Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2015-09-08
ECLI:NL:PHR:2015:2109
Strafrecht
2,033 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 7 augustus 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “mishandeling”, veroordeeld tot dertig dagen gevangenisstraf.
Er bestaat samenhang met de zaak 14/04327. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.
In het eerste middel wordt geklaagd dat de afwijzing van het verzoek om [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] als getuige te horen onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.
Bedoeld verzoek is in eerste instantie gedaan bij de (niet binnen de daarvoor in art. 410 lid 1 Sv gestelde termijn ingediende) appelschriftuur van 28 augustus 2012, en houdt in:
“Gezien artikel 418 Sv zie ik mij voorts genoodzaakt thans reeds opgave te doen van de getuigen die in hoger beroep in het belang van de verdediging zouden moeten worden gehoord. De verdediging wenst als getuigen te horen alle personen die voorkomen in het dossier en/of gehoord zijn door de politie en/of die belastend dan wel ontlastend over cliënt hebben verklaard en/of wier verklaringen door de rechtbank voor het bewijs zijn gebruikt. Hieronder schaart cliënt in ieder geval de verbalisanten die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het dossier.
In het bijzonder betreffen dit de volgende personen:
- [getuige 1]
- [getuige 2]
- [getuige 3]
- [getuige 4]”
6. Het verzoek is kennelijk voorafgaand aan de terechtzitting van 15 oktober 2013 bij fax van 4 oktober 2013 herhaald en op die terechtzitting heeft de raadsman blijkens de aldaar overgelegde pleitnotitie het verzoek als volgt toegelicht:
“4. Client stelt uit noodweer dan wel noodweerexces te hebben gehandeld. Om dit verweer daadwerkelijk goed te kunnen voeren en vervolgens te beoordelen, is van essentieel belang dat de feiten omtrent de aanleiding en het vervolg van het incident inzichtelijk worden.
5. De getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] hebben reeds een verklaring bij de politie afgelegd. Nu zij op essentiële onderdelen tegenstrijdig aan het verhaal van cliënt maar ook ten opzichte van elkaar verklaren over hetgeen er zou hebben plaatsgevonden, is het noodzakelijk om hen hierover te bevragen en hen met deze tegenstrijdigheden te confronteren. Dit is van cruciaal belang voor het onderzoek naar de materiële waarheid.
6. In dat licht bezien is het dan ook noodzakelijk deze vier opgegeven getuigen te horen, omdat door het achterwege laten daarvan cliënt in zijn verdedigingsrecht wordt geschaad.”
7. Het hof heeft dat verzoek, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 oktober 2013, als volgt afgewezen:
“Op de verzoeken van de verdediging is het noodzaakcriterium van toepassing, gelet op het tijdstip van indiening daarvan. Het hof acht onvoldoende argumenten door de verdediging aangevoerd om af te wijken van beoordeling van de verzoeken aan de hand van dit criterium. Het hof wijst deze verzoeken af, nu er geen noodzaak aanwezig is de door de verdediging gevraagde getuigen te horen.”
8. Nu de appelschriftuur niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend, kan deze niet worden aangemerkt als een schriftuur inhoudende opgave van getuigen in de zin van art. 410 lid 3 Sv. Op daarin gedane en nadien herhaalde verzoeken is daarom het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. Het hof heeft die maatstaf toegepast en daarover wordt in het middel terecht niet geklaagd.
9. Ten aanzien van de toetsing van de begrijpelijkheid van (de motivering van) het oordeel van het hof geldt het volgende. In cassatie is de vraag aan de orde of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Daarbij kan de begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts marginaal worden getoetst.
10. Het hof heeft als motivering van de afwijzing van de verzoeken alleen overwogen dat er geen noodzaak aanwezig is de door de verdediging gevraagde getuigen te horen. Hoewel summier, is die motivering in het licht van hetgeen aan de verzoeken ten grondslag is gelegd mijns inziens voldoende en niet onbegrijpelijk. De verzoeken zijn in de appelschriftuur immers in het geheel niet gemotiveerd, terwijl op de terechtzitting van 15 oktober 2013 alleen in zijn algemeenheid ter motivering is aangevoerd dat genoemde getuigen op essentiële onderdelen tegenstrijdig ten opzichte van verdachte maar ook van elkaar verklaarden over hetgeen zou hebben plaatsgevonden en dat het, kennelijk in het kader van het door de verdediging te voeren noodweer(exces)verweer, noodzakelijk was om hen daarover te bevragen en hen met die tegenstrijdigheden te confronteren. Op welke ‘essentiële onderdelen’ sprake is van tegenstrijdigheden en welke gevolgen daaraan eventueel zouden moeten worden verbonden is door de verdediging niet aangegeven.
11. De verklaringen van genoemde getuigen komen in zoverre overeen dat zij alle in de kern erop neerkomen dat er een vechtpartij is ontstaan tussen verdachte en het slachtoffer en er over en weer klappen zijn gevallen waarbij verdachte met zijn vuisten het slachtoffer in diens gezicht heeft geslagen. Gelet daarop en nu de raadsvrouw voor het overige ook niet heeft aangegeven waarover genoemde getuigen nogmaals gehoord zouden moeten worden, heeft het hof kunnen oordelen dat het verzoek onvoldoende was gemotiveerd om de noodzaak van het verzochte aan te nemen. Van de verdediging mag immers worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. De afwijzing van de verzoeken acht ik dan ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.
12. Het middel faalt.
13. In het tweede middel wordt geklaagd over de motivering van de verwerping van het verweer dat verdachte handelde uit noodweer, subsidiair noodweerexces.
14. Het bestreden arrest houdt daaromtrent in:
“Namens verdachte is een beroep gedaan op noodweer, subsidiair noodweerexces. Ter onderbouwing van dit beroep is aangevoerd dat verdachte een kopstoot kreeg van aangever en daarna door aangever werd geslagen. Verdachte zou zich hebben verdedigd tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van aangever.
Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij geschreeuw uit de woonkamer hoorde. Zij ging naar de woonkamer en zag verdachte en aangever tegenover elkaar staan. Ze hoorde dat beide mannen tegen elkaar zeiden dat ze zouden gaan vechten. Vervolgens zag ze dat verdachte en aangever aan het duwen en trekken waren.
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij hoorde dat verdachte en aangever een woordenwisseling hadden en dat zij elkaar bleven opzoeken. Zij zag dat ze op elkaar begonnen in te slaan.
De door de verdediging gestelde feiten zijn, gezien de inhoud van de hierboven vermelde verklaringen, niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt daarom het beroep op noodweer dan wel noodweerexces.”
15. Voor zover in de toelichting op het middel onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 9 april 2014 wordt gesteld dat het hof in het ongewisse heeft gelaten of het de gestelde feitelijke toedracht niet aannemelijk heeft geacht, of dat het hof van oordeel was dat die toedracht een beroep op noodweer niet rechtvaardigde, faalt het. Mijns inziens kan uit hetgeen het hof heeft overwogen zonder meer volgen dat het hof de door de verdediging gestelde feitelijke toedracht, te weten dat verdachte een kopstoot kreeg van aangever en door aangever werd geslagen waartegen verdachte zich zou hebben verdedigd, niet aannemelijk heeft geacht.