Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2018-10-30
ECLI:NL:PHR:2018:1342
Strafrecht
2,029 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 10 februari 2017 door het gerechtshof Amsterdam wegens 2. "medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd" en 3. "het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.
De zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (17/00825) en met de zaken tegen de medeverdachte [betrokkene 2] (17/00919 en 17/00920). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. M.J. van Essen en mr. J.E. Kötter, beiden advocaat te Amsterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat het hof het verweer dat de verklaringen van de getuige [getuige] voor het bewijs dienen te worden uitgesloten onvoldoende gemotiveerd, dan wel op onjuiste gronden heeft verworpen.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 januari 2017 blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van haar overgelegde pleitnotities. De pleitnotities houden – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:
"1. Uitsluiten verklaring Ashad i.v.m. schenden ondervragingsrecht artikel 6 EVRM
De rechtbank fundeert een groot deel van de bewezenverklaring voor de feiten 2 en 3 op de verklaring van [getuige]. Deze verklaring dient in de optiek van de verdediging te worden uitgesloten van het bewijs.
Uit het arrest Kostovski/Nederland van het EHRM volgt dat de geboden ondervragingsgelegenheid kwalitatief voldoende moet zijn. Er moet dus een behoorlijke en effectieve gelegenheid - adequate and proper opportunity - hebben bestaan om een getuige te ondervragen en zijn getuigenis te betwisten.
Buiten het feit om dat getuige [getuige] in de onderhavige strafzaak ook verdachte is en alle redenen heeft om de schuld af te schuiven op cliënt om vervolgens zijn rol kleiner te maken, stelt de verdediging zich op het standpunt dat door het extreme tijdsverloop in de onderhavige zaak afbreuk is gedaan aan de effectieve ondervragensgelegenheid, zoals bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM. Getuige dient zich, net als cliënt, ongeveer 8 jaren later essentiële elementen te kunnen herinneren. In de visie van de verdediging onmogelijk.
Uit zijn verklaring in 2015 blijkt dan ook dat [getuige] zich werkelijk waar niets meer kan herinneren. Door het tijdsverloop is het ondervragingsrecht van de verdediging dus compleet teniet gaan.
In eerste aanleg heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaring van [getuige] dient te worden uitgesloten van het bewijs, daar aan deze verklaring een groot gewicht wordt toegekend zonder dat de verdediging deze verklaring op enig moment heeft kunnen toetsen. De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat het horen van [getuige] temeer noodzakelijk was daar hij zijn verklaring niet heeft afgelegd als getuige maar als verdachte. Hij had dus het recht om te liegen.
De rechtbank heeft het voornoemde verweer in haar vonnis verworpen en overweegt daartoe dat de bestreden verklaringen op meerdere onderdelen steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Die steun kan naar oordeel van de rechtbank worden gevonden in de tapgesprekken en de verklaring van cliënt. De rechtbank ziet derhalve geen beletselen de verklaring van [getuige] als bewijsmiddel te gebruiken.
De verdediging stelt zich echter op het standpunt dat de verklaring van [getuige] op cruciale onderdelen onvoldoende steun vindt in het dossier, waardoor het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is. De taps geven wellicht steun voor het onderdeel dat cliënt werkzaamheden verrichtte voor [betrokkene 2] binnen het telecombedrijf, maar niet voor het gegeven dat cliënt werkelijk wist dat sprake was van fraude.
De verdediging betwist nu juist het deel van de verklaring van [getuige] dat cliënt weet had van de fraude. Nu dit het onderdeel is dat de verdediging betwist, dient dit onderdeel steun te vinden in het dossier. Echter bevat het dossier geen ondersteuning voor dit onderdeel.
Concluderend stelt de verdediging zich op het standpunt dat het ondervragingsrecht van de verdediging is geschonden, immers:
[getuige] is de enige getuige die verklaart dat cliënt weet had van de zwendel
De verdediging betwist de verklaring van [getuige] op dit punt
De verdediging heeft [getuige] niet op adequate en effectieve wijze kunnen ondervragen door het tijdsverloop
Het betwiste deel van de verklaring van [getuige] vindt onvoldoende steun in het dossier.
Derhalve dient de verklaring van [getuige] te worden uitgesloten van het bewijs."
6. De bestreden uitspraak houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:
"Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verklaring van S. [getuige] moet worden uitgesloten van het bewijs. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het extreme tijdsverloop afbreuk heeft gedaan aan een effectieve ondervragingsgelegenheid zoals bedoeld in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). [getuige] kon zich ten tijde van zijn verhoor in 2015 mede door dat tijdsverloop immers niets meer herinneren over de onderhavige feiten. Er is dan dus onvoldoende steunbewijs, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
S. [getuige] heeft in 2007 bij de politie belastende verklaringen afgelegd over de verdachte. Na herhaalde verzoeken van de verdediging bleek het pas in hoger beroep mogelijk [getuige] als getuige te horen. Dit verhoor heeft plaatsgevonden via een videoverbinding op 22 mei 2015 ten overstaan van de raadsheer- commissaris en in aanwezigheid van de raadsvrouw van de verdachte mr. M.J. van Essen. [getuige] heeft tijdens dat verhoor vragen van mr. Van Essen en van de raadsman van de medeverdachte mr. Van Gessel beantwoord. Op enkele vragen verklaarde [getuige] dat hij hier geen herinnering aan had. Hij verklaarde
voorts meerdere malen dat hij bij zijn verklaringen bleef die hij in 2007 had afgelegd en dat hij toen naar waarheid had verklaard.
Uit het voorgaande volgt dat de getuige in het bijzijn van de raadsvrouw van de verdachte is gehoord en dat zij de getuige heeft kunnen ondervragen en dat feitelijk ook heeft gedaan. Er is aldus geen sprake van schending van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daaraan doet niet af dat geruime periode is verstreken sinds de eerste verklaringen van de getuige en dat deze zich mogelijk daardoor niet alles meer herinnerde.
De in 2007 afgelegde verklaringen van de getuige zijn bruikbaar voor het bewijs, temeer nu de getuige desgevraagd heeft verklaard deze naar waarheid te hebben afgelegd. Ten overvloede merkt het hof op dat de bestreden onderdelen van de verklaringen van de getuige voldoende steun vinden in de overige
bewijsmiddelen, waaronder de tapgesprekken en de eigen verklaring van de verdachte. Het verweer wordt mitsdien verworpen."
7. Voor zover de stellers van het middel erover klagen dat het in hoger beroep gevoerde verweer dat het uit art. 6 EVRM voortvloeiende ondervragingsrecht is geschonden wegens tijdsverloop tussen het afleggen van de verklaring door [getuige] en het horen ter terechtzitting in hoger beroep ontoereikend gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is verworpen, geldt het volgende.
8. In zijn arrest van 6 juni 2017 stelt de Hoge Raad voorop dat de verdediging op grond van art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM het recht heeft op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding daadwerkelijk te (doen) ondervragen.