Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2014-06-03
ECLI:NL:PHR:2014:1499
Strafrecht
15,148 tokens
Conclusie
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft – behoudens na te melden uitzondering - bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Rotterdam waarbij verdachte ter zake van “diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” strafbaar is verklaard, verdachte geen straf of maatregel is opgelegd alsmede de vorderingen van de benadeelde partijen zijn toegewezen als in het vonnis vermeld en schadevergoedingsmaatregelen zijn opgelegd als in het vonnis vermeld. Het Hof heeft het vonnis voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] alsmede de aan de verdachte oplegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde [benadeelde partij 1] vernietigd, de vordering van die benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 787,50 en ter zake aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte de dagvaarding in hoger beroep niet nietig heeft verklaard, althans dat het Hof ten onrechte niet heeft onderzocht waar de verdachte verbleef.
4. Verdachte is in eerste aanleg verschenen. Ter terechtzitting van 15 juli 2011 gaf hij op geen bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland te hebben, alsmede ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting uit anderen hoofde te zijn gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond-Gev. De IJssel, locatie Krimpen aan den IJssel. Bij een verklaring als bedoeld in art. 451a lid 1 Sv d.d. 2 augustus 2011, ingeschreven in het daarvoor bestemde register op 4 augustus 2011, ging hij van het tegen hem op 29 juli 2011 gewezen vonnis in hoger beroep. Op een aan die verklaring gehecht grievenformulier gaf hij als adres op [a-straat 1], Krimpen aan de IJssel.
5. Tot de stukken die de griffier van het Hof op de voet van art. 434 lid 1 Sv heeft gezonden aan de griffier van de Hoge Raad behoort een ID-staat SKDB d.d. 5 juni 2012. Daarop staat als GBA-adres van de verdachte vermeld [a-straat 1], Krimpen aan de IJssel en als detentie-adres PI-Rijnmond-R’dam Noordsingel PIA, Noordsingel 185, 3035 ER Rotterdam.
6. Blijkens de akte van uitreiking is gepoogd de dagvaarding in hoger beroep op 13 juni 2012 uit te reiken op verdachtes GBA-adres, [a-straat 1], Krimpen aan de IJssel, doch is dat niet gelukt omdat volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond, de geadresseerde daar niet woonde noch verbleef. Vervolgens is de dagvaarding uitgereikt ter griffie en een afschrift van de dagvaarding gezonden naar laatstgenoemd adres.
7. Op de ID-staat SKDB die in cassatie is opgevraagd ter verificatie van verdachtes adres staat vermeld dat hij vanaf 1 augustus 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens stond ingeschreven op het adres [a-straat 1], Krimpen aan de IJssel, het adres van de P.I. “De IJssel”, dat zijn adres vanaf 19 september 2012 onbekend was, en dat hij met ingang van 11 december 2012 staat ingeschreven op het adres [b-straat 1] Rotterdam.
8. Het middel stelt ten eerste de vraag aan de orde of de dagvaarding in persoon had moeten worden uitgereikt.
9. Art. 588 lid 1 Sv luidt:
De uitreiking geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
De memorie van toelichting op deze bepaling houdt onder meer in:
Artikel 588, eerste lid, onder a Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de uitreiking geschiedt «aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon.» Deze formulering heeft tot gevolg dat het OM bij de betekening wettelijk gezien niet hoeft na te gaan of de verdachte wellicht is gedetineerd in verband met een andere strafzaak. Wel schrijft de Hoge Raad in het overzichtsarrest [] voor dat bij verdachten zonder bekende woon- of verblijfplaats in de vrije samenleving wordt nagegaan of hij/zij wellicht verblijft in een penitentiaire inrichting, ongeacht de titel van vrijheidsbeneming (overweging 3.24, onder a). Wanneer tijdens de terechtzitting blijkt dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde is gedetineerd, behoort de rechter volgens de Hoge Raad de behandeling te schorsen teneinde de verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen op een nadere terechtzitting aanwezig te zijn (overweging 3.34, onder a). Deze voorschriften van de Hoge Raad houden verband met het feit dat, waar tot voor kort geen geautomatiseerd systeem beschikbaar was waarin alle gedetineerden (uit welken hoofde dan ook) centraal geregistreerd stonden, dit er wel inmiddels wel is. De Verwijsindex Personen (VIP, voorheen Verwijsindex Personen Strafrechtsketen (VIPS)) is een systeem dat valt onder het beheer van het CJIB. Het doel is om de informatievoorziening binnen de strafrechtsketen efficiënter en effectiever te laten verlopen. Vroeger raadpleegden organisaties uit de opsporing, vervolging, berechting en executie onafhankelijk van elkaar de GBA om een verdachte of veroordeelde te vinden. Daarnaast was vaak niet bekend in welke penitentiaire inrichting de betrokkene was geplaatst. Met de komst van VIP verandert dit: de organisaties kunnen in dit systeem gegevens over personen binnen de strafrechtsketen opvragen, inclusief het laatst bekende GBA-adres. Hiermee wordt het traceren van personen binnen de strafrechtsketen vergemakkelijkt. Binnen vijftien tot dertig minuten wordt de inschrijving van een persoon bij een penitentiaire inrichting (PI) of de vreemdelingenbewaring doorgegeven aan VIP.”
10. Art. 2 van het op art. 588 lid 1 Sv gebaseerde Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen luidt:
Artikel 2
1. De in artikel 588, eerste lid, onderdeel a, van de wet bedoelde uitreiking in persoon geschiedt mede ingeval aan een verdachte een dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen wordt betekend en aan deze persoon blijkens raadpleging van de strafrechtsketendatabank anders dan in verband met de strafzaak waarop de mededeling betrekking heeft, in Nederland rechtens zijn vrijheid is ontnomen dan wel aan deze persoon ingevolge een machtiging als bedoeld in artikel 28 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften in Nederland rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Dit vereiste geldt niet indien de strafzaak wordt vervolgd voor de kantonrechter.
De Nota van toelichting op dit besluit houdt onder meer in:
Het eerste lid van artikel 2 ziet op de gevallen waarin aan een verdachte een dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen wordt betekend. De verplichting tot uitreiking in persoon geldt niet voor de uitreiking aan andere procesdeelnemers dan de verdachte noch voor de uitreiking aan veroordeelden na afloop van het strafproces (behoudens het hierna te bespreken tweede lid). De extra inspanning die hier ten aanzien van verdachten wordt geëist, wordt Staatsblad 2005 497 3 gerechtvaardigd door het grote belang dat moet worden gehecht aan het iemand op de hoogte stellen van de datum waarop de strafzaak tegen hem zal dienen (zie ook de memorie van toelichting bij de Wet van 23 maart 2005, Stb. 175, Kamerstukken II 2004/05, 29 805, nr. 3, p. 9–11, en de daar vermelde jurisprudentie).
11. In het onderhavige geval bleek uit de strafrechtsketendatabank (SK-BD-staat) dat verdachte ten tijde van de aanbieding van de dagvaarding in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd was. De dagvaarding in hoger beroep had dus in persoon aan hem dienen te worden uitgereikt.
12. De hiervoor genoemde ID-staat SKDB d.d. 5 juni 2012 is voorzien van de handgeschreven aantekening “ elektronisch toezicht”.
Conclusie
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft – behoudens na te melden uitzondering - bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Rotterdam waarbij verdachte ter zake van “diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” strafbaar is verklaard, verdachte geen straf of maatregel is opgelegd alsmede de vorderingen van de benadeelde partijen zijn toegewezen als in het vonnis vermeld en schadevergoedingsmaatregelen zijn opgelegd als in het vonnis vermeld. Het Hof heeft het vonnis voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] alsmede de aan de verdachte oplegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde [benadeelde partij 1] vernietigd, de vordering van die benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 787,50 en ter zake aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte de dagvaarding in hoger beroep niet nietig heeft verklaard, althans dat het Hof ten onrechte niet heeft onderzocht waar de verdachte verbleef.
4. Verdachte is in eerste aanleg verschenen. Ter terechtzitting van 15 juli 2011 gaf hij op geen bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland te hebben, alsmede ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting uit anderen hoofde te zijn gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond-Gev. De IJssel, locatie Krimpen aan den IJssel. Bij een verklaring als bedoeld in art. 451a lid 1 Sv d.d. 2 augustus 2011, ingeschreven in het daarvoor bestemde register op 4 augustus 2011, ging hij van het tegen hem op 29 juli 2011 gewezen vonnis in hoger beroep. Op een aan die verklaring gehecht grievenformulier gaf hij als adres op [a-straat 1], Krimpen aan de IJssel.
5. Tot de stukken die de griffier van het Hof op de voet van art. 434 lid 1 Sv heeft gezonden aan de griffier van de Hoge Raad behoort een ID-staat SKDB d.d. 5 juni 2012. Daarop staat als GBA-adres van de verdachte vermeld [a-straat 1], Krimpen aan de IJssel en als detentie-adres PI-Rijnmond-R’dam Noordsingel PIA, Noordsingel 185, 3035 ER Rotterdam.
6. Blijkens de akte van uitreiking is gepoogd de dagvaarding in hoger beroep op 13 juni 2012 uit te reiken op verdachtes GBA-adres, [a-straat 1], Krimpen aan de IJssel, doch is dat niet gelukt omdat volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond, de geadresseerde daar niet woonde noch verbleef. Vervolgens is de dagvaarding uitgereikt ter griffie en een afschrift van de dagvaarding gezonden naar laatstgenoemd adres.
7. Op de ID-staat SKDB die in cassatie is opgevraagd ter verificatie van verdachtes adres staat vermeld dat hij vanaf 1 augustus 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens stond ingeschreven op het adres [a-straat 1], Krimpen aan de IJssel, het adres van de P.I. “De IJssel”, dat zijn adres vanaf 19 september 2012 onbekend was, en dat hij met ingang van 11 december 2012 staat ingeschreven op het adres [b-straat 1] Rotterdam.
8. Het middel stelt ten eerste de vraag aan de orde of de dagvaarding in persoon had moeten worden uitgereikt.
9. Art. 588 lid 1 Sv luidt:
De uitreiking geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
De memorie van toelichting op deze bepaling houdt onder meer in:
Artikel 588, eerste lid, onder a Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de uitreiking geschiedt «aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon.» Deze formulering heeft tot gevolg dat het OM bij de betekening wettelijk gezien niet hoeft na te gaan of de verdachte wellicht is gedetineerd in verband met een andere strafzaak. Wel schrijft de Hoge Raad in het overzichtsarrest [] voor dat bij verdachten zonder bekende woon- of verblijfplaats in de vrije samenleving wordt nagegaan of hij/zij wellicht verblijft in een penitentiaire inrichting, ongeacht de titel van vrijheidsbeneming (overweging 3.24, onder a). Wanneer tijdens de terechtzitting blijkt dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde is gedetineerd, behoort de rechter volgens de Hoge Raad de behandeling te schorsen teneinde de verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen op een nadere terechtzitting aanwezig te zijn (overweging 3.34, onder a). Deze voorschriften van de Hoge Raad houden verband met het feit dat, waar tot voor kort geen geautomatiseerd systeem beschikbaar was waarin alle gedetineerden (uit welken hoofde dan ook) centraal geregistreerd stonden, dit er wel inmiddels wel is. De Verwijsindex Personen (VIP, voorheen Verwijsindex Personen Strafrechtsketen (VIPS)) is een systeem dat valt onder het beheer van het CJIB. Het doel is om de informatievoorziening binnen de strafrechtsketen efficiënter en effectiever te laten verlopen. Vroeger raadpleegden organisaties uit de opsporing, vervolging, berechting en executie onafhankelijk van elkaar de GBA om een verdachte of veroordeelde te vinden. Daarnaast was vaak niet bekend in welke penitentiaire inrichting de betrokkene was geplaatst. Met de komst van VIP verandert dit: de organisaties kunnen in dit systeem gegevens over personen binnen de strafrechtsketen opvragen, inclusief het laatst bekende GBA-adres. Hiermee wordt het traceren van personen binnen de strafrechtsketen vergemakkelijkt. Binnen vijftien tot dertig minuten wordt de inschrijving van een persoon bij een penitentiaire inrichting (PI) of de vreemdelingenbewaring doorgegeven aan VIP.”
10. Art. 2 van het op art. 588 lid 1 Sv gebaseerde Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen luidt:
Artikel 2
1. De in artikel 588, eerste lid, onderdeel a, van de wet bedoelde uitreiking in persoon geschiedt mede ingeval aan een verdachte een dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen wordt betekend en aan deze persoon blijkens raadpleging van de strafrechtsketendatabank anders dan in verband met de strafzaak waarop de mededeling betrekking heeft, in Nederland rechtens zijn vrijheid is ontnomen dan wel aan deze persoon ingevolge een machtiging als bedoeld in artikel 28 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften in Nederland rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Dit vereiste geldt niet indien de strafzaak wordt vervolgd voor de kantonrechter.
De Nota van toelichting op dit besluit houdt onder meer in:
Het eerste lid van artikel 2 ziet op de gevallen waarin aan een verdachte een dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen wordt betekend. De verplichting tot uitreiking in persoon geldt niet voor de uitreiking aan andere procesdeelnemers dan de verdachte noch voor de uitreiking aan veroordeelden na afloop van het strafproces (behoudens het hierna te bespreken tweede lid). De extra inspanning die hier ten aanzien van verdachten wordt geëist, wordt Staatsblad 2005 497 3 gerechtvaardigd door het grote belang dat moet worden gehecht aan het iemand op de hoogte stellen van de datum waarop de strafzaak tegen hem zal dienen (zie ook de memorie van toelichting bij de Wet van 23 maart 2005, Stb. 175, Kamerstukken II 2004/05, 29 805, nr. 3, p. 9–11, en de daar vermelde jurisprudentie).
11. In het onderhavige geval bleek uit de strafrechtsketendatabank (SK-BD-staat) dat verdachte ten tijde van de aanbieding van de dagvaarding in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd was. De dagvaarding in hoger beroep had dus in persoon aan hem dienen te worden uitgereikt.
12. De hiervoor genoemde ID-staat SKDB d.d. 5 juni 2012 is voorzien van de handgeschreven aantekening “ elektronisch toezicht”.
Conclusie
Aan deze staat is gehecht een overzicht van de tenuitvoerlegging van de aan verdachte opgelegde vrijheidsstraf(fen) waarop staat vermeld dat verdachte vanaf 20 januari 2012 tot en met 3 juli 2012 onder elektronisch toezicht was gesteld.
13. De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde straf geschiedde in de vorm van – kort gezegd – elektronisch toezicht roept de vraag op of ook in zo’n geval de dagvaarding in persoon dient te worden uitgereikt. Daartoe is het volgende van belang.
14. De Penitentiaire beginselenwet luidt voor zover hier van belang:
Artikel 2
1. De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel vindt, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald, plaats door onderbrenging van de persoon aan wie deze is opgelegd in een penitentiaire inrichting dan wel door diens deelname aan een penitentiair programma.2. (…)
Artikel 4
1. Een penitentiair programma is een samenstel van activiteiten waaraan wordt deelgenomen door personen ter verdere tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis in aansluiting op hun verblijf in een inrichting en dat als zodanig door Onze Minister is erkend. De deelnemer aan een penitentiair programma kan onder elektronisch toezicht worden gesteld. Bij het uitoefenen van toezicht op de deelname aan een penitentiair programma wordt de identiteit van de deelnemer aan het penitentiair programma vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering .
2. Aan een penitentiair programma kan worden deelgenomen gedurende ten hoogste een zesde deel van de opgelegde vrijheidsstraf direct voorafgaand aan de datum van invrijheidstelling, mits:
a. de gedetineerde is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van ten minste zes maanden,
b. het strafrestant bij aanvang van de deelname aan het penitentiair programma ten minste vier weken en ten hoogste een jaar bedraagt, en
c. er geen andere omstandigheden zijn die zich tegen zijn deelname verzetten.
Indien de veroordeling tot een vrijheidsstraf nog niet onherroepelijk is, worden de datum van invrijheidstelling en het strafrestant voor de toepassing van dit lid berekend op grond van de veroordeling waartegen het rechtsmiddel is aangewend.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld die in elk geval betreffen:
a. de inhoud van het penitentiair programma,
b. de nadere voorwaarden voor deelname aan het penitentiair programma,
c. het toezicht, waaronder het elektronisch toezicht, tijdens de deelname,
d. de gevolgen van verzuim van deelname aan het programma of niet-nakoming van de daaraan verbonden voorwaarden, en
e. de rechtspositie van de deelnemers aan een penitentiair programma.
4. (…):
De Penitentiaire maatregel houdt in voor zover van belang:
Artikel 7
1.Indien de directeur het verantwoord acht dat een gedetineerde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma doet hij een daartoe strekkende voordracht aan de selectiefunctionaris.
2.De directeur voegt bij zijn voordracht het advies van het openbaar ministerie indien het openbaar ministerie ten aanzien van de gedetineerde een executie-indicator heeft gegeven dan wel indien het een gedetineerde betreft ten aanzien van wie een veroordeling tot vrijheidsstraf nog niet onherroepelijk is geworden. Hij voegt daarbij tevens het advies van de reclassering.
3.Bij zijn beslissing om een gedetineerde in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan een penitentiair programma betrekt de selectiefunctionaris in ieder geval de volgende aspecten:
a. de aard, zwaarte en achtergronden van het gepleegde delict;
b. het huidige detentieverloop, waaronder het gedrag van de gedetineerde, het nakomen van afspraken door de gedetineerde en diens gemotiveerdheid;
c. het gevaar voor recidive;
d. de mate waarin de gedetineerde in staat zal zijn de met de grotere vrijheden gepaard gaande verantwoordelijkheid te kunnen dragen;
e. een aanvaardbaar verblijfadres;
f. de geschiktheid van de gedetineerde voor een penitentiair programma;
g. de mate van onzekerheid over de datum van invrijheidstelling.
4.De selectiefunctionaris neemt zijn beslissing over deelname aan een penitentiair programma slechts indien de gedetineerde zich bereid heeft verklaard tot deelname aan het programma en de daaraan verbonden voorwaarden.
Artikel 7a
1.De deelnemer aan een penitentiair programma staat gedurende het eerste derde deel van de totale duur van het programma onder elektronisch toezicht. Voor het einde van deze periode wordt bezien of het elektronisch toezicht kan vervallen. Op grond van het gedrag van de deelnemer kan worden besloten dat het elektronisch toezicht wordt voortgezet gedurende het tweede derde deel van het penitentiair programma. In dat geval wordt voor het einde van het tweede deel bezien of het elektronisch toezicht kan vervallen. Op grond van het gedrag van de deelnemer kan worden besloten dat het elektronisch toezicht wordt voortgezet gedurende het laatste deel van het penitentiair programma. Indien het elektronisch toezicht is vervallen kan de deelnemer wederom onder elektronisch toezicht worden gesteld, indien het gedrag van de deelnemer daartoe aanleiding geeft.
2.De selectiefunctionaris is belast met de beslissingen, bedoeld in het eerste lid. Hij kan bepalen dat geen elektronisch toezicht wordt toegepast indien:
a. een andere vorm van vierentwintiguurstoezicht aanwezig is,
b. de duur van het penitentiair programma korter is dan negen weken,
c. het elektronisch toezicht afbreuk doet aan de resocialisatie van de deelnemer, of
d. bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.
15. Over elektronisch toezicht houdt de memorie van toelichting op de wet waarbij elektronisch toezicht als onderdeel van het penitentiair programma in art. 4 Penitentiaire beginselenwet werd ingevoerd in:
Met elektronisch toezicht is in juli 1995 begonnen als experiment in het noorden van het land. Het werd ingezet als een middel ter vervanging van onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Dit kon geschieden doordat de rechter als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf voor een bepaalde periode elektronisch toezicht (verder: ET) oplegde, naast onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, die eveneens diende ter vervanging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. De andere modaliteit betrof het toevoegen van ET aan een penitentiair programma (of de voorlopers daarvan, nu het penitentiair programma pas in de Penitentiaire beginselenwet per 1 januari 1999 een wettelijke basis kreeg) in de laatste fase van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Onder ET als technische voorziening wordt in het kader van het onderhavige wetsvoorstel een vorm van controle verstaan waarbij, gedurende een bepaalde termijn, de aanwezigheid van een bepaalde persoon op een vooraf met hem afgesproken tijd en plaats geverifieerd wordt (zie de voorgestelde definitie in artikel I). Dit houdt onder andere in dat de betrokkene zijn woning (of een ander aanvaardbaar verblijfsadres) niet mag verlaten, behalve op de afgesproken tijden. Om te kunnen controleren of de veroordeelde op de afgesproken tijden thuis is, wordt gebruik gemaakt van elektronica die onder andere in de vorm van een enkelband te dragen is. Deze zender zendt 24 uur per dag, tweemaal per minuut, een signaal uit. Het signaal wordt opgevangen door een ontvanger die in de woning van de deelnemer staat opgesteld. Via de telefoonlijn wordt het signaal doorgegeven aan een computer in de meldkamer van een beveiligingsbedrijf. In deze computer is het dagprogramma van iedere deelnemer opgeslagen. De computer controleert op willekeurige momenten of het signaal correspondeert met het dagprogramma. Bij ongeoorloofde aan- of afwezigheid van de veroordeelde of bij pogingen om de enkelband te verwijderen, geeft de computer een alarmmelding.
Conclusie
Aan deze staat is gehecht een overzicht van de tenuitvoerlegging van de aan verdachte opgelegde vrijheidsstraf(fen) waarop staat vermeld dat verdachte vanaf 20 januari 2012 tot en met 3 juli 2012 onder elektronisch toezicht was gesteld.
13. De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde straf geschiedde in de vorm van – kort gezegd – elektronisch toezicht roept de vraag op of ook in zo’n geval de dagvaarding in persoon dient te worden uitgereikt. Daartoe is het volgende van belang.
14. De Penitentiaire beginselenwet luidt voor zover hier van belang:
Artikel 2
1. De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel vindt, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald, plaats door onderbrenging van de persoon aan wie deze is opgelegd in een penitentiaire inrichting dan wel door diens deelname aan een penitentiair programma.2. (…)
Artikel 4
1. Een penitentiair programma is een samenstel van activiteiten waaraan wordt deelgenomen door personen ter verdere tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis in aansluiting op hun verblijf in een inrichting en dat als zodanig door Onze Minister is erkend. De deelnemer aan een penitentiair programma kan onder elektronisch toezicht worden gesteld. Bij het uitoefenen van toezicht op de deelname aan een penitentiair programma wordt de identiteit van de deelnemer aan het penitentiair programma vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering .
2. Aan een penitentiair programma kan worden deelgenomen gedurende ten hoogste een zesde deel van de opgelegde vrijheidsstraf direct voorafgaand aan de datum van invrijheidstelling, mits:
a. de gedetineerde is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van ten minste zes maanden,
b. het strafrestant bij aanvang van de deelname aan het penitentiair programma ten minste vier weken en ten hoogste een jaar bedraagt, en
c. er geen andere omstandigheden zijn die zich tegen zijn deelname verzetten.
Indien de veroordeling tot een vrijheidsstraf nog niet onherroepelijk is, worden de datum van invrijheidstelling en het strafrestant voor de toepassing van dit lid berekend op grond van de veroordeling waartegen het rechtsmiddel is aangewend.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld die in elk geval betreffen:
a. de inhoud van het penitentiair programma,
b. de nadere voorwaarden voor deelname aan het penitentiair programma,
c. het toezicht, waaronder het elektronisch toezicht, tijdens de deelname,
d. de gevolgen van verzuim van deelname aan het programma of niet-nakoming van de daaraan verbonden voorwaarden, en
e. de rechtspositie van de deelnemers aan een penitentiair programma.
4. (…):
De Penitentiaire maatregel houdt in voor zover van belang:
Artikel 7
1.Indien de directeur het verantwoord acht dat een gedetineerde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma doet hij een daartoe strekkende voordracht aan de selectiefunctionaris.
2.De directeur voegt bij zijn voordracht het advies van het openbaar ministerie indien het openbaar ministerie ten aanzien van de gedetineerde een executie-indicator heeft gegeven dan wel indien het een gedetineerde betreft ten aanzien van wie een veroordeling tot vrijheidsstraf nog niet onherroepelijk is geworden. Hij voegt daarbij tevens het advies van de reclassering.
3.Bij zijn beslissing om een gedetineerde in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan een penitentiair programma betrekt de selectiefunctionaris in ieder geval de volgende aspecten:
a. de aard, zwaarte en achtergronden van het gepleegde delict;
b. het huidige detentieverloop, waaronder het gedrag van de gedetineerde, het nakomen van afspraken door de gedetineerde en diens gemotiveerdheid;
c. het gevaar voor recidive;
d. de mate waarin de gedetineerde in staat zal zijn de met de grotere vrijheden gepaard gaande verantwoordelijkheid te kunnen dragen;
e. een aanvaardbaar verblijfadres;
f. de geschiktheid van de gedetineerde voor een penitentiair programma;
g. de mate van onzekerheid over de datum van invrijheidstelling.
4.De selectiefunctionaris neemt zijn beslissing over deelname aan een penitentiair programma slechts indien de gedetineerde zich bereid heeft verklaard tot deelname aan het programma en de daaraan verbonden voorwaarden.
Artikel 7a
1.De deelnemer aan een penitentiair programma staat gedurende het eerste derde deel van de totale duur van het programma onder elektronisch toezicht. Voor het einde van deze periode wordt bezien of het elektronisch toezicht kan vervallen. Op grond van het gedrag van de deelnemer kan worden besloten dat het elektronisch toezicht wordt voortgezet gedurende het tweede derde deel van het penitentiair programma. In dat geval wordt voor het einde van het tweede deel bezien of het elektronisch toezicht kan vervallen. Op grond van het gedrag van de deelnemer kan worden besloten dat het elektronisch toezicht wordt voortgezet gedurende het laatste deel van het penitentiair programma. Indien het elektronisch toezicht is vervallen kan de deelnemer wederom onder elektronisch toezicht worden gesteld, indien het gedrag van de deelnemer daartoe aanleiding geeft.
2.De selectiefunctionaris is belast met de beslissingen, bedoeld in het eerste lid. Hij kan bepalen dat geen elektronisch toezicht wordt toegepast indien:
a. een andere vorm van vierentwintiguurstoezicht aanwezig is,
b. de duur van het penitentiair programma korter is dan negen weken,
c. het elektronisch toezicht afbreuk doet aan de resocialisatie van de deelnemer, of
d. bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.
15. Over elektronisch toezicht houdt de memorie van toelichting op de wet waarbij elektronisch toezicht als onderdeel van het penitentiair programma in art. 4 Penitentiaire beginselenwet werd ingevoerd in:
Met elektronisch toezicht is in juli 1995 begonnen als experiment in het noorden van het land. Het werd ingezet als een middel ter vervanging van onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Dit kon geschieden doordat de rechter als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf voor een bepaalde periode elektronisch toezicht (verder: ET) oplegde, naast onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, die eveneens diende ter vervanging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. De andere modaliteit betrof het toevoegen van ET aan een penitentiair programma (of de voorlopers daarvan, nu het penitentiair programma pas in de Penitentiaire beginselenwet per 1 januari 1999 een wettelijke basis kreeg) in de laatste fase van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Onder ET als technische voorziening wordt in het kader van het onderhavige wetsvoorstel een vorm van controle verstaan waarbij, gedurende een bepaalde termijn, de aanwezigheid van een bepaalde persoon op een vooraf met hem afgesproken tijd en plaats geverifieerd wordt (zie de voorgestelde definitie in artikel I). Dit houdt onder andere in dat de betrokkene zijn woning (of een ander aanvaardbaar verblijfsadres) niet mag verlaten, behalve op de afgesproken tijden. Om te kunnen controleren of de veroordeelde op de afgesproken tijden thuis is, wordt gebruik gemaakt van elektronica die onder andere in de vorm van een enkelband te dragen is. Deze zender zendt 24 uur per dag, tweemaal per minuut, een signaal uit. Het signaal wordt opgevangen door een ontvanger die in de woning van de deelnemer staat opgesteld. Via de telefoonlijn wordt het signaal doorgegeven aan een computer in de meldkamer van een beveiligingsbedrijf. In deze computer is het dagprogramma van iedere deelnemer opgeslagen. De computer controleert op willekeurige momenten of het signaal correspondeert met het dagprogramma. Bij ongeoorloofde aan- of afwezigheid van de veroordeelde of bij pogingen om de enkelband te verwijderen, geeft de computer een alarmmelding.
Conclusie
De medewerkers van het particuliere beveiligingsbedrijf geven de melding onverwijld door aan de met het toezicht belaste functionaris (thans de reclassering). Die neemt vervolgens contact op met de veroordeelde om na te gaan wat de reden van de alarmmelding is.
Bij ET is geen sprake van (structurele) observatie door middel van een camera, zoals bijvoorbeeld in het kader van de ordehandhaving op gemeentelijke risicoplaatsen wordt toegepast. In de huidige toepassingen van ET wordt een signaal via de telefoon afgegeven. In het buitenland zijn inmiddels technieken ontwikkeld waarbij zowel sprake is van een signaal via de telefoon als gelijktijdige controle van de aanwezigheid via een camera. Niet uitgesloten is dat een dergelijk systeem ooit in Nederland zal worden toegepast. De definitie laat deze mogelijkheid open terwijl anderzijds duidelijk is dat controle door structurele cameraobservatie niet is toegelaten. ET is evenmin een systeem waarmee de bewegingen van personen kunnen worden gevolgd, zoals bijvoorbeeld het geval is bij systemen als «global positioning». Met de gegeven definitie wordt aangegeven dat er geen voornemen is om een dergelijke vorm van permanent volgen van personen in de toekomst als modaliteit van toezicht in het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf in te zetten. Een dergelijke mate van controle van de bewegingsvrijheid verdraagt zich niet met het gegeven dat een gedetineerde pas in de laatste fase van detentie hiervoor in aanmerking komt. Het laat echter wel ruimte om in het kader van de ontwikkeling op het gebied van elektronica andere vormen dan de huidige enkelband toe te passen.
16. Zoals volgt uit het hiervoor aangehaalde samenstel van bepalingen wordt het volgen van een penitentiair programma in de vorm van – kort gezegd – elektronisch toezicht door de wetgever gezien als vorm van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Daarom is er geen grond iemand die de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf ondergaat in de vorm van een penitentiair programma met – kort gezegd – elektronisch toezicht niet te begrijpen onder iemand die in Nederland rechtens zijn vrijheid is ontnomen in de zin van het hiervoor aangehaalde art. 2 Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen. Dit klemt temeer omdat de wetgever geen reden heeft gezien in deze bepaling een uitzondering te maken voor het geval de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zou geschieden in de vorm van - kort gezegd - elektronisch toezicht. Bovendien is voor deelname aan een penitentiair programma vereist dat de veroordeelde beschikt over een aanvaardbaar verblijfadres (art. 7 lid 3 onder e Penitentiaire maatregel), een adres dat – zo volgt ook uit het hiervoor aangehaalde deel uit de memorie van toelichting op art. 4 Penitentiaire beginselenwet – bij de tenuitvoerleggende autoriteit bekend moet zijn, terwijl het elektronisch toezicht het mogelijk maakt op eenvoudige wijze te achterhalen waar hij verblijft.
17. Bij dit alles dient voorts nog in aanmerking te worden genomen dat de uitbreiding van art. 588 lid 1 Sv tot “aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen” is ingevoerd om zoveel mogelijk te waarborgen dat verdachte van zijn aanwezigheidsrecht (art. 6 lid 1 EVRM) gebruik kon maken.
18. Een en ander brengt mij tot de conclusie dat de betekening van de dagvaarding in hoger beroep niet in overeenstemming met het bepaalde in art. 588 Sv is geschied.
19. Voor zover dit laatste anders zou zijn bespreek ik de tweede vraag die in de toelichting op het middel besloten ligt, te weten of verdachtes aanwezigheidsrecht voldoende is gerespecteerd, dat wil zeggen of de staat zich voldoende heeft ingespannen om de verdachte in staat te stellen gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317, m. nt. Sch, onder IV).
20. Zoals hiervoor reeds is uiteengezet moet ten tijde van het elektronisch toezicht de verblijfplaats van de verdachte bij de justitiële autoriteiten bekend zijn geweest. Gelet op verdachtes bijzondere situatie – hij was nog niet uit detentie ontslagen, maar mocht wel onder elektronisch toezicht buiten de penitentiaire inrichting verblijven en bevond zich dus uit hoofde van zijn veroordeling tot een vrijheidsstraf nog onder de macht van de staat – had mijns inziens van de staat gevergd kunnen en moeten worden dat minstgenomen was onderzocht of verdachtes woon- of verblijfplaats bekend was en zo ja, of hem op dat adres de appeldagvaarding was aangeboden. Zo dat niet het geval was geweest had de behandeling van de zaak moeten worden aangehouden en verdachte opnieuw moeten worden opgeroepen.
21. Tegen het voorgaande weegt mijns inziens niet op dat van de verdachte, die – zoals in casu - hoger beroep heeft ingesteld mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat een dagvaarding voor die aanleg hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Gelet op de aard van de elektronische detentie mocht de verdachte er immers vanuit gaan dat zijn adres bij de staat bekend was, ook al had hij van zijn adreswijziging kennelijk nog geen opgave gedaan bij de gemeente.
22. Ik merk nog op dat art. 75 van de toentertijd geldende Wet op de gemeentelijke basisadministratie een regeling bevatte, die beoogde ervoor te zorgen dat bij langdurige opname in een penitentiaire inrichting veroordeeldes detentie-adres als zijn adres in het GBA werd opgenomen met daarbij de mogelijkheid voor de veroordeelde om een ander postadres op te geven. De wet voorzag (en voorziet) er niet in dat bij vertrek uit de penitentiaire inrichting (al dan niet) met elektronisch toezicht, het adres, waar de veroordeelde tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in de vorm van – kort gezegd - elektronisch toezicht verblijft, werd opgegeven. Dat laatste werd en wordt zonder meer aan de veroordeelde overgelaten, met dien verstande dat er wel naar wordt gestreefd te bevorderen dat de ex-gedetineerde in het GBA wordt ingeschreven. Ik wijs op de uitgave van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten “Samenwerkingsmodel Nazorg volwassen (ex-)gedetineerde burgers, Aktualisatie 2011”, in het bijzonder – voor zover hier van belang - p. 15:
“Als een gedetineerde burger om bepaalde redenen tijdens detentie toch wordt ingeschreven in de gemeente waar de penitentiaire inrichting gevestigd is (bijvoorbeeld ter verkrijging van een identiteitsbewijs), dan zorgt de gemeente van herkomst ervoor dat hij zich na einde detentie kan inschrijven in de GBA en gebruik kan maken van de noodzakelijke bestaansmiddelen van de desbetreffende gemeente.
(Ex-)gedetineerde burgers die niet beschikken over een GBA-adres worden gemeld bij de gemeente waar ze het laatst ingeschreven hebben gestaan en/of verbleven hebben. Tenzij hij of zij aangeeft zich in een andere gemeente te willen vestigen.”
Wettelijke status heeft dit geschrift echter niet.
23. Het middel slaagt.
24. Het tweede middel houdt in dat het Hof met betrekking tot de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] heeft miskend dat een benadeelde, die geen lichamelijk letsel heeft opgelopen, niet in zijn eer of goede naam is geschaad en niet op andere wijze in zijn persoon is aangetast, alleen recht heeft op vergoeding van nadeel dat niet bestaat in vermogensschade wanneer het oogmerk van de dader was gericht op toebrengen van dat nadeel.
25.
Conclusie
De medewerkers van het particuliere beveiligingsbedrijf geven de melding onverwijld door aan de met het toezicht belaste functionaris (thans de reclassering). Die neemt vervolgens contact op met de veroordeelde om na te gaan wat de reden van de alarmmelding is.
Bij ET is geen sprake van (structurele) observatie door middel van een camera, zoals bijvoorbeeld in het kader van de ordehandhaving op gemeentelijke risicoplaatsen wordt toegepast. In de huidige toepassingen van ET wordt een signaal via de telefoon afgegeven. In het buitenland zijn inmiddels technieken ontwikkeld waarbij zowel sprake is van een signaal via de telefoon als gelijktijdige controle van de aanwezigheid via een camera. Niet uitgesloten is dat een dergelijk systeem ooit in Nederland zal worden toegepast. De definitie laat deze mogelijkheid open terwijl anderzijds duidelijk is dat controle door structurele cameraobservatie niet is toegelaten. ET is evenmin een systeem waarmee de bewegingen van personen kunnen worden gevolgd, zoals bijvoorbeeld het geval is bij systemen als «global positioning». Met de gegeven definitie wordt aangegeven dat er geen voornemen is om een dergelijke vorm van permanent volgen van personen in de toekomst als modaliteit van toezicht in het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf in te zetten. Een dergelijke mate van controle van de bewegingsvrijheid verdraagt zich niet met het gegeven dat een gedetineerde pas in de laatste fase van detentie hiervoor in aanmerking komt. Het laat echter wel ruimte om in het kader van de ontwikkeling op het gebied van elektronica andere vormen dan de huidige enkelband toe te passen.
16. Zoals volgt uit het hiervoor aangehaalde samenstel van bepalingen wordt het volgen van een penitentiair programma in de vorm van – kort gezegd – elektronisch toezicht door de wetgever gezien als vorm van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Daarom is er geen grond iemand die de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf ondergaat in de vorm van een penitentiair programma met – kort gezegd – elektronisch toezicht niet te begrijpen onder iemand die in Nederland rechtens zijn vrijheid is ontnomen in de zin van het hiervoor aangehaalde art. 2 Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen. Dit klemt temeer omdat de wetgever geen reden heeft gezien in deze bepaling een uitzondering te maken voor het geval de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zou geschieden in de vorm van - kort gezegd - elektronisch toezicht. Bovendien is voor deelname aan een penitentiair programma vereist dat de veroordeelde beschikt over een aanvaardbaar verblijfadres (art. 7 lid 3 onder e Penitentiaire maatregel), een adres dat – zo volgt ook uit het hiervoor aangehaalde deel uit de memorie van toelichting op art. 4 Penitentiaire beginselenwet – bij de tenuitvoerleggende autoriteit bekend moet zijn, terwijl het elektronisch toezicht het mogelijk maakt op eenvoudige wijze te achterhalen waar hij verblijft.
17. Bij dit alles dient voorts nog in aanmerking te worden genomen dat de uitbreiding van art. 588 lid 1 Sv tot “aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen” is ingevoerd om zoveel mogelijk te waarborgen dat verdachte van zijn aanwezigheidsrecht (art. 6 lid 1 EVRM) gebruik kon maken.
18. Een en ander brengt mij tot de conclusie dat de betekening van de dagvaarding in hoger beroep niet in overeenstemming met het bepaalde in art. 588 Sv is geschied.
19. Voor zover dit laatste anders zou zijn bespreek ik de tweede vraag die in de toelichting op het middel besloten ligt, te weten of verdachtes aanwezigheidsrecht voldoende is gerespecteerd, dat wil zeggen of de staat zich voldoende heeft ingespannen om de verdachte in staat te stellen gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317, m. nt. Sch, onder IV).
20. Zoals hiervoor reeds is uiteengezet moet ten tijde van het elektronisch toezicht de verblijfplaats van de verdachte bij de justitiële autoriteiten bekend zijn geweest. Gelet op verdachtes bijzondere situatie – hij was nog niet uit detentie ontslagen, maar mocht wel onder elektronisch toezicht buiten de penitentiaire inrichting verblijven en bevond zich dus uit hoofde van zijn veroordeling tot een vrijheidsstraf nog onder de macht van de staat – had mijns inziens van de staat gevergd kunnen en moeten worden dat minstgenomen was onderzocht of verdachtes woon- of verblijfplaats bekend was en zo ja, of hem op dat adres de appeldagvaarding was aangeboden. Zo dat niet het geval was geweest had de behandeling van de zaak moeten worden aangehouden en verdachte opnieuw moeten worden opgeroepen.
21. Tegen het voorgaande weegt mijns inziens niet op dat van de verdachte, die – zoals in casu - hoger beroep heeft ingesteld mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat een dagvaarding voor die aanleg hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Gelet op de aard van de elektronische detentie mocht de verdachte er immers vanuit gaan dat zijn adres bij de staat bekend was, ook al had hij van zijn adreswijziging kennelijk nog geen opgave gedaan bij de gemeente.
22. Ik merk nog op dat art. 75 van de toentertijd geldende Wet op de gemeentelijke basisadministratie een regeling bevatte, die beoogde ervoor te zorgen dat bij langdurige opname in een penitentiaire inrichting veroordeeldes detentie-adres als zijn adres in het GBA werd opgenomen met daarbij de mogelijkheid voor de veroordeelde om een ander postadres op te geven. De wet voorzag (en voorziet) er niet in dat bij vertrek uit de penitentiaire inrichting (al dan niet) met elektronisch toezicht, het adres, waar de veroordeelde tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in de vorm van – kort gezegd - elektronisch toezicht verblijft, werd opgegeven. Dat laatste werd en wordt zonder meer aan de veroordeelde overgelaten, met dien verstande dat er wel naar wordt gestreefd te bevorderen dat de ex-gedetineerde in het GBA wordt ingeschreven. Ik wijs op de uitgave van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten “Samenwerkingsmodel Nazorg volwassen (ex-)gedetineerde burgers, Aktualisatie 2011”, in het bijzonder – voor zover hier van belang - p. 15:
“Als een gedetineerde burger om bepaalde redenen tijdens detentie toch wordt ingeschreven in de gemeente waar de penitentiaire inrichting gevestigd is (bijvoorbeeld ter verkrijging van een identiteitsbewijs), dan zorgt de gemeente van herkomst ervoor dat hij zich na einde detentie kan inschrijven in de GBA en gebruik kan maken van de noodzakelijke bestaansmiddelen van de desbetreffende gemeente.
(Ex-)gedetineerde burgers die niet beschikken over een GBA-adres worden gemeld bij de gemeente waar ze het laatst ingeschreven hebben gestaan en/of verbleven hebben. Tenzij hij of zij aangeeft zich in een andere gemeente te willen vestigen.”
Wettelijke status heeft dit geschrift echter niet.
23. Het middel slaagt.
24. Het tweede middel houdt in dat het Hof met betrekking tot de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] heeft miskend dat een benadeelde, die geen lichamelijk letsel heeft opgelopen, niet in zijn eer of goede naam is geschaad en niet op andere wijze in zijn persoon is aangetast, alleen recht heeft op vergoeding van nadeel dat niet bestaat in vermogensschade wanneer het oogmerk van de dader was gericht op toebrengen van dat nadeel.
25.
Conclusie
Ten laste van verdachte is – voor zover van belang - bewezenverklaard dat:
“hij in of omstreeks de periode van 04 december 2006 tot en met 29 juli 2007 te Rotterdam en in de gemeente Goedereede, in elk geval in Nederland, meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) heeft weggenomen
- vanuit de (jacht)haven Deltahaven, gelegen binnen de gemeente Goedereede, een motorboot (merk Quicksilver, type Commander 630wa, kleur blauw), toebehorende aan [benadeelde partij 2],
(zaak Snel I)
en/of
-vanuit de (jachthaven) Donkers, gelegen aan de Weissenbruchlaan te Rotterdam, een consoleboot (merk Quicksilver, type 500 Commander, kleur blauw), toebehorende aan [benadeelde partij 3],
(zaak Snel II);”
26. Het door het Hof bevestigde vonnis houdt met betrekking tot de toewijzing van de vorderingen van genoemde benadeelde partijen in voor zover hier van belang:
“Ten aanzien van de door benadeelde partij gestelde immateriële schade (verlies hobby, en daaraan gebonden plezier en ongemak) is de politierechter van oordeel dat aannemelijk is geworden dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde. Deze vordering leent zich - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van EUR 500,=.”
27. Art. 6:106 lid 1 BW luidt:
“1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.”
28. Over het bepaalde onder a. houdt de toelichting Meijers in:
“Sub a wordt het geval genoemd dat de aangesprokene het oogmerk had de ideële schade zoals deze door de benadeelde is geleden, toe te brengen. Ons huidige wetboek kent niet deze schuldvorm als zelfstandige grond voor toekenning van een vergoeding voor ideëel nadeel. Vooral met het oog op de tweede, in de vorige alinea genoemde functie van de vergoeding voor ideëel nadeel – bevrediging van het geschokte rechtsgevoel – zal onder omstandigheden het feit dat de aangesprokene zich als doel had gesteld aan een ander dit ideële nadeel toe te brengen, rechtvaardigen dat aan de benadeelde een vergoeding daarvoor wordt toegekend; men denke aan het geval dat iemand eens anders, slechts geringe marktwaarde hebbende zaak vernielt met het oogmerk die ander te treffen in de grote affectieve waarde die de zaak voor deze had.”
29. Noch aan de bewezenverklaring, noch aan de gebezigde bewijsmiddelen noch aan de strafmotivering valt enige aanwijzing te ontlenen dat verdachte de in de bewezenverklaring genoemde vaartuigen heeft gestolen met het doel aan de eigenaren daarvan ideëel nadeel toe te brengen.
30. Gelet op de hiervoor weergegeven toelichting, die immers spreekt van het zich ten doel stellen van het toebrengen van ideëel nadeel, is er geen aanknopingspunt onder “oogmerk” op een bepaald gevolg, zoals de strafkamer van de Hoge Raad doet, mede te begrijpen gevallen waarin verdachtes handelen, naar hij moet hebben beseft, dat gevolg als noodzakelijk meebracht. In de literatuur pleegt opzet op zaaks-beschadiging dan ook niet voldoende te worden geacht voor een beroep op art. 6:106 onder a BW.
31. Het middel slaagt.
32. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317, m. nt. Sch.
Kamerstukken II 2004–2005, 29 805, nr. 3, p. 9, 10.
Stb. 2005, 497, p. 3, 4. Bij art. 13 van het Besluit van 6 augustus 2009, Stb. 2009, 352 is “de Verwijs Index Personen” vervangen door “de strafrechtsketendatabank”. Bij dat Besluit is op grond van art 27b lid 4 Sv de strafrechtsketendatabank ingesteld.
Wet van 3 april 2003, Stb. 2003, 142.
Kamerstukken II 2001–2002, 28 420, nr. 3.
Kamerstukken II 2004–2005, 29 805, nr. 3, p. 9, 10.
Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317, m.nt. Sch, rov. 3.34, laatste volzin.
HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317, m.nt. Sch, rov. 3.33.
Deze wet is met ingang van 6 januari 2014 vervangen door de Wet basisadministratie personen. Art. 2.50 van de nieuwe wet is gelijkluidend aan art. 75 van de oude wet.
Deze uitgave betreft een in 2009 tot stand gekomen samenwerkingsmodel tussen het Ministerie van (toen) Justitie en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (Handboek Strafzaken, 60.2.14)
Op p. 21 wordt onder “Nadere uitwerking van de informatie-uitwisseling” overigens niet voorzien in opgave van het nieuwe adres van de ex-gedetineerde.
Dat geldt ook voor de notitie van het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties “Registratie van gegevens over gedetineerden in de GBA” van 28 januari 2013.
Toelichting Meijers, Parlementaire Geschiedenis, boek 6, p. 378.
Zie voor commentaar op deze bepaling S.D. Lindenbergh in Groene Serie Privaatrecht, Schadevergoeding, aant. 21 ad art. 6:106, en daar genoemde literatuur.
HR 21 april 1998, NJ 1998, 610 t.a.v. oogmerk in 189 Sr, HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099 t.a.v. art. 273a (oud) Sr (mensenhandel).
Zie de literatuur genoemd in Groene Serie Privaatrecht, Schadevergoeding, aant. 21 ad art. 6:106.
Conclusie
Ten laste van verdachte is – voor zover van belang - bewezenverklaard dat:
“hij in of omstreeks de periode van 04 december 2006 tot en met 29 juli 2007 te Rotterdam en in de gemeente Goedereede, in elk geval in Nederland, meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) heeft weggenomen
- vanuit de (jacht)haven Deltahaven, gelegen binnen de gemeente Goedereede, een motorboot (merk Quicksilver, type Commander 630wa, kleur blauw), toebehorende aan [benadeelde partij 2],
(zaak Snel I)
en/of
-vanuit de (jachthaven) Donkers, gelegen aan de Weissenbruchlaan te Rotterdam, een consoleboot (merk Quicksilver, type 500 Commander, kleur blauw), toebehorende aan [benadeelde partij 3],
(zaak Snel II);”
26. Het door het Hof bevestigde vonnis houdt met betrekking tot de toewijzing van de vorderingen van genoemde benadeelde partijen in voor zover hier van belang:
“Ten aanzien van de door benadeelde partij gestelde immateriële schade (verlies hobby, en daaraan gebonden plezier en ongemak) is de politierechter van oordeel dat aannemelijk is geworden dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde. Deze vordering leent zich - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van EUR 500,=.”
27. Art. 6:106 lid 1 BW luidt:
“1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.”
28. Over het bepaalde onder a. houdt de toelichting Meijers in:
“Sub a wordt het geval genoemd dat de aangesprokene het oogmerk had de ideële schade zoals deze door de benadeelde is geleden, toe te brengen. Ons huidige wetboek kent niet deze schuldvorm als zelfstandige grond voor toekenning van een vergoeding voor ideëel nadeel. Vooral met het oog op de tweede, in de vorige alinea genoemde functie van de vergoeding voor ideëel nadeel – bevrediging van het geschokte rechtsgevoel – zal onder omstandigheden het feit dat de aangesprokene zich als doel had gesteld aan een ander dit ideële nadeel toe te brengen, rechtvaardigen dat aan de benadeelde een vergoeding daarvoor wordt toegekend; men denke aan het geval dat iemand eens anders, slechts geringe marktwaarde hebbende zaak vernielt met het oogmerk die ander te treffen in de grote affectieve waarde die de zaak voor deze had.”
29. Noch aan de bewezenverklaring, noch aan de gebezigde bewijsmiddelen noch aan de strafmotivering valt enige aanwijzing te ontlenen dat verdachte de in de bewezenverklaring genoemde vaartuigen heeft gestolen met het doel aan de eigenaren daarvan ideëel nadeel toe te brengen.
30. Gelet op de hiervoor weergegeven toelichting, die immers spreekt van het zich ten doel stellen van het toebrengen van ideëel nadeel, is er geen aanknopingspunt onder “oogmerk” op een bepaald gevolg, zoals de strafkamer van de Hoge Raad doet, mede te begrijpen gevallen waarin verdachtes handelen, naar hij moet hebben beseft, dat gevolg als noodzakelijk meebracht. In de literatuur pleegt opzet op zaaks-beschadiging dan ook niet voldoende te worden geacht voor een beroep op art. 6:106 onder a BW.
31. Het middel slaagt.
32. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317, m. nt. Sch.
Kamerstukken II 2004–2005, 29 805, nr. 3, p. 9, 10.
Stb. 2005, 497, p. 3, 4. Bij art. 13 van het Besluit van 6 augustus 2009, Stb. 2009, 352 is “de Verwijs Index Personen” vervangen door “de strafrechtsketendatabank”. Bij dat Besluit is op grond van art 27b lid 4 Sv de strafrechtsketendatabank ingesteld.
Wet van 3 april 2003, Stb. 2003, 142.
Kamerstukken II 2001–2002, 28 420, nr. 3.
Kamerstukken II 2004–2005, 29 805, nr. 3, p. 9, 10.
Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317, m.nt. Sch, rov. 3.34, laatste volzin.
HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317, m.nt. Sch, rov. 3.33.
Deze wet is met ingang van 6 januari 2014 vervangen door de Wet basisadministratie personen. Art. 2.50 van de nieuwe wet is gelijkluidend aan art. 75 van de oude wet.
Deze uitgave betreft een in 2009 tot stand gekomen samenwerkingsmodel tussen het Ministerie van (toen) Justitie en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (Handboek Strafzaken, 60.2.14)
Op p. 21 wordt onder “Nadere uitwerking van de informatie-uitwisseling” overigens niet voorzien in opgave van het nieuwe adres van de ex-gedetineerde.
Dat geldt ook voor de notitie van het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties “Registratie van gegevens over gedetineerden in de GBA” van 28 januari 2013.
Toelichting Meijers, Parlementaire Geschiedenis, boek 6, p. 378.
Zie voor commentaar op deze bepaling S.D. Lindenbergh in Groene Serie Privaatrecht, Schadevergoeding, aant. 21 ad art. 6:106, en daar genoemde literatuur.
HR 21 april 1998, NJ 1998, 610 t.a.v. oogmerk in 189 Sr, HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099 t.a.v. art. 273a (oud) Sr (mensenhandel).
Zie de literatuur genoemd in Groene Serie Privaatrecht, Schadevergoeding, aant. 21 ad art. 6:106.