niet verantwoordelijk voor de uitvoering daarvan. Artikel 48 lid 1, aanhef en onder b, Wet Bopz bepaalt als hoofdregel dat de geneesheer-directeur aan een patiënt die krachtens een rechterlijke machtiging is opgenomen ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis verleent zodra de geldigheidsduur van de machtiging is verstreken. Het ontslag blijft op grond van deze bepaling achterwege indien vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging een verzoekschrift is ingediend tot het verlenen van een aansluitende machtiging. De machtiging waarvan de geldigheidsduur is verstreken heeft in zoverre ‘nawerking’. De geneesheer-directeur verleent alsnog ontslag indien de rechter het verzoek om een aansluitende machtiging afwijst of indien de wettelijke beslistermijn door de rechter is overschreden (art. 48 lid 1, aanhef en onder b, onder 1º en 2º Wet Bopz).
2.3
Artikel 30 Wet Bopz bepaalt dat een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling een geldigheidsduur heeft van drie weken na haar dagtekening “onverminderd het bepaalde in de artikelen 48 en 49”. Dit laatste betekent dat bij een tijdig ingediend verzoek om een aansluitende machtiging de geldigheidsduur van de lopende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van rechtswege wordt verlengd met de termijn voor een beslissing op dat verzoek. De termijn voor een beslissing op een verzoek om een voorlopige machtiging is drie weken na indiening, indien het gaat om een persoon die al in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen (art. 9 lid 1 Wet Bopz). Het verzoek is tijdig ingediend als dit is gedaan vóór het einde van de geldigheidsduur van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 31 lid 2 Wet Bopz).
2.4
De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat indien het verzoek om een aansluitende machtiging is ingediend na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging maar de geneesheer-directeur geen ontslag heeft verleend, deze termijnoverschrijding niet eraan in de weg staat dat de verzochte machtiging alsnog wordt verleend. De rechter is dan wel verplicht om de termijnoverschrijding in mindering te brengen op de geldigheidsduur van de nieuwe machtiging, op grond van het “door de wettelijke termijnen beschermde belang van betrokkene”. In de door betrokkene genoemde beschikking van 3 april 2015 was een dergelijke termijnoverschrijding aan de orde. Een verplichting tot het toepassen van een ‘aftrek’ als hiervoor bedoeld geldt echter niet indien het verzoek om een aansluitende machtiging is ingediend vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging, maar de rechter vervolgens de wettelijke beslistermijn heeft overschreden zonder dat de geneesheer-directeur ontslag heeft verleend. In dat geval kán de rechter bij het bepalen van de geldigheidsduur rekening houden met het aantal dagen waarmee de beslistermijn is overschreden, maar is daartoe niet verplicht.
2.5
In dit geval had de op 30 juli 2018 verleende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling op grond van artikel 30 Wet Bopz een geldigheidsduur tot en met 20 augustus 2018. Vóór het verstrijken van deze geldigheidsduur, namelijk op 14 augustus 2018, is een verzoek ingediend tot het verlenen van een aansluitende voorlopige machtiging. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen op 30 augustus 2018, dus binnen de beslistermijn van drie weken. Bij die stand van zaken volgt uit de vorige alinea’s dat de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling ‘nawerking’ krachtens artikel 48 Wet Bopz heeft gehad en dat de rechter vrij is geweest om een voorlopige machtiging voor de maximale termijn van zes maanden te verlenen. Het onderdeel faalt.
2.6
Onderdeel II klaagt dat het oordeel dat de stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd nu de rechtbank daarvoor naar een onjuiste rubriek van de geneeskundige verklaring heeft verwezen: het gevaar is omschreven in rubriek 4 terwijl de rechtbank verwijst naar rubriek 5 en daarin niets over gevaar is vermeld.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
plv.
HR 3 april 2015, NJ 2015/218, JVGGZ 2015/12.
Zie W. Dijkers, SDU-Commentaar, artikel 30 Wet Bopz, aant.C.2.
HR 19 januari 1996, NJ 1996/604 m.nt. J. de Boer.
HR 23 februari 1996, NJ 1996/618 m.nt. J. de Boer (rov. 3.3 en 3.5.2). Zie voor een overzicht van deze rechtspraak ook de conclusie (alinea’s 2.3 t/m 2.7) voor HR 4 mei 2018 (artikel 81 lid 1 RO) ECLI:NL:HR:2018:683, en W. Dijkers, SDU-Commentaar, art. 17 Wet Bopz, aant. C.3.2 (onder ‘Overschrijding van de beslistermijn’) en C.4.2, art. 48 Wet Bopz, aant. C.6.2 en C.6.3.
Overigens is voor de geneeskundige verklaring gebruik gemaakt van het model dat bedoeld is voor een verzoek tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf (bijlage 2 bij de Regeling vaststellen modellen Wet Bopz, Stcrt 2003. 217, laatste wijziging Stcrt. 2008, 117). In het model voor een voorlopige machtiging (bijlage 1 bij genoemde regeling) komt de omschrijving van het gevaar aan de orde in rubriek 5.