Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2017-11-10
ECLI:NL:PHR:2017:1401
Civiel recht
3,865 tokens
Conclusie
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Limburg
In deze Bopz-zaak is een machtiging tot voortgezet verblijf verleend. Er wordt geklaagd dat niet is voldaan aan het gevaarscriterium. Mocht de rechtbank voor het gevaar verwijzen naar een beschikking betreffende dezelfde patiënt uit 2013, die in eerste aanleg niet was overgelegd? Daarnaast wordt opgeworpen dat de locatie waar betrokkene verbleef (nog) niet op de voet van art. 1, lid 1 onder h, Wet Bopz was aangemerkt als een ‘psychiatrisch ziekenhuis’.
Feiten
1.1
Verzoekster tot cassatie (geboren in 1942, hierna: betrokkene) is op grond van een rechterlijke machtiging met een looptijd tot 28 juni 2017 opgenomen in een inrichting van Mondriaan Zorggroep.
1.2
Bij verzoekschrift, ter griffie van de rechtbank Limburg ingekomen op 6 juni 2017, heeft de officier van justitie verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis (zie art. 15 – 17 Wet Bopz). Volgens dit verzoekschrift verbleef betrokkene toen op de locatie Wijerode te Heerlen van Mondriaan Zorggroep. Bij het verzoekschrift was een op 2 juni 2017 ondertekende geneeskundige verklaring gevoegd van [betrokkene 1], geneesheer-directeur Mondriaan Zorggroep. Deze heeft betrokkene met het oog hierop laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 2].
1.3
Op 19 juni 2017 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, de verpleegkundig specialist [betrokkene 3], mr. N.A.H.A. van den Hof in haar hoedanigheid van mentor van betrokkene en de zus van betrokkene.
1.4
Bij beschikking van 19 juni 2017 heeft de rechtbank machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van ten hoogste een jaar.
1.5
Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 19 juni 2017. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer overwogen:
“Uit de overgelegde stukken en de door de rechtbank tijdens de hoorzitting verkregen inlichtingen blijkt dat bij betrokkene sprake is van stoornissen (schizofrenie van het ongedifferentieerde type en waanstoornissen), deze stoornissen van de geestvermogens de betrokkene gevaar (als in de geneeskundige verklaring in rubriek 4 nader omschreven) doen veroorzaken en het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de beschikking van 1 juli 2013 (C/03/181882/BZ RK 13/383) van deze rechtbank en is van oordeel dat het daarin beschreven gevaar voor ernstige verwaarlozing van betrokkene, welk gevaar veroorzaakt wordt door de stoornis nog onverminderd aanwezig is. In de geneeskundige verklaring is expliciet verwezen naar de situatie in 2013.”
2.2
Onderdeel I klaagt dat de rechtbank de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, zoals neergelegd in art. 19 Rv, heeft miskend door haar oordeel (mede) te baseren op de genoemde beschikking van 1 juli 2013. Die beschikking maakt volgens de klacht geen onderdeel uit van de gedingstukken en is niet ter kennis van betrokkene en haar advocaat gebracht, zodat zij geen gelegenheid hebben gehad om zich uit te laten over de inhoud daarvan, in het bijzonder wat betreft daarin omschreven gevaar. Zonder kennisneming van die eerdere beschikking is het oordeel m.b.t. het gevaar volgens de klacht niet begrijpelijk.
2.3
Art. 15 lid 2 Wet Bopz bepaalt dat een machtiging tot voortgezet verblijf slechts kan worden verleend indien naar het oordeel van de rechter (a) de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en deze stoornis betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken, en (b) het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend. Het begrip ‘gevaar’ is omschreven in art. 1 lid 1 Wet Bopz.
2.4
Procesverloop
2.5
Voor zover uit de bestreden beschikking en uit de overgelegde gedingstukken blijkt, is de beschikking van 1 juli 2013 noch als bijlage bij het inleidend verzoekschrift gevoegd, noch in eerste aanleg anderszins in het geding gebracht. Bij de beoordeling van deze klacht in cassatie moet daarom worden uitgegaan van de veronderstelling dat de rechtbank de beschikking van 1 juli 2013 ambtshalve heeft geraadpleegd dan wel heeft geput uit eigen wetenschap van de rechter. De in dit middelonderdeel opgeworpen rechtsvraag doet denken aan de beslissing van de Hoge Raad in een schuldsaneringszaak waarin de burgerlijke rechter ambtshalve een uittreksel uit het justitieel documentatieregister had opgevraagd. De Hoge Raad overwoog toen:
“In verband met de eisen van hoor en wederhoor zal de rechter eventuele uit het uittreksel blijkende contra-indicaties voor toepassing van de schuldsaneringsregeling (of indicaties om deze te beëindigen) tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek met de schuldenaar moeten bespreken om hem in de gelegenheid te stellen daarop te reageren, dan wel hem in de gelegenheid te stellen om daarop naderhand tijdens een voortgezette behandeling te reageren.” (rov. 3.6.8)
Uit een oogpunt van continuïteit van opeenvolgende rechterlijke beoordelingen of uit een oogpunt van zorgvuldig onderzoek kan het nuttig of zelfs aangewezen zijn dat de rechter, zo nodig ambtshalve, kennis neemt van een eerdere beschikking betreffende dezelfde patiënt ten aanzien van wie een Bopz-machtiging is verzocht. Indien de rechter in het nadeel van de patiënt van deze mogelijkheid gebruik maakt, behoren de betrokken patiënt en diens advocaat gelegenheid te krijgen om zich uit te spreken over die informatie. In lijn hiermee ligt de beslissing in HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2383, NJ 2017/353. Daar ging het om door de deskundige gebruikte oudere medische rapporten over de patiënt, waarvan de (advocaat van de) betrokkene geen kennis had kunnen nemen met het oog op de nieuw te behandelen zaak.
2.6
Zo duidelijk als deze hoofdregel is, zo onduidelijk is het antwoord op de vraag welk belang betrokkene in dit geval nog heeft bij deze klacht. In de eerste zin van de aangehaalde overweging komt de rechtbank tot het oordeel dat aan de vereisten voor een machtiging tot voortgezet verblijf is voldaan. De verwijzing naar rubriek 4 van de geneeskundige verklaring omvat drie soorten gevaar voor betrokkene: (1) gevaar dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen; (2) gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat en (3) gevaar dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen (o.a. door ondervoeding). Dit laatste gevaar is in de geneeskundige verklaring als het belangrijkste aangekruist. De geneeskundige verklaring vermeldt onder 4 dat betrokkene in 2013 “in een zeer deplorabele toestand” werd opgenomen. In de decursus rapportage zijn verdere details van de opname in 2013 vermeld (zoals: “patiënte was ondervoed en deed psychotische uitspraken over vergiftigd eten”). In de pleitnota in eerste aanleg is de gedwongen opname in 2013 vermeld en is aan deze onderscheiden vormen van gevaar ruimschoots aandacht besteed. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de geneeskundige verklaring. Ter zitting heeft de verpleegkundige nog gezegd dat betrokkene in 2013 werd opgenomen met een uiterst laag lichaamsgewicht. De verwijzing naar de beschikking uit 2013 heeft in de redengeving van de rechtbank geen andere betekenis dan een nadere aanduiding wat het gevaar van ernstige zelfverwaarlozing anno 2017 concreet inhoudt, namelijk het risico dat betrokkene buiten een psychiatrisch ziekenhuis in een toestand raakt die vergelijkbaar is met de deplorabele toestand waarin zij in 2013 onvrijwillig werd opgenomen. Zo beschouwd, heeft de bestreden verwijzing naar de beschikking van 1 juli 2013 het karakter van een overweging ten overvloede. Bij deze uitleg behoeft onderdeel I niet tot cassatie te leiden.
2.7
Onderdeel II klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat de stoornis van betrokkene gevaar veroorzaakt, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting in elk geval zonder nadere motivering, onbegrijpelijk is. De uit de gedingstukken naar voren komende feiten zijn, mede gelet op de inhoud van het gevoerde verweer, volgens de klacht onvoldoende sprekend om te rechtvaardigen dat in de beschikking met een summiere motivering wordt volstaan.
2.8
De geneeskundige verklaring en de decursus rapportage vermelden frequente dwangmatige (obsessieve) gedragingen van betrokkene. Omdat een gedragsmatige aanpak geen effect had, is gedurende het onvrijwillig verblijf dwangbehandeling met medicatie toegepast. De niet bij de behandeling betrokken psychiater is in de geneeskundige verklaring tot de volgende diagnose gekomen:
“Psychotisch toestandsbeeld met somatische waan en obsessieve compulsieve stoornis bij een vrouw gekend met een schizofrenie van het ongedifferentieerde type.”
2.9
Het door de stoornis veroorzaakte gevaar is nader omschreven in rubriek 4.b van de geneeskundige verklaring:
“Het gevaar op ernstige verwaarlozing (o.a. ondervoeding) waarbij zonder ingrijpen betrokkene zichzelf hierdoor ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen. Het gevaar op maatschappelijke teloorgang, waarbij het belangrijk is mee te nemen dat betrokkene eveneens een steunsysteem (zus en zwager) heeft dat ontkent dat er sprake is van psychoticiteit bij betrokkene en daardoor eveneens niet in staat geacht worden de gevaren te overzien. In 2013 werd betrokkene reeds bij betrokkenheid van hetzelfde steunsysteem met een rechterlijke machtiging opgenomen. Het systeem hield daarbij ook verdere zorg af.”
Onder 4.d merkt de psychiater op dat betrokkene geen ziektebesef heeft en bij het opheffen van het gedwongen kader meteen zal stoppen met de medicatie en ook met ontslag wil gaan. Het verweer dat met thuishulp het gevaar kan worden afgewend, heeft de rechtbank kennelijk niet als een reële mogelijkheid gezien. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Onder 6a staat in de geneeskundige verklaring dat het “reeds in een opgenomen setting moeizaam [is] om grip te krijgen op het toestandsbeeld, zoals blijkt uit de voorgeschiedenis, zelfs bij een gedwongen kader.”
2.10
De rechter mag volstaan met een verwijzing naar bepaalde gedingstukken, mits de daaruit naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om voor de lezer duidelijk te maken op welke grond(en) de rechter heeft aangenomen dat aan de wettelijke vereisten m.b.t. het gevaar is voldaan. Hieraan getoetst, voldoet de motivering ten aanzien van het gevaar aan de daaraan te stellen eisen. De rechtbank heeft niet volstaan met een verwijzing naar de wettekst, maar is inhoudelijk ingegaan op de vereiste stoornis en het vereiste gevaar. Het oordeel van de rechtbank is overigens niet onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt.
2.11
Onderdeel II-
bis is naar voren gebracht in het aanvullend cassatierekest. De klacht houdt in dat de rechtbank heeft miskend dat een machtiging tot voortgezet verblijf slechts kan worden verleend indien de betrokkene op grond van een rechterlijke machtiging verblijft in een ‘psychiatrisch ziekenhuis’ in de zin van art. 1 Wet Bopz. Voor zover de rechtbank ervan is uitgegaan dat betrokkene op 19 juni 2017 in een als zodanig aangemerkt psychiatrisch ziekenhuis verbleef, geeft dit oordeel volgens de klacht blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de aanmerking, althans is onbegrijpelijk dat de rechtbank zonder nader onderzoek tot dit oordeel is gekomen: volgens de toelichting op deze klacht is Wijerode (Mondriaan Ouderen) aan de Kloosterkerkensweg 10 te Heerlen eerst met ingang van 2 augustus 2017 aangemerkt als een ‘psychiatrisch ziekenhuis’ in de zin van de wet.
2.12
Op grond van art.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar de rechtbank Limburg.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
plv
Het verzoekschrift is op 7 september 2017 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad. Op 18 september 2017, dus binnen de cassatietermijn, is een aanvullend cassatieverzoekschrift ingekomen ter griffie van de Hoge Raad. Van beide verzoekschriften is een afschrift aan de officier van justitie verzonden. Zie over de vraag of een aanvulling van het middel binnen de cassatietermijn verenigbaar is met een goede procesorde: HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1112, NJ 2007/132 m.nt. J. Legemaate (rov. 4.7), met verdere vindplaatsen in de daaraan voorafgaande conclusie; zie nadien nog HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:505.
Deze hoofdregel geldt ook wanneer het desbetreffende bescheid een rechterlijke uitspraak is, waaraan de rechter gegevens van feitelijke aard ontleent: vgl. HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2879, NJ 2017/15 in een onteigeningszaak.
Zie onder meer: HR 16 april 1999, NJ 1999/432; HR 1 oktober 1999, NJ 1999/779 (rov. 3.3); HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6381.
Ter vergelijking: het Procesreglement civiel jeugdrecht (versie 2017, punt 2.4.9) bepaalt dat bij het verzoekschrift tot verlenging van een ondertoezichtstelling, onder meer een afschrift moet worden overgelegd van de beschikking waarvan verlenging wordt verzocht.
Waarover: E.M. Wesseling-van Gent, Eigen wetenschap van de rechter, NJB 1988, blz. 1118 – 1121.
HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2837.
Bijvoorbeeld om te controleren op welke datum de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging verstreek. Zie ook: E.L. Schaafsma-Beversluis, noot onder Rb. Groningen 18 mei 2005, BJ 2005/30.
Zie W.J.A.M. Dijkers, SDU-commentaar Wet Bopz, art. 8, onder C.5.3.2; HR 5 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC3128, NJ 2000/64.
Zie p. 1 van het proces-verbaal.
Zie voor dit criterium: alinea 2.10 hierna.
Zie de geneeskundige verklaring onder 3c.
HR 4 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2166, NJ 1997/359 m.nt. JdB; HR 16 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7233, NJ 1998/221 m.nt. JdB. Zie voor een geval waarin de motivering tekort schoot: HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4771, NJ 2000/260.
Het aanvullend cassatierekest verwijst naar Stcrt. 2017, 45788.
Zie ook art. 15 lid 1 Wet Bopz voor een machtiging tot voortgezet verblijf in aansluiting op een voorlopige machtiging.
Zie HR 24 maart 2006, ECLI:NL:HR:AU8186, NJ 2006/218, BJ 2006/23 m.nt. W. Dijkers; HR 26 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4776, BJ 2007/45 en HR 1 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3036, BJ 2007/33.