Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2018-01-09
ECLI:NL:PHR:2018:133
Strafrecht
3,370 tokens
Conclusie
[verdachte]
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 30 december 2015 voor 1: diefstal, 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, 3: opzetheling, en 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel keert zich tegen de veroordeling voor feit 3. Het hof heeft het bewijs dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de laptop wist dat deze door misdrijf was verkregen, geput uit een door het hof leugenachtig genoemde verklaring van verdachte over het moment waarop verdachte in het bezit van de laptop is gekomen. Uit het feit dat verdachte opzettelijk heeft verklaard dat de laptop al in zijn bezit was voordat deze was gestolen kan niet zomaar worden geconcludeerd dat verdachte de waarheid heeft willen bemantelen. Bovendien heeft verdachte eerst ook verklaard dat hij niet meer wist hoe lang hij de laptop in zijn bezit had.
3.2. Als feit 3 heeft het hof bewezenverklaard dat:
"hij op 1 mei 2014 te Dronten een laptop, merk Compaq, goednummer 485172 voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof".
3.3. Deze bewezenverklaring heeft het hof doen voorafgaan door het volgende:
"Overwegingen ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte koopt geregeld goederen, waaronder SD-kaartjes, op de zwarte markt te Beverwijk. Hij wist niet dat de SD-kaartjes van misdrijf afkomstig waren, evenmin hoefde hij dat te vermoeden. Hij wist ook niet dat de laptop gestolen was.
Het hof overweegt als volgt.
Blijkens het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1] (doorgenummerde pagina’s 204 ev.) is op 4 februari 2014 een laptop van het merk Compaq, model CQ 60-204 ED uit de woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] weggenomen. Tijdens een doorzoeking op 1 mei 2014 aan de [b-straat 1], [postcode] te Dronten (naar het hof begrijpt: in de woning van de verdachte), is een laptop van het merk Compaq inbeslaggenomen met BVH-nummer 485172 (proces-verbaal van doorzoeking [b-straat 1] Dronten met bijlage inbeslaggenomen goederenlijst, doorgenummerde pagina’s 10 ev.). Op 8 mei 2014 is voornoemde computer onderzocht; daaruit bleek dat de gebruiker van de laptop “[betrokkene 1]” was genoemd en dat in de map “verzonden items” zich een grote hoeveelheid berichten bevond die van [betrokkene 1] afkomstig waren (proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 218). Op de laptop zijn e-mails aangetroffen van het e-mailadres [betrokkene 1]@hetnet.nl. Bij navraag bij [betrokkene 1] bleek zijn e-mailadres [betrokkene 1]@hetnet.nl te zijn (proces-verbaal, doorgenummerde pagina 221). Tijdens zijn verhoor op 14 juli 2014 heeft de verdachte verklaard dat hij deze laptop ongeveer acht maanden in zijn bezit had. Gelet op het gegeven dat de laptop ongeveer 5 maanden daarvoor uit de woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] was weggenomen, acht het hof de verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig en afgelegd om de waarheid te bemantelen. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte van meet af aan wist dat de laptop van misdrijf afkomstig was.
Ten aanzien van de overige goederen is het hof van oordeel dat niet vast te stellen is dat de verdachte ten tijden van het verwerven/voorhanden hebben daarvan wist dat deze van misdrijf afkomstig waren zodat de verdachte van dit gedeelte van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken."
3.4. Op 4 februari 2014 is de laptop waarvan de tenlastelegging van feit 3 spreekt, bij een woninginbraak gestolen te Hardenberg (bewijsmiddel 8). Op 1 mei 2014 is deze laptop in de woning van verdachte inbeslaggenomen (bewijsmiddel 9). Dat het ging om de gestolen laptop blijkt uit de bewijsmiddelen 10 en 11. In bewijsmiddel 12 is een verklaring van verdachte opgenomen die is afgelegd op 14 juli 2014. Aanvankelijk antwoordt verdachte op de vraag hoe lang hij al in het bezit is van deze laptop dat hij dat niet weet en vervolgens dat hij die ongeveer acht maanden in zijn bezit heeft.
3.5. De verklaring dat verdachte de laptop ongeveer acht maanden in zijn bezit had kan niet kloppen, gelet op de datum van de woninginbraak. Het hof heeft dit onderdeel van de verklaring van verdachte als kennelijk leugenachtig aangemerkt en wel met de strekking om de waarheid, dat verdachte van meet af aan wist dat de laptop van misdrijf afkomstig was, te bemantelen.
3.6. Het oordeel van de feitenrechter dat een (gedeelte van de) verklaring van verdachte voor leugenachtig moet worden gehouden en dient ter bemanteling van de waarheid, is een oordeel van feitelijke aard dat in cassatie niet op zijn juistheid kan worden onderzocht. Wel zijn er grenzen gesteld aan de mogelijkheid om een kennelijk leugenachtige verklaring voor het bewijs te bezigen. Dat oordeel moet ook begrijpelijk zijn. De feitenrechter kan aan een onjuiste verklaring van verdachte soms te grote waarde hechten. Als een verklaring van verdachte leugenachtig blijkt kan deze alleen voor het bewijs van het tenlastegelegde worden gebezigd wanneer de rechter op grond van andere bewijsmiddelen tot het oordeel kan komen dat de leugenachtigheid van de verklaring juist erop gericht was om het tenlastegelegde daderschap te bemantelen. Er kunnen immers allerlei redenen zijn voor een verdachte om het met de waarheid niet zo nauw te nemen bij verhoren naar de betrokkenheid bij een strafbaar feit. Verdachte kan zich ervoor schamen in verband gebracht te worden met een strafbaar feit, kan proberen een lichtere betrokkenheid dan tenlastegelegd aan te tonen, proberen hetgeen is tenlastegelegd te verbergen enzovoorts. Zo kan een leugenachtige verklaring veel verstrekkender gevolgen hebben dan verdachte ermee beoogde te bereiken. Zeker wanneer men in aanmerking neemt dat de tenlastelegging vaak nog zal moeten worden geconcipieerd op het moment dat verdachte een leugenachtige verklaring aflegt.
3.7. In dit verband vraag ik nog aandacht voor HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9968 waarin de Hoge Raad het volgende overwoog:
"4.2. Een verklaring van de verdachte die naar het oordeel van de rechter kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te bemantelen, mag volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad tot het bewijs worden gebezigd. Zodanig oordeel zal dan wel voldoende grondslag moeten vinden in vastgestelde feiten en omstandigheden, vervat in een of meer andere voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen (vgl. HR 19 maart 1996, LJN ZD0413, NJ 1996/540, rov. 4.4). Tot bedoelde andere bewijsmiddelen kunnen in ieder geval niet worden gerekend bewijsmiddelen, inhoudende verklaringen van de verdachte zelf (vgl. HR 19 maart 2002, LJN AD8873, NJ 2002/567) of van andere personen die slechts behelzen hetgeen de verdachte hen heeft meegedeeld (vgl. HR 24 mei 2005, LJN AT2897, NJ 2005/396). De omstandigheid dat de verdachte heeft geweigerd omtrent het desbetreffende punt een verklaring te geven, kan niet mede ten grondslag worden gelegd aan het oordeel dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen (vgl. HR 19 maart 1996, LJN ZD0413, NJ 1996/540, rov. 4.5).
4.3.
Conclusie
Het Hof heeft in zijn hiervoor in 2.3 weergegeven overwegingen klaarblijkelijk geoordeeld dat de onder 8 tot het bewijs van de onder 4 tot en met 8 tenlastegelegde feiten gebezigde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat "de gestolen spullen die in de blokhut zijn aangetroffen (...) van een vriend [waren]", kennelijke leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen. Voor zover het Hof dat oordeel blijkens zijn overwegingen heeft gegrond op de verklaring van de medeverdachte omtrent de herkomst van de tassen, geldt dat deze verklaring geen steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat niet zonder meer begrijpelijk is dat die verklaring voldoende grondslag biedt voor het oordeel over de kennelijke leugenachtigheid. De door het Hof genoemde omstandigheid dat de verdachte zelf omtrent die herkomst geen verklaring heeft willen geven kan in dit verband, gelet op hetgeen in 4.2 is vooropgesteld, immers geen rol spelen. Door desalniettemin de bedoelde verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig tot het bewijs te bezigen, is de bewezenverklaring van de feiten 4 tot en met 8 niet naar behoren gemotiveerd."
3.8. Uit deze overwegingen zou misschien kunnen worden opgemaakt dat de leugenachtigheid van een verklaring van verdachte niet enkel kan worden gebaseerd op verklaringen van de medeverdachte. Maar dat lijkt mij een stap te ver, gelet ook op recentere rechtspraak van de Hoge Raad waarin aan de verankering van de leugenachtigheid van de verklaring van verdachte niet zulke strenge eisen worden gesteld.
3.9. In de onderhavige zaak blijkt niet op welke wijze verdachte in het bezit is gekomen van de gestolen laptop en welke omstandigheden deze bezitsverschaffing kenmerken. Dat verdachte heeft verklaard al ongeveer acht maanden in het bezit te zijn van die laptop, nadat hij aanvankelijk overigens had gezegd het niet te weten, kan op een vergissing berusten omdat verdachte kennelijk ernaar moet gissen. Maar ook als de verdachte doelbewust onwaarheid spreekt over het tijdstip waarop hij in het bezit kwam van de laptop volgt daar mijns inziens nog niet noodzakelijkerwijs uit dat hij deze leugen heeft gedebiteerd om te verhullen dat hij wist dat de laptop van diefstal afkomstig was. Ook andere mogelijkheden laten zich denken, bijvoorbeeld dat hij maar wat heeft gezegd om de pogingen om de bij hem aangetroffen laptop te linken aan een aangifte in de war te sturen. Mijns inziens wijst de onwaarheid die verdachte sprak niet noodzakelijk op de vaststelling dat verdachte dit deed om zijn wetenschap bij de aanschaf van de laptop over de criminele herkomst ervan te verhullen.
Het middel lijkt mij terecht voorgesteld.
4.1. Het tweede middel klaagt over een schending van de redelijke termijn in cassatie. Op 11 januari 2016 is cassatie ingesteld en de stukken zijn eerst op 15 september 2016 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.
4.2. De in de schriftuur genoemde data zijn juist, zodat inderdaad de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn hier met vier dagen is overschreden. Als de Hoge Raad zou beslissen tot verwerping van het eerste middel zou hij de straf kunnen matigen.
5. Het eerste middel is gegrond, hetgeen tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden voor zover het betreft de veroordeling voor feit 3 en de strafoplegging. Het hof dat zich opnieuw over de zaak zal moeten buigen zal tevens bij een eventuele strafoplegging de schending van de redelijke termijn in cassatie kunnen betrekken. Als de Hoge Raad deze conclusie in zoverre volgt behoeft het tweede middel geen nadere aandacht. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam dat opnieuw zal moeten beslissen over feit 3 en de strafoplegging.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Bijv. HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6616. HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2897.
Vgl. HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:239. Zie ook Keulen/Knigge, Strafprocesrecht, 12e druk, p. 516.
AM: erop neerkomende dat deze medeverdachte met verdachte naar Nederland is gekomen, dat zij een blokhut hebben gehuurd en dat er niemand anders bij was. De tassen waarin de gestolen navigatiesystemen zich bevonden behoorden volgens medeverdachte aan verdachte toe.
Zie ook Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk, p. 773 e.v. Zij wijzen onder meer op de moeilijkheid om een kennelijk leugenachtige verklaring in het wettelijk systeem van bewijsvoering in te passen. De leugenachtige verklaring van verdachte is alleen relevant ter motivering van de verwerping van het verweer dat in de verklaring van verdachte besloten ligt. De rechter zal de leugenachtigheid van de verklaring van verdachte moeten baseren op ander materiaal. Ik begrijp deze auteurs aldus dat een leugenachtige verklaring nauwelijks gebruikt kan worden om een hiaat in de bewijsvoering op te vullen.
HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467 rov. 6.2: "Een verklaring van de verdachte die naar het oordeel van de rechter kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te bemantelen, mag tot het bewijs worden gebezigd. Zodanig oordeel zal dan wel voldoende grondslag moeten vinden in vastgestelde feiten en omstandigheden, vervat in een of meer (AM: mijn cursief) andere voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen."