Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2018-10-16
ECLI:NL:PHR:2018:1150
Strafrecht
5,537 tokens
Conclusie
[verdachte]
Bij arrest van 6 april 2017 heeft het hof Den Haag het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de motivering daarvan vernietigd en verdachte veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis en het vonnis waarvan beroep voor het overige bevestigd. Het bevestigde vonnis is aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 9 september 2016 waarbij verdachte is veroordeeld wegens “aangifte doen dat een strafbaar feit is gepleegd, wetende dat het niet is gepleegd”.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Ten laste van verdachte is in het bevestigde vonnis bewezen verklaard dat
“zij op 13 januari 2014 te Naaldwijk, gemeente Westland aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van een medewerker van de generieke opsporing van de Politie Haaglanden, althans de politie opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van diefstal.”
4. Onder de kop ‘Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring’ houdt het bevestigde vonnis in:
“1. het proces-verbaal van aangifte door [verdachte] van de politie Haaglanden nr. PL1563-20140078742-1, d.d. 13 januari 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende:
Ik doe aangifte namens benadeelde [betrokkene 1] . [betrokkene 1] is een patiënt van mij. Op 9 januari 2014 was ik met mijn cliënt in Amsterdam. Omstreeks 15.00 uur kwam mijn cliënt er achter dat de schoudertas was opengemaakt, de rits geopend en de mobiele telefoon er uit was weggenomen;
2. het proces-verbaal van aanvullende aangifte door [verdachte] van de politie Haaglanden, nr. PL 1563-20140078742-3, d.d. 14 januari 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende: Ik ben gisteren na het doen van de aangifte terug gegaan naar [betrokkene 1] om de aangifte te overhandigen. Ik zag tot mijn verbazing dat de weggenomen telefoon op de tafel bij [betrokkene 1] thuis liggen. Alle weggenomen goederen zijn weer terecht;
3. het proces-verbaal van aangifte door [betrokkene 1] van de politie Haaglanden nr. PL1563-2014011562-1, d.d. 17 januari 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende:
Hierop vertelde zij tegen mij dat ik aangifte moest doen van diefstal van de telefoon. De telefoon stond op mijn naam en was verzekerd. Ik gaf duidelijk aan dat ik dat niet wilde. Ik wil geen problemen en ga niet liegen tegen de politie. [verdachte] verklaarde aan mij, je zegt tegen de politie dat wij samen in Amsterdam waren en dat ik door twee mannen van mijn handtas beroofd zou zijn. Ik gaf aan, dat de politie dan zou vragen om een telefoonkaart en wilde dit gewoon niet. Ik ben nog nooit in Amsterdam geweest en weet niet eens hoe het daar er uitziet;
4. een geschrift, te weten een uitdraai van WhatsApp gesprekken die corresponderen met de telefoonnummers van [betrokkene 1] en [verdachte] over de periode van 10 januari 2014 t/m/ 12 januari 2014, pagina 31 en 32;
4. het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van de politie Haaglanden, nr. PL1500-2014011562-12, d.d. 12 juni 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende:
Ik geef toe dat ik een valse aangifte heb gedaan;
5. een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] , op 29 april 2016 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, inhoudende:
Ze zei die dag dat ze me belde dat haar tas was gestolen, haar portemonnee, haar telefoon in Amsterdam. Iemand had op straat haar tas gepakt of zoiets zei ze. Ze wilde aangifte doen en zeggen dat ik bij haar was toen het gebeurde, dat ik getuige was en dat ik zou zeggen dat ik het had zien gebeuren. Ik kreeg het gevoel dat dit allemaal te ver ging. Ik werd er nerveus van. Ze zei: je moet gewoon zeggen dat je in die en die straat in Amsterdam was. Ik was nog nooit in Amsterdam geweest. Dit was allemaal via de telefoon. Ik vond het allemaal een beetje raar. Ik zei dat er niet aan mee wilde werken, dat dit te ver ging.”
5. Voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang bevat het bevestigde vonnis de volgende bewijsoverweging:
“De politierechter is van oordeel dat er geen grond is om aan te nemen dat [betrokkene 1] , zoals door de verdachte is aangevoerd, een leugenachtige verklaring heeft afgelegd. De door [betrokkene 1] afgelegde verklaring is consistent en deze verklaring wordt ondersteund door de WhatsApp gesprekken die tussen [betrokkene 1] en de verdachte hebben plaatsgevonden.
Voorts heeft de politierechter geen aanknopingspunten gevonden waaruit blijkt dat de verdachte door de verbalisant onder druk zou zijn gezet om te verklaren dat zij een valse aangifte heeft gedaan. In het algemeen is niet onaannemelijk dat bij de verhoren door de politie een bepaalde druk wordt gevoeld. Echter, niet is gebleken dat verdachte door de wijze van verhoren een verklaring zou hebben afgelegd die zij niet wilde afleggen.
Verdachte heeft nog aangevoerd dat er nog een derde verhoor zou zijn geweest, maar dat het proces-verbaal hiervan vermoedelijk bewust is achtergehouden. De politierechter heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden dat er nog een derde verhoor van de verdachte zou hebben plaatsgevonden en dat het proces-verbaal hiervan niet in het dossier is opgenomen.”
6. Het eerste middel bestrijdt de motivering van de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat verdachte aangifte heeft gedaan. Naar het oordeel van de steller van het middel is er geen sprake van een aangifte als bedoeld in art. 163, eerste lid, Sv jo 188 Sr nu de aangifte is gedaan namens de benadeelde [betrokkene 1] terwijl uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte daartoe was voorzien van een bijzondere schriftelijke volmacht van [betrokkene 1] .
7. Artikel 161 Sv luidt (en luidde ten tijde van het doen van de aangifte) als volgt
“Ieder die kennis draagt van een begaan strafbaar feit is bevoegd daarvan aangifte of klachte te doen.”
8. Artikel 163 Sv luidt (en luidde ten tijde van het doen van de aangifte), voor zover hier van belang, als volgt:
“1. De aangifte van eenig strafbaar feit geschiedt mondeling of schriftelijk bij den bevoegden ambtenaar, hetzij door den aangever in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van eene bijzondere schriftelijke volmacht voorzien.
2. De mondelinge aangifte wordt door den ambtenaar die haar ontvangt, in geschrifte gesteld en na voorlezing door hem met den aangever of diens gemachtigde onderteekend. Indien deze niet kan teekenen, wordt de reden van het beletsel vermeld.
3. De schriftelijke aangifte wordt door den aangever of diens gemachtigde onderteekend. Met een ondertekende aangifte wordt gelijkgesteld de aangifte die langs elektronische weg is gedaan, mits deze voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen beperkingen worden aangebracht in de gevallen waarin aangifte langs elektronische weg kan worden gedaan.
4. Op zijn verzoek ontvangt de aangever een kopie van de aangifte dan wel een kopie van het proces-verbaal van aangifte.
5. De schriftelijke volmacht, of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte gehecht.”
9. Het eerste bewijsmiddel houdt inderdaad in dat verdachte aangifte heeft gedaan namens benadeelde [betrokkene 1] . Ik wijs er op dat verdachte gelet op art. 161 Sv zelf ook bevoegd was aangifte te doen van de diefstal. Van enige machtiging van verdachte door [betrokkene 1] blijkt niet.
Conclusie
In de bewijsconstructie ligt besloten dat de mededeling dat namens [betrokkene 1] aangifte wordt gedaan vals is. Zie bewijsmiddel 3 waaruit naar voren komt dat [betrokkene 1] nu juist geen aangifte wenste te doen. In de door het hof bevestigde bewijsconstructie ligt daarmee niet besloten dat de aangifte namens [betrokkene 1] is gedaan, maar juist dat de aangifte ook voor zover is meegedeeld dat die namens [betrokkene 1] is gedaan vals is. Het gaat hier dus gewoon om een bevoegde aangifte van verdachte zelf (art. 161 Sv).
10. Anders dan de steller van het middel (punt 3 op p. 3) meen ik dat voldaan is aan art. 161 Sv. De steller van het middel meent dat aan de voorwaarde ‘die kennis draagt van een begaan strafbaar feit’ niet is voldaan. Kennelijk ligt daaraan ten grondslag dat een aangifte slechts mogelijk is als vaststaat dat (de aangever weet dat) een strafbaar feit is begaan. Voldoende is echter als hij te kennen geeft te weten dat een strafbaar feit is begaan. Als het anders zou zijn laat een valse aangifte zich nauwelijks meer denken.
11. In de schriftuur wordt verder nog de stelling betrokken dat uit de aanvullende aangifte (bewijsmiddel 2) blijkt dat de oorspronkelijke aangifte (bewijsmiddel 1) is ingetrokken. Nu die stelling in feitelijke aanleg niet is betrokken is het niet onbegrijpelijk dat het hof aan de vraag of er sprake was een intrekking geen overweging heeft gewijd. Overigens ontbreekt enig aanknopingspunt in de aanvullende aangifte om te concluderen dat er sprake is van een intrekking. Het enkele feit dat gestolen voorwerpen weer op hun plaats zijn, sluit bepaald niet uit dat ze eerder zijn weggenomen, ook niet als de vermissing maar een dag heeft geduurd.
12. Ten overvloede wijs ik er nog op dat ook bij ontbreken van bewijsmiddel 3 (uitgangspunt is dan dat het de waarheid is dat verdachte de aangifte namens de benadeelde deed) het middel faalt. Blok en Besier bespreken wat rechtens is als iemand zonder volmacht namens een ander aangifte doet. Ik citeer:
“Het voorschrift, dat de gemachtigde van den aangever van een bijzondere schriftelijke volmacht zal zijn voorzien, heeft niet de betekeenis, dat bij het ontbreken daarvan de aangifte niet kan geschieden. Immers indien de gemachtigde niettemin de aangifte wil doen, zal hij zelf als aangever moeten worden beschouwd, doch dan ook de verantwoordelijkheid dragen. Deze verantwoordelijkheid is een strafrechtelijke: bij art. 188 W. v. Sr. is straf bedreigd tegen de aangifte van een strafbaar feit, gedaan, met de wetenschap, dat het niet gepleegd is (…).”
13Het eerste middel treft geen doel.
14. Het tweede middel bevat twee klachten over de motivering van de bewezenverklaring.
15. De eerste klacht is dat het bevestigde vonnis van de politierechter niet de inhoud van de voor het bewijs gebezigde Whatsappgesprekken bevat. Gedoeld wordt op bewijsmiddel 4 dat slechts een opgave van het bewijsmiddel bevat. Hiermee is de vraag aan de orde of het hof met bevestiging kon volstaan met als gevolg dat de inhoud van de Whatsappgesprekken in het bevestigde vonnis ontbreekt.
16. De aantekening van een mondeling vonnis van de politierechter dient ingevolge art. 378, tweede lid, Sv te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling in strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197). Art. 3 van deze Regeling houdt onder d in dat de aantekening van het mondeling vonnis de navolgende gegevens dient te bevatten:
"inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot het bewijs van het (de) telastegelegde feit(en) dient, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden, voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt)."
17. In HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:602, NJ 2015/176 was eveneens de vraag aan de orde of bevestiging van een politierechtervonnis waarin was volstaan met een opgave van een bewijsmiddel in strijd met de wet is. De Hoge Raad oordeelde:
“Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat in de aantekening van het mondeling vonnis wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen slechts in het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv (bekennende verdachte) mag worden verwezen naar de processtukken.
Die opvatting vindt geen steun in voormelde Regeling noch in art. 359 Sv noch in de geschiedenis van de totstandkoming van de tweede volzin van het derde lid van die bepaling. (Vgl. HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK5605, NJ 2010/7.)”
18. Het hof kon derhalve volstaan met bevestiging van het vonnis van de politierechter waarin bewijsmiddel 4 uitsluitend een opgave bevat van de vindplaats in het dossier.
19. De tweede klacht betreft het gedeelte van de bewijsoverweging waarin het verweer (standpunt) dat de verklaring van [betrokkene 1] onbetrouwbaar is, wordt verworpen. Die verwerping is volgens de steller van het middel onvoldoende nauwkeurig nu wordt verwezen naar de Whatsappgesprekken, terwijl de inhoud daarvan ontbreekt in de bewijsmiddelen. Daarbij wordt een beroep gedaan op de zogenaamde bronjurisprudentie: de rechter die zich op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens beroept, dient met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en (b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Ingeval het feiten of omstandigheden betreft die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, dienen die stukken ter terechtzitting te zijn voorgelezen of moet daarvan aldaar de korte inhoud zijn medegedeeld.
20. Ik stel mij op het standpunt dat de klacht faalt, omdat door de door de wet toegestane opgave van bewijsmiddel 4 is voldaan aan het hierboven onder randnummer 19 vermelde vereiste onder (b). Ik wijs er ten overvloede op dat de bedoelde berichten zowel tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg als tijdens onderzoek in hoger beroep aan de orde zijn geweest.
21Beide in het tweede middel geformuleerde klachten falen.
22. Het derde middel klaagt over de motivering van de beslissing op het verweer van verdachte dat haar verklaring bij de politie onder druk c.q. ten gevolge van dwingende suggestieve vragen tot stand is gekomen. Zie voor die beslissing van het hof onder randnummer 5 hierboven.
23. Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 23 maart 2017 houdt als verklaring van verdachte onder meer in:
“U houdt mij voor dat dat ik op 12 juni 2014 tegenover de politie heb bekend dat ik valse aangifte heb gedaan. Tijdens mijn verhoor bij de politie had ik te maken met een nare vervelende verbalisant en ik ben toen onder druk gezet.”
24. Uit voormeld proces-verbaal van het hof blijkt dat de raadsman het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotitie. Het middel heeft kennelijk betrekking op de volgende passage uit de pleitnotitie:
“Haar verklaring bij de politie is op een onjuiste manier tot stand gekomen. Door [verbalisant] zijn enkel dwingende suggestieve vragen gesteld en ging hij er bij voorbaat van uit dat cliënte schuldig was. De verdediging kan na verhoor van deze agent niet anders dan bevestigen dat het om een zeer grote, dominant overkomende man gaat, dat sterkt bij de verdediging het gevoel dat het verhoor op soortgelijke wijze is afgenomen.
Cliënte is nooit in de gelegenheid geweest haar verhaal uit te leggen. Zo heeft zij nooit verklaard (en dus bekend) dat zij een valse aangifte heeft gedaan.
Conclusie
Zij heeft enkel bevestigd (wederom op een suggestieve vraag) dat als [verbalisant] dacht dat het vals is, het dan wel vals zou zijn, cliënte werd immers toch niet geloofd dat zij met ag in Amsterdam was.
Tot slot (…). Gezien voorstaande kan de lezing van cliënte niet als onaannemelijk terzijde worden geschoven.”
25. In het licht van hetgeen blijkens het proces-verbaal van het hof door en namens verdachte naar voren is gebracht, acht ik de motivering van de beslissing van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking:
- De verdachte klaagt in haar verklaring bij het hof weliswaar over een nare vervelende verbalisant en druk van de kant van die verbalisant, maar in haar verklaring bij het hof stelt verdachte zelf zich (anders dan in haar verklaring bij de politierechter) niet uitdrukkelijk op het standpunt dat haar verklaring bij de politie onjuist is.
- Aan hetgeen in de pleitnotitie wordt aangevoerd is geen andere conclusie verbonden dan dat haar lezing over de gang van zaken bij het verhoor door de politie niet als onaannemelijk ter zijde kan worden gesteld. Ik merk op dat indien de lezing van verdachte, zoals de verdediging wenst, aannemelijk wordt geacht bewijsuitsluiting nog niet het enige dwingende gevolg is. Dat er bewijsuitsluiting moet volgen, vermeldt de pleitnotitie niet en evenmin dat het optreden van de verhorende ambtenaar zodanig is geweest dat slechts bewijsuitsluiting in aanmerking komt.
- Er wordt in het verweer slechts gesteld dat er door de verhorende ambtenaar enkel (dus: uitsluitend) dwingende suggestieve vragen zijn gesteld en dat hij er bij voorbaat van uitging dat verdachte schuldig was. Gronden voor beide conclusies ontbreken in de pleitnotitie. De enkele omstandigheid dat de verdediging ‘gesterkt’ is in het ‘gevoel’ dat het verhoor op soortgelijke wijze is afgenomen vormt geen feitelijke grondslag, terwijl bovendien niet zonder meer duidelijk is wat hier wordt bedoeld met ‘soortgelijk’.
- In het midden blijft in het verweer waarom een bekentenis die is gegeven in de vorm van een bevestiging naar aanleiding van een vraag ontoelaatbaar is. Dat lijkt mij in het algemeen ook niet vol te houden. Dat die bevestiging hier het gevolg is van een suggestieve vraag wordt niet nader in het verweer onderbouwd. Volstaan wordt met de stelling.
26. Kennelijk voelt de steller van het middel ook wel aan dat de reactie van het hof op het verweer vanuit het cassatieperspectief niet onjuist of onbegrijpelijk is en daarom doet hij een beroep op doorbreking van de zogenaamde papieren muur (in zijn woorden: ‘een huzarenstukje waarvoor de Hoge Raad niet meer terugschrikt’). Ik stel mij op het standpunt dat feitelijke beoordeling van de vraag of verdachte uitsluitend ten gevolge van te suggestieve vragen heeft geantwoord hier niet aan de orde is. De Hoge Raad zou dan moeten kennisnemen van de processen-verbaal van verhoor, per vraag moeten beantwoorden of deze al dan niet suggestief is, bij eventuele suggestieve vragen moeten bezien of de vragen onaanvaardbaar (onrechtmatig) zijn geweest, of de onaanvaardbare vragen er toe leiden dat de antwoorden zonder meer van onwaarde zijn en van het bewijs moeten worden uitgesloten. Bij die aanpak zou de Hoge Raad het werk doen van een derde feitelijke instantie en dat is zeer onwenselijk.
27Het derde middel heeft geen kans van slagen.
28. De middelen falen. Het derde middel kan in ieder geval worden afgedaan met behulp van de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1654, NJ 2015/302: “Art. 188 Sr heeft betrekking op het geval dat aangifte of klacht is gedaan van een strafbaar feit met de wetenschap dat dit feit in het geheel niet is gepleegd (vgl. HR 2 maart 1902, W. 7735) met dien verstande dat voor toepassing van die bepaling voldoende is dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd (vgl. HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2981, NJ 2012/10).” Anders dan de steller van het middel (p. 5 van de schriftuur) leid ik uit het arrest uit 2011 waarnaar in deze overweging wordt verwezen niet af dat voor een valse aangifte is vereist dat de politie naar aanleiding van die aangifte ook daadwerkelijk actie heeft ondernomen.
De steller van het middel meent dat uit de aanvullende aangifte blijkt dat de benadeelde de oorspronkelijke aangifte niet heeft ‘gebillijkt’. Hij betoogt onder verwijzing naar HR 5 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AB9018, NJ 1985/471 dat bij ontbreken van een machtiging een namens een benadeelde gedane aangifte geldig kan zijn indien achteraf blijkt dat de benadeelde de aangifte billijkt. Ik lees dat niet in het vermelde arrest en laat het verder buiten beschouwing, omdat ik ervan uitga dat verdachte zelf (op eigen titel) aangifte heeft gedaan.
A.J. Blok en L.Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, Eerste deel, Haarlem: Tjeenk Willink 1925, p. 472. In de schriftuur wordt verwezen naar Noyon 1926, aant. 1 op art. 163, Melai aant. 5 bij art. 163 en impliciet HR 5 februari 1985, NJ 1985/471.
HR 25 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165 m.nt. Reijntjes. Zie ook HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70, m.nt. Borgers.