Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2014-11-04
ECLI:NL:PHR:2014:2259
Strafrecht
2,023 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 18 oktober 2013 verdachte wegens “aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4Het eerste middel
4.1.
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het Hof het bewijs – in strijd met het bepaalde in art. 341 lid 4 Sv – uitsluitend heeft aangenomen op de opgaven van verdachte.
4.2.
Ten laste van verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
“zij op 19 januari 2011 te Amsterdam, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant] (agent van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland) opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van stalking.”
4.3.
Het Hof heeft dienaangaande de volgende bewijsmiddelen gebezigd:
“1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL13W3 2011015631-1 van 19 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (doorgenummerde pagina's 4 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Bij deze doe ik klacht van stalking en verzoek ik tot rechtsvervolging over te gaan. Sinds anderhalf jaar word ik stelselmatig lastiggevallen en gevolgd door een jongen die ik ken van vroeger. Deze jongen is genaamd [betrokkene]. Ik heb nooit een relatie gehad met [betrokkene]. Op een of andere manier denkt [betrokkene] dat ik een relatie met hem heb, maar dat is niet zo.
2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 november 2012.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 19 januari 2011 te Amsterdam een valse aangifte heb gedaan van een strafbaar feit (stalking).
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2013.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
U, voorzitter, vraagt mij waarom het mij zoveel moeite kostte de gehele waarheid te vertellen. Ik had het gevoel dat ik niet serieus zou worden genomen als ik vanaf het begin zou hebben gezegd dat ik met [betrokkene] een relatie had gehad.”
4.4.
Anders dan de steller van het middel aanvoert, heeft het Hof het bewijs niet uitsluitend aangenomen op de opgaven van de verdachte. Immers, bewijsmiddel 1, dat een deel van het proces-verbaal van aangifte weergeeft en welk bewijsmiddel als steunbewijs kan worden aangemerkt, bevat geen opgave van de verdachte als bedoeld in art. 341 lid 4 Sv. Daarbij verdient opmerking dat hier niet de inhoud van de verklaring van de verdachte als redengevend feit wordt gebezigd, maar het feit dát zij die verklaring aflegde. Derhalve is in casu voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Het middel kan dan ook niet tot cassatie leiden.
5Het tweede middel
5.1.
Het middel klaagt dat ’s Hofs oordeel, dat met het enkele feit dat in de aangifte in strijd met de waarheid is gesproken over het bestaan van een relatie tussen verdachte en [betrokkene] reeds de voorwaarden voor strafbaarheid ingevolge art. 188 Sr zijn vervuld, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
5.2.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in aansluiting op haar als bewijsmiddel 3 gebezigde verklaring, nog onder meer het volgende verklaard:
“In het begin, toen we een relatie hadden, was het afgesproken als hij mij tegenkwam. Later niet meer. Hij wist mijn schooltijden. Ik ging via een omweg naar huis. Hij moest ophouden. Ik wilde dat het stopte. Hij heeft toen gedreigd met het vermoorden van mijn ouders. Hij was alleen verbaal gewelddadig.
De advocaat-generaal vraagt mij of juist is dat ik bij de politie heb verklaard dat het klopt dat ik een valse aangifte heb gedaan en dat ik nu zeg dat dat niet klopt. Ja, dat is juist. Ik zeg nu dat [betrokkene] mij wel degelijk stalkte. Ik heb alleen niet vanaf het begin gezegd dat ik een relatie met hem heb gehad. Een paar maanden, ik weet niet precies hoe lang.”
5.3.
Het Hof heeft in reactie op een door de raadsman van de verdachte gevoerd verweer het volgende overwogen:
“De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft verweer gevoerd zoals weergegeven in zijn pleitnotities welke als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Kort en zakelijk weergegeven heeft de raadsman aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat de verdachte niet bij de aangifte heeft vermeld dat zij met [betrokkene] een relatie had of kort geleden die relatie had verbroken, de aangifte nog niet vals maakt.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
De verdachte heeft op 19 januari 2011 tegen [betrokkene] ([betrokkene]) aangifte van stalking gedaan. Vast staat dat de verdachte in het najaar van 2010 een aantal maanden met [betrokkene] voornoemd een relatie heeft gehad. Op 19 januari 2011, toen de verdachte aangifte deed, heeft zij het echter doen voorkomen alsof zij nooit een relatie met hem had gehad en -vanuit het niets- anderhalf jaar gestalkt werd. Mede gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte valse aangifte heeft gedaan.”
5.4.
Het middel stelt de vraag aan de orde of in het kader van art. 188 Sr geldt dat een halve waarheid even erg is als een hele leugen. Volgens vaste jurisprudentie is voor de toepassing van art. 188 Sr voldoende dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd. Die jurisprudentie heeft betrekking op de vraag hoe expliciet de aangifte moet zijn, of vereist is dat alle bestanddelen van het strafbare feit worden genoemd en of de feiten uitdrukkelijk als een strafbaar feit moeten zijn gekwalificeerd. Op de vraag hoe groot de onwaarheid moet zijn, geeft die jurisprudentie geen antwoord.
5.5.
Art. 188 Sr stelt als eis dat de dader geweten moet hebben dat het feit waarvan hij aangifte doet, niet is gepleegd. Dat impliceert dat de aangifte betrekking moet hebben op een feit dat niet is gepleegd. Het enkele feit dat de aangifte gepaard is gegaan met onware mededelingen, maakt daarom nog niet dat die aangifte onder het bereik van het wetsartikel valt. Dat is eerst het geval als de gedebiteerde onwaarheden van dien aard zijn dat het feit waarop de aangifte betrekking heeft, niet is gepleegd. In die zin ook Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 3 op art. 188, waarin gewezen wordt op HR 3 maart 1902, W 7735. In dat arrest was tenlastegelegd en bewezenverklaard dat de verdachte wist dat het feit niet door de door hem genoemde persoon was gepleegd. Dat leidde tot ontslag van rechtsvervolging omdat de bewezenverklaring niet inhield dat het feit niet was gepleegd, zodat art. 188 Sr daarop niet van toepassing was. In dit opzicht verschilt art. 188 Sr van art. 268 Sr, waarin het doen van een valse aangifte tegen een bepaalde persoon is strafbaar gesteld. In dit opzicht verschilt art. 188 Sr ook van art. 207 Sr (meineed), dat iedere onder ede vertelde leugen strafbaar stelt.