Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2018-07-10
ECLI:NL:PHR:2018:1104
Strafrecht
1,950 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 7 maart 2017 voor: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, veroordeeld tot een geldboete van € 400. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat het hof niet is ingegaan op het standpunt van de verdediging dat het doel van verdachte was om aangever te informeren en evenmin op de stelling dat het filmpje reeds op internet verspreid werd voordat verdachte het plaatste in de Telegram-groep Taxi New Only. Omdat verdachte producent noch bewerker van het filmpje is en alleen maar het filmpje heeft doorgezonden zonder opzet om te bedreigen kan dit niet het misdrijf van artikel 285 Sr opleveren. Het gaat te ver om via het bewuste aanvaarden van de aanmerkelijke kans hier te komen tot voorwaardelijk opzet. Dat bij aangever de redelijke vrees voor een misdrijf tegen het leven is ontstaan is onvoldoende omdat aangever om opheldering had kunnen vragen.
3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:
“hij op 6 februari 2015 te Amsterdam, een persoon, genaamd [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood, immers heeft hij opzettelijk een bewerkt (promotie)filmpje via Telegram verspreid, waaronder aan voornoemde [slachtoffer], waarbij die bewerking bestaat uit het toevoegen van vijf armen met een wapen gericht op het hoofd van voornoemde [slachtoffer] en de armen met het wapen meermalen op het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te laten schieten.”
3.3. Op deze bewezenverklaring heeft het hof een "Bespreking van een bewijsverweer" doen volgen met als inhoud:
“De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd – kort gezegd – dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging op de grond dat bij de verdachte het opzet ontbrak om de aangever vrees aan te jagen. De verdachte heeft, zo betoogt de raadsvrouw, het in de tenlastelegging bedoelde filmpje enkel ter informatie en ter waarschuwing van de aangever via de Telegram-groep Taxi News Only verspreid, terwijl het filmpje voorts niet bij de aangever de redelijke vrees kon doen ontstaan voor de verwezenlijking van het misdrijf waarmee werd gedreigd.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde werkzaam als taxichauffeur bij de Taxi [A]. Ook de aangever was als taxichauffeur werkzaam bij de Taxi [A], maar verrichtte tevens chauffeurswerkzaamheden voor Uber. Niet staat ter discussie dat de verdachte een bewerkt (promotie)filmpje van Uber waarin de aangever te zien is en waarin er meerdere malen op diens hoofd wordt geschoten via de Telegram-groep Taxi News Only – waarvan naar de verdachte wist ook de aangever deel uitmaakte – heeft verspreid.
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging is voor zover hier van belang vereist dat de bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan voor het misdrijf waarmee werd gedreigd.
Het hof acht het niet aannemelijk dat de verdachte het betreffende bewerkte filmpje enkel ter informatie en ter waarschuwing van de aangever via de Telegram-groep Taxi News Only heeft verspreid, nu de verklaring van de verdachte dat hij er wel een verklarende tekst bij geschreven moet hebben niet wordt ondersteund door de inhoud van het dossier en ook niet op enige andere wijze concreet en verifieerbaar is gemaakt.
Door aldus, zonder enige nadere tekst of uitleg, het betreffende filmpje via de Telegram-groep Taxi News Only te verspreiden heeft de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de aangever de redelijke vrees kon ontstaan voor het misdrijf waarmee werd gedreigd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de aard en de inhoud van het filmpje zonder meer bedreigend zijn, zodat daardoor in het algemeen de redelijke vrees voor het misdrijf waarmee werd gedreigd kon ontstaan, waarbij het hof opmerkt dat de aangever zich ook daadwerkelijk bedreigd voelde. Hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd, doet daaraan niet af.
Het hof verwerpt het verweer.”
3.4. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Voorwaardelijk opzet volstaat.
Een bedreiging kan erin bestaan dat direct en onomwonden een misdrijf wordt aangekondigd waarvan een ander slachtoffer zal worden maar bedreigingen kunnen ook worden verpakt in omfloersend taalgebruik of als een soort voorspelling of nieuwbericht worden gepresenteerd. Van internet kan worden gebruik gemaakt om zulke varianten bij een groter publiek, waaronder de erdoor getroffene, bekend te maken. Ook op YouTube gepubliceerde teksten, al dan niet gezongen, kunnen bedreigingen bevatten die dan met een beroep op artistieke vrijheid worden verdedigd.
Het hangt van de omstandigheden van het geval af, waaronder de bewoordingen, de achtergrond, de context, of een uiting of afbeelding in redelijkheid bij een andere de vrees kon doen ontstaan dat daadwerkelijk een misdrijf als genoemd in artikel 285 Sr zal worden gepleegd.
3.5. Een vergelijking van de onderhavige zaak met HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:24 kan misschien opheldering verschaffen over de wijze waarop de publicatie van verdachte beoordeeld moet worden. In die andere zaak was verdachte veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht omdat hij een computerspel dat door het hof als een bedreiging werd gezien, openbaar toegankelijk online had geplaatst. Verdachte had een zakelijk geschil met een bedrijf. Verdachte had een schietspel op een website geplaatst. Dat schietspel was ook terecht gekomen op een website die verwees naar het bedrijf. Verdachte wist niet hoe het spel terecht is gekomen op die website. De bestuurders van het bedrijf hebben op die website kennisgenomen van het schietspel. De inleiding van het schietspel bevatte misprijzende kwalificaties van de bestuurders van het bedrijf. Het schietspel zelf bestond erin dat op poppetjes en konijnen met de hoofden van de bestuurders moest worden geschoten om punten te verzamelen. Het hof overwoog dat de teksten en afbeeldingen en met name het doel van het spel van dien aard waren dat zij een bedreigend karakter hadden. De samenhang met de omstandigheid dat tussen verdachte en de aangevers een zakelijk geschil bestond brengt het hof ertoe aan te nemen dat bij aangevers de redelijke vrees kon ontstaan dat daadwerkelijk op hem geschoten zou worden.
In cassatie werd dit oordeel betwist. Mijn ambtgenoot mr. Vegter concludeerde tot verwerping van het beroep omdat de combinatie van de beelden en de in het spel gebruikte teksten degene op wie in dat spel geschoten moet worden de stuipen op het lijf kan jagen.
De Hoge Raad vernietigde evenwel en overwoog daartoe:
"2.3. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen (vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448).
2.4.