Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2014-05-16
ECLI:NL:PHR:2014:440
Civiel recht; Insolventierecht
512 tokens
Conclusie
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
(hierna [verzoekster]).
1. Het voorliggende cassatieberoep richt zich tegen de beslissing van het gerechtshof Amsterdam (arrest van 1 april 2014) om de in eerste aanleg uitgesproken tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (vonnis van 29 januari 2014) te bekrachtigen. Het hof was met de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van verscheidene uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.
2 Het cassatieverzoekschrift dat namens [verzoekster] door mr. P.A. van der Waal op 9 april 2014 is ingediend voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, aangezien het niet is ingediend noch is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit gebrek is hersteld door indiening op 11 april 2014, derhalve binnen twee weken, van hetzelfde verzoekschrift met ondertekening door een advocaat bij de Hoge Raad (vgl. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:BI0773).
3 Beide in het verzoekschrift opgeworpen middelen voldoen evenwel niet aan de eraan te stellen eisen. De middelen bevatten motiveringsklachten die niet met bepaaldheid en precisie vermelden welke beslissing of overweging uit het uitvoerig gemotiveerde arrest van het hof onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom. Voorts zijn de motiveringsklachten gebaseerd op stellingen die in feitelijke instanties zijn aangevoerd, maar zijn de vindplaats(en) van die stellingen in de stukken van het geding niet vermeld. Het gevolg hiervan is dat [verzoekster] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar cassatieberoep (zie art. 407 lid 2 Rv en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639).
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G