Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2014-11-11
ECLI:NL:PHR:2014:2542
Strafrecht
2,045 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 12 maart 2013 de verdachte wegens “mishandeling”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
2. Namens verdachte heeft mr. P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie laten instellen, en heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld
3. Het middel behelst de klacht dat het Hof niet bevoegd was kennis te nemen van de zaak tegen de verdachte, althans ten onrechte en/of onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd zich daartoe bevoegd heeft verklaard.
4. In de toelichting op het middel wordt gewezen op de wijziging van de Wet RO met ingang van 1 januari 2013 en de met ingang van diezelfde datum in werking getreden Regeling tijdelijke aanwijzing bevoegde gerechten. Gesteld wordt dat uit de memorie van toelichting bij die gewijzigde Wet RO volgt dat de zaak van de verdachte bij het hof Amsterdam aanhangig gemaakt had moeten worden, en dat dat Hof vervolgens, voor zover daarvan sprake zou zijn, de zaak had moeten verwijzen naar het hof Arnhem-Leeuwarden. Omdat sinds 1 januari 2013 een (aldus) aangewezen gerecht de behandeling van de zaak formeel overneemt en geen sprake meer is van nevenvestigingsplaatsen, zou in de dagvaarding in hoger beroep het Hof Arnhem-Leeuwarden ten onrechte zijn aangeduid als een nevenvestigingsplaats van het Hof Amsterdam. Het Hof zou daarom blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het met zijn kennelijke oordeel dat het bevoegd was om kennis te nemen van de zaak van de verdachte, heeft bedoeld dat het optrad als hof Amsterdam op de nevenvestigingsplaats te Arnhem.
5. Op 13 januari 2012 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van dezelfde datum van de Politierechter van de Rechtbank Amsterdam. Bij dagvaarding van 17 oktober 2012 is de verdachte gedagvaard om op 26 februari 2013 te verschijnen ter terechtzitting van het gerechtshof te Amsterdam, nevenvestigingsplaats Arnhem. Zowel het proces-verbaal van die terechtzitting, als het bestreden arrest vermeldt bovenaan de eerste pagina: “Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem”.
6. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- art. 59 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) zoals dat luidde van 1 januari 2011 tot 1 januari 2013, voor zover inhoudend:
1. Het gerechtshof is gevestigd in de hoofdplaats van het ressort.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nevenzittingsplaatsen worden aangewezen. Tevens kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de verdeling van zaken over de hoofdplaats en de nevenzittingsplaatsen.
(…)”
- art. 7 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen (BNN) zoals dat luidde van 1 september 2004 tot 1 januari 2013, voor zover inhoudend:
“1. Bij gebrek aan voldoende zittingscapaciteit of aan gespecialiseerde zittingscapaciteit in de hoofdplaats of een nevenzittingsplaats binnen het ressort, kan het bestuur van een gerechtshof, de Raad voor de rechtspraak verzoeken tijdelijk een of meer nevenzittingsplaatsen buiten het ressort aan te wijzen voor de behandeling van een zaak of categorieën van zaken met het oog op een snellere behandeling van die zaken.
2. De tijdelijke aanwijzing van een of meer nevenzittingsplaatsen buiten het ressort als bedoeld in het eerste lid geldt voor ten hoogste drie jaren en kan een maal worden verlengd.
3. De nevenzittingsplaatsen buiten het ressort, die op grond van het eerste lid kunnen worden aangewezen, zijn de hoofdplaatsen van de andere ressorten.
4. De Raad wijst zo veel als mogelijk een of meer nevenzittingsplaatsen aan in een of meer aangrenzende ressorten.
(…)”
7. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 7 juli 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI3413) de tot 1 januari 2013 geldende regeling ten aanzien van nevenzittingsplaatsen aldus verstaan dat de regering op de voet van art. 59, tweede lid, (oud) RO, door middel van art. 7 (oud) BNN, voor elk van de gerechtshoven de hoofdplaatsen van de andere ressorten als nevenzittingsplaatsen heeft aangewezen.
8. Bij de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie, is onder meer het nevenlocatiebeleid gewijzigd. Zo is art. 59 van de Wet RO in die zin gewijzigd dat aan de Raad voor de Rechtspraak (in plaats van de regering) de bevoegdheid is toegekend om te bepalen in welke plaatsen binnen een resort een nevenlocatie van een rechtbank of hof wordt gevestigd, en is art. 62a aan de Wet RO toegevoegd waarin aan de Raad de bevoegdheid is gegeven een ander gerechtshof aan te wijzen waarnaar het gerechtshof zaken die behoren tot een in de aanwijzing te bepalen categorie ter behandeling en beslissing kan verwijzen. Als overgangsrecht is in genoemde wet voor zover hier van belang bepaald:
“ARTIKEL XXII
(…)
3. Op de behandeling van en de rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van zaken die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II onderscheidenlijk onderdelen van dat artikel bij een gerechtshof aanhangig waren, blijft het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing.”
De memorie van toelichting bij die wet houdt in, voor zover hier van belang, dat het hiervoor weergegeven derde lid bewerkstelligt dat de wijzigingen in de ressortelijke indeling geen gevolg hebben voor zaken die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van die wijziging bij een gerechtshof aanhangig zijn gemaakt.
9. Met de Wet herziening gerechtelijke kaart, zijn met ingang van 1 januari 2013 onder meer de gerechtshoven Arnhem en Leeuwarden samengevoegd. In die wet is ten aanzien van het overgangsrecht bepaald, voor zover hier van belang:
“Artikel CIII (OVERGANG LOPENDE ZAKEN NAAR NIEUWE GERECHTSHOVEN)
Zaken die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I aanhangig waren bij een hieronder in de linker kolom genoemd gerechtshof gaan van rechtswege over naar het daarbij in de rechterkolom genoemde gerechtshof.
10. De onderhavige zaak is in hoger beroep aanhangig gemaakt vóór de inwerkingtreding van de gewijzigde regels met betrekking tot de behandeling van zaken bij een ander gerecht dan het in beginsel bevoegde gerecht, en van de gewijzigde indeling van de gerechtshoven, en kon daarom in overeenstemming met de toen geldende regels bij het Gerechtshof Arnhem, als nevenzittingsplaats van het in eerste instantie bevoegde Gerechtshof Amsterdam, worden aangebracht. Het Gerechtshof Arnhem was op dat moment, blijkens het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad, immers nog ingevolge art. 59, tweede lid, (oud) RO door de regering aangewezen als een nevenzittingsplaats van alle andere gerechtshoven en dus ook van het Gerechtshof Amsterdam. Voor zover in het middel met de verwijzing naar de met ingang van 1 januari 2013 in werking getreden, gewijzigde regels met betrekking tot de (formele) bevoegdheid van de gerechtshoven om zaken te behandelen van andere gerechtshoven, wordt betoogd dat die regels van toepassing zijn nu de onderhavige zaak na de inwerkingtreding daarvan ter zitting in hoger beroep is behandeld, faalt het middel reeds nu wordt miskend dat uit het hiervoor onder 8 weergegeven overgangsrecht volgt dat het recht van toepassing blijft zoals dat gold tijdens het aanhangig maken van de zaak. Gelet daarop, en nu zaken die onder de oude ressortelijke indeling reeds aanhangig waren bij het gerechtshof Arnhem blijkens het hiervoor onder 9 weergegeven overgangsrecht van rechtswege overgaan naar het nieuw gevormde Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, heeft dat Hof zich in het onderhavige geval zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk bevoegd kunnen achten om de zaak van de verdachte te behandelen.