Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2014-11-18
ECLI:NL:PHR:2014:2699
Strafrecht
2,032 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
1. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 juni 2013 het ten laste van verdachte gewezen vonnis van de Rechtbank bevestigd, behalve ten aanzien van de oplegging van de straf en de strafmotivering, de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 1] en de vermelde toepasselijke wetsartikelen. Aldus is verdachte ter zake van “mishandeling” (driemaal) en “zware mishandeling” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest en tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 299,00 toegewezen en is verdachte in zoverre een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, subsidiair 5 dagen jeugddetentie. Tevens is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 1.242,18, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 23 april 2011 toegewezen en is verdachte in zoverre een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, subsidiair 22 dagen hechtenis.
2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.A. Nunnikhoven, advocaat te Tilburg, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van de in de zaak met parketnummer 02-666280-11 tenlastegelegde zware mishandeling ontoereikend heeft gemotiveerd, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.
3.2. Ten laste van verdachte is in zoverre bewezen verklaard dat:
“hij op 23 april 2011 te [plaats], aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, een gebroken en scheefstaande neus, heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een boksbeugel tegen zijn neus te slaan.”
3.3. Het Hof heeft het vonnis onder meer ten aanzien van de bewezenverklaring en bewijsvoering bevestigd. De bewezenverklaring steunt op de volgende - door het Hof bevestigde - bewijsvoering:
“Op 23 april 2011 is [slachtoffer 1] te [plaats] op zijn neus geslagen. Aangever heeft verklaard dat verdachte hem met een boksbeugel heeft geslagen. Aangever voelde pijn aan zijn neus. Zijn neus was gebroken en stond scheef. Zijn neus is rechtgezet middel een operatie.
Getuige [getuige] heeft gezien dat verdachte aangever heeft geslagen. Volgens de getuige zou dit op het hoofd van aangever zijn geweest.
Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat de broer van de verdachte voor verdachte is aangezien oordeelt de rechtbank dat dit verweer ongeloofwaardig is nu aangever verdachte kent en ook de broer van verdachte kent. Het is dan ook niet aannemelijk dat aangever verdachte en de broer van verdachte door elkaar heeft gehaald. Voor wat betreft het gebruik van een boksbeugel volgt de rechtbank de verklaring van aangever. Voorts acht de rechtbank anders dan de verdediging de getuigenverklaring van [getuige] wel geloofwaardig nu de verklaring van aangever en die van [getuige] overeenkomen en [getuige] zichzelf belast in zijn eigen verklaring. Het verweer van de verdediging zal dan ook worden gepasseerd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard."
3.4. Het Hof heeft onder “Aanvullende overwegingen omtrent het bewijs” in zijn arrest in aanvulling hierop nog het volgende overwogen:
“De raadsman heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 02-666280-11 tenlastegelegde.
De door de raadsman in hoger beroep aangevoerde gronden zijn in wezen gelijk aan hetgeen door de verdediging in eerste aanleg is betoogd en brengen het hof niet tot andere overwegingen of een ander oordeel dan de rechtbank. Het hof verenigt zich derhalve ook met de bewezenverklaring en de bewijsvoering van de rechtbank.
Het hof voegt hier nog de volgende overweging aan toe.
De raadsman heeft in hoger beroep aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de mishandeling van [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, zodat verdachte van de zware mishandeling dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van een andere kwalificatie.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Buiten de in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht opgesomde gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt, heeft de rechter de vrijheid om het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen indien dat voldoende ernstig is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. De aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel kunnen bij die beoordeling een rol spelen.
Uit de medische verklaring van geneeskundige [betrokkene 1], werkzaam als KNO-arts bij het Amphia ziekenhuis is gebleken dat bij [slachtoffer 1] sprake was van een neusfractuur. Uitwendig was dit zichtbaar door een scheefstand van de neus naar rechts. Uit de stukken die zijn gevoegd bij de vordering van de benadeelde partij is het hof gebleken dat operatief ingrijpen noodzakelijk was, waarbij [slachtoffer 1] op 29 april 2011 onder algehele narcose een neusoperatie heeft ondergaan. [slachtoffer 1] heeft schriftelijk verklaard dat hij na de operatie erg veel pijn heeft gehad aan zijn gezicht. Voorts blijkt uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij dat [slachtoffer 1] na de operatie drie weken niet naar school is geweest. Zes weken lang heeft hij zijn sport niet kunnen beoefenen. Voorts heeft het slachtoffer ongeveer tot tien weken na het incident last gehad van hoofdpijnklachten.
Gelet op het bovenstaande, de aard van het letsel, de noodzaak en de aard van het medisch ingrijpen en de herstelperiode van het slachtoffer, is het hof van oordeel dat er sprake is zwaar lichamelijk letsel. Het verweer wordt verworpen.”
3.5. Art. 82 Sr bevat een opsomming van gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Deze opsomming is evenwel niet limitatief, zodat die bepaling de rechter de vrijheid laat om ook buiten die gevallen het letsel als zwaar te betitelen, indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Dat er geen sprake is van één van de gevallen als genoemd in art. 82 Sr, zoals de steller van het middel voorstaat, doet derhalve niet ter zake, nu in dat artikel een uitbreiding is gegeven aan het begrip "zwaar lichamelijk letsel", zonder dit begrip zelf te definiëren.
Het bovenstaande brengt mee dat de beantwoording van de vraag of een bepaald letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, zodat zijn oordeel dienaangaande in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Zo zal de Hoge Raad kunnen ingrijpen, indien uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
3.6. De Hoge Raad heeft reeds in verscheidene arresten uitgemaakt dat een gebroken neus niet zonder meer zwaar lichamelijk letsel oplevert. Uit de bewijsvoering zal nader moeten blijken omtrent de aard van de breuk, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
3.7. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de neus van het slachtoffer ten gevolge van een door verdachte gegeven klap (met een boksbeugel) was gebroken en scheef was komen te staan. Dat het opgelopen neusletsel voor het slachtoffer als ontsierend kan worden beschouwd lijkt mij evident.
Voorts blijkt uit de tot het bewijs gebezigde geneeskundige verklaring (voetnoot 11 van het in zoverre bevestigde vonnis) dat chirurgisch ingrijpen nodig is geweest om de neus recht te zetten.