Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2015-01-23
ECLI:NL:PHR:2015:65
Civiel recht
1,992 tokens
=== CONCLUSIE ===
Oracle Nederland B.V.
(hierna: Oracle)
eiseres tot cassatie
advocaat: mr. J.P. Heering
tegen
Westinvest Gesellschaft für Investmentsfonds MBH
(hierna: Westinvest)
verweerster in cassatie
niet verschenen
1. In bovenstaande zaak, die ter rolzitting van 19 december 2014 voor de eerste maal heeft gediend, werd de conclusie op verstek ter rolzitting van 9 januari 2015 bepaald op heden.
2. Het exploot van dagvaarding is op 26 november 2014 op de voet van art. 63 Rv betekend. Daarbij is Westinvest gedagvaard tegen de zitting van 19 december 2014. De in acht genomen termijn van dagvaarden bedraagt derhalve ruim drie weken, maar minder dan vier weken.
3. Westinvest is volgens het exploot van dagvaarding gevestigd te Düsseldorf (Duitsland), derhalve in een staat waar Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (hierna: Betekeningsverordening II) van toepassing is.
4. Art. 115 lid 1 Rv bepaalt de termijn van dagvaarden van een gedaagde met een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf buiten Nederland in een staat waar de hiervoor bedoelde verordening van toepassing is, op vier weken. Eenzelfde termijn geldt volgens die bepaling voor het dagvaarden van een gedaagde met een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf buiten Nederland in een staat die in Europa is gelegen en die partij is bij het op 15 november 1965 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken (hierna: Haags Betekeningsverdrag). Art. 115 lid 2 betreft het geval dat de gedaagde noch in Nederland, noch in een staat als bedoeld in het eerste lid, een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft; in dat geval is de termijn van dagvaarding ten minste drie maanden. Op grond van art. 115 lid 3 Rv is de termijn van dagvaarden in afwijking van de leden 1 en 2 ten minste één week, onder meer indien het exploot in Nederland wordt gedaan “aan een door de gedaagde voor deze zaak gekozen woonplaats”.
5. Volgens art. 63 Rv kan een exploot waarbij beroep in cassatie wordt ingesteld, ook worden gedaan aan het kantoor van de advocaat bij wie degene voor wie het exploot is bestemd, laatstelijk ter zake woonplaats heeft gekozen, mede in het geval dat deze een bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf heeft in een staat waar de hiervoor genoemde verordening van toepassing is.
6. Bij de parlementaire behandeling van Wet van 29 mei 2009 tot wijziging van de Uitvoeringswet EG-betekeningsverordening ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1393/2007 is daarover onder meer het volgende opgemerkt:
“Bij de onderhandelingen over de nieuwe verordening 1393/2007 is expliciet aan de orde geweest of in gevallen waarin het nationale recht betekening aan de gemachtigde in de vorige instantie toestaat, de verordening van toepassing is. De leden van de raadswerkgroep en de vertegenwoordigers van de Commissie waren van oordeel dat dit niet het geval is omdat hier niet sprake is van een situatie waarin een stuk «van een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden ter betekening of kennisgeving aldaar» (artikel 1, eerste lid, verordening, op dit punt ongewijzigd ten opzichte van verordening 1348/2000). Om dit te verduidelijken, mede met het oog op de Nederlandse situatie van artikel 63, eerste lid, Rv en de interpretatie van de Hoge Raad van verordening 1348/2000 en artikel 56 Rv, is overweging 8 in verordening 1393/2007 opgenomen. Daarin wordt expliciet gemeld dat de verordening «niet van toepassing [is] op de betekening en de kennisgeving van een stuk aan de gevolmachtigde vertegenwoordiger van de partij in de lidstaat waar de procedure plaatsvindt, ongeacht de woonplaats van die partij».
Ter uitvoering hiervan wordt voorgesteld de tweede volzin van artikel 56, derde lid, Rv te schrappen. Daarnaast bevat het wetsvoorstel een voorstel voor een toevoeging aan artikel 63, eerste lid, Rv, inhoudend dat de betekening aan de advocaat of deurwaarder in vorige instantie overeenkomstig die bepaling mogelijk is, ook als het stuk bestemd is voor een persoon die een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in een andere Staat waar de verordening 1393/2007 van toepassing is (zie ook de toelichting op Artikel II, onderdeel C, hierna).
(…)
Om recht te doen aan de realiteit dat voor de oproeping van een gedaagde in het buitenland, ook als dit door de advocaat in vorige instantie van die partij gebeurt, meer tijd nodig is (bijvoorbeeld door de noodzaak van een vertaling), blijft het voorschrift van artikel 115 Rv ongewijzigd. Deze bepaling houdt in dat de dagvaardingstermijn voor een gedaagde met een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf in een Staat waar de verordening respectievelijk het Haags betekeningsverdrag van toepassing is, vier weken bedraagt. Het derde lid van artikel 115 Rv bevat een afwijkende termijn van zeven dagen voor gevallen waarin aan de gedaagde in persoon wordt betekend of aan een door de gedaagde gekozen woonplaats in Nederland. Bij de gekozen woonplaats, bedoeld in dit artikel, gaat het om een woonplaatskeuze op de voet van artikel 1:15 BW, dat wil zeggen een woonplaatskeuze omdat de wet daartoe verplicht of bij overeenkomst. Bij betekening aan de laatstelijk gekozen (en inmiddels uitgewerkte, artikel 79, tweede lid, Rv) woonplaats van de gedaagde overeenkomstig artikel 63, eerste lid, Rv is van een dergelijke woonplaatskeuze op de voet van artikel 115 Rv geen sprake. Op een dergelijke betekening is daarom de termijn van vier weken, bedoeld in het eerste lid van artikel 115 Rv van toepassing.
In gevallen waarin het te betekenen stuk bestemd is voor iemand met een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf in een Staat (waar) het Haags betekeningsverdrag van 15 november 1965 van toepassing is, blijft de huidige situatie vooralsnog ongewijzigd. Mocht in de toekomst een zodanig geval aan de Hoge Raad worden voorgelegd, dan kan de Hoge Raad uitmaken of de aangepaste verordening en de wijziging van artikel 63, eerste lid, Rv aanleiding voor hem zijn om zijn uitleg van het Haags betekeningsverdrag op dit punt te herzien.”
7. Naar de opvatting van de regering, zoals weergegeven in het hierboven opgenomen citaat, zou in een geval als het onderhavige (gedaagde met een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf in een staat waar de Betekeningsverordening II van toepassing is) óók bij een betekening op de voet van art. 63 Rv de termijn van dagvaarding derhalve vier weken (art. 115 lid 1 Rv) en niet slechts één week (art. 115 lid 3 Rv) bedragen.
8. In HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4952, NJ 2011/369 m.nt. M.V. Polak, is echter beslist dat, bij dagvaarding op de voet van art. 63 Rv van een gedaagde met een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf buiten Nederland in een staat die weliswaar partij is bij het Haags Betekeningsverdrag maar buiten Europa is gelegen, niet het tweede maar het derde lid van art. 115 Rv van toepassing is en de termijn van dagvaarding mitsdien niet drie maanden, maar slechts één week bedraagt. De Hoge Raad overwoog onder meer:
“2.3 De kantoorbetekening op de voet van art. 63 Rv valt buiten het toepassingsbereik van het Haags Betekeningsverdrag, dat het aan het interne recht van de Staat van herkomst overlaat te bepalen of het stuk ter betekening naar het buitenland moet worden gezonden (vgl. HR 2 februari 1996, LJN ZC1982, NJ 1997/26NJ 1997/26 en HR 4 februari 2011, LJN BP0006).