Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2013-06-21
ECLI:NL:PHR:2013:CA3936
Civiel recht
2,195 tokens
Conclusie
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Limburg
Deze Bopz-zaak betreft een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Voldoet het psychiatrisch onderzoek aan het vereiste van een objectief medisch onderzoek?
Feiten
1.1. Op 17 februari 2013 heeft de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen op de voet van art. 20 Wet Bopz last gegeven tot inbewaringstelling van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene). Betrokkene is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Op 18 februari 2013 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Limburg verzocht een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen (art. 27 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring d.d. 17 februari 2013 gevoegd, opgesteld en ondertekend door de psychiater [psychiater 1].
1.2. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 21 februari 2013. Zij heeft betrokkene en zijn advocaat alsmede de (behandelend) psychiater [psychiater 2] gehoord. Op 22 februari 2013 heeft de rechtbank een aanvullende schriftelijke verklaring van psychiater [psychiater 1] ontvangen alsmede een reactie daarop van de advocaat namens betrokkene. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de gevraagde machtiging verleend.
1.3. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1. Ingevolge art. 29 lid 5 Wet Bopz staat tegen de beschikking op een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling geen gewoon rechtsmiddel open.
2.2. Naar vaste rechtspraak kan een rechtsmiddelenverbod worden doorbroken indien in cassatie erover wordt geklaagd dat de rechter in de vorige instantie het desbetreffende artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, ten onrechte heeft toegepast (dan wel buiten het toepassingsgebied van het artikel is getreden) of met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast. Voor een doorbreking van een rechtsmiddelenverbod op de grond dat essentiële vormen zijn verzuimd, is nodig dat aan de klacht ten grondslag ligt dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, zoals bij veronachtzaming van het beginsel van hoor en wederhoor.
2.3. In HR 26 september 2008 (LJN: BD4375)(1) heeft de Hoge Raad een uitbreiding gegeven aan de genoemde doorbrekingsgronden. In die zaak werd geklaagd dat de rechtbank ten onrechte een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling had verleend zonder te beschikken over een geneeskundige verklaring, opgesteld door een psychiater die betrokkene daartoe persoonlijk heeft onderzocht. Onder verwijzing naar HR 21 februari 2003 (LJN: AF3450)(2), overwoog de Hoge Raad dat het cassatiemiddel klaagde over het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald. Volgens de Hoge Raad leverde die klacht een grond op voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod in art. 29 lid 5 Wet Bopz. Tegen deze achtergrond is het huidige cassatieberoep ontvankelijk te achten.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1. Het middel houdt de klacht in dat bij de beslissing over de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling geen onafhankelijke (d.w.z. niet bij de behandeling betrokken) psychiater is geraadpleegd. Dat is volgens de klacht in strijd met art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM; die bepaling veronderstelt een objectief medisch onderzoek door een psychiater. Indien de rechtbank ervan is uitgegaan dat de psychiater [psychiater 1] op 17 februari 2013 kon worden aangemerkt als niet bij de behandeling betrokken, hoewel hij naar eigen zeggen tot 5 december 2012 nog behandelend psychiater van betrokkene was, geeft de beslissing blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip 'behandelend psychiater'. Subsidiair is onbegrijpelijk op welke grond de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de psychiater niet bij de behandeling betrokken was.
3.2. Het EHRM stelt eisen aan het geneeskundig onderzoek dat voorafgaat aan de vrijheidsbeneming. In het Winterwerp-arrest(3) werd objective medical expertise geëist. In het Varbanov-arrest(4) heeft het EHRM daaraan toegevoegd dat voor een vrijheidsbeneming op grond van art. 5 lid 1 onder e EVRM is vereist dat een objectief onderzoek door een specialist (medical expert) voorafgaat aan de vaststelling van een stoornis van de geestesvermogens. Hierbij is een uitzondering gemaakt voor het optreden in crisissituaties (emergencies), in welk geval het nodige onderzoek zo nodig achteraf kan plaatsvinden, en voor gevallen waarin de betrokkene niet wil meewerken aan het psychiatrisch onderzoek. In die gevallen kan gebruik worden gemaakt van gegevens uit het dossier. In sommige gevallen mag consultatie van een psychiater na de vrijheidsbeneming plaatsvinden, maar dat moet dan gebeuren "immediately after the arrest".
3.3. In de hiervoor genoemde beschikking van 26 september 2008 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
"(...) De leden 1 en 2 van art. 21 laten de mogelijkheid open dat de burgemeester een inbewaringstelling gelast op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, en wel indien het niet mogelijk is dat een psychiater de verklaring verstrekt. Met inachtneming van de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot vrijheidsontneming van als geestesziek aangemerkte personen (art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de door dat hof gestelde eis van 'objective medical expertise' aldus moet worden verstaan dat die - behoudens in noodsituaties - een persoonlijk voorafgaand onderzoek van de betrokkene door een specialist, dat wil zeggen een psychiater als bedoeld in art. 1 lid 1, aanhef en onder j, Wet Bopz, veronderstelt. In een geval waarin de inbewaringstelling gelast is op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, brengt de bepaling van art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM dan ook mee dat de rechter, onverminderd het bepaalde in art. 29 lid 2 Wet Bopz, een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling slechts mag verlenen na te hebben kennisgenomen van een schriftelijke - dan wel ter zitting mondeling afgelegde en in het proces-verbaal van de zitting te vermelden - verklaring van een niet behandelend psychiater die persoonlijk de betrokkene na diens inbewaringstelling heeft onderzocht (...)" (rov. 4.3)
3.4. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank, naar aanleiding van het verweer, aan psychiater [psychiater 1] inlichtingen verzocht. Deze psychiater schreef in zijn brief van 22 februari 2013:
"Op verzoek van de rechtbank verklaar ik dat ik sinds 5 december 2012 niet meer behandelend psychiater ben van [betrokkene].
Zijn ambulante psychiater is sindsdien [psychiater 3], zijn klinische psychiater is [psychiater 2]. Wel heb ik eerder een geneeskundige verklaring geschreven voor een Rechterlijke Machtiging. Daarnaast heb ik betrokkene éénmaal gesproken tijdens een vervanging van collega [psychiater 2], nu enkele maanden geleden, tijdens een klinische opname.
Dat gesprek ging over zijn ontslagwens en over zijn verzoek om verlof/uitgang. (...)"
3.5. In een uitspraak van 16 oktober 2009(5) werd omtrent de aan het psychiatrisch onderzoek te stellen eisen overwogen:
"(...) Bij de beantwoording van de vraag of een psychiater die ten tijde van het onderzoek niet bij de behandeling betrokken is, maar zulks in het verleden wel is geweest, als onafhankelijk kan worden aangemerkt, is niet alleen van belang het tijdsverloop sinds het beëindigen van de behandelrelatie, maar ook de duur en de intensiteit van de behandelrelatie. Het is aan de feitenrechter voorbehouden aan de hand van de omstandigheden van het geval telkens het onderlinge gewicht van deze factoren te bepalen.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Limburg.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 NJ 2008/607 m.nt. J. Legemaate; BJ 2008/58 m.nt. W. Dijkers.
2 NJ 2003/484 m.nt. JdB; BJ 2003, 20 m.nt. W. Dijkers.
3 EHRM 24 oktober 1979 (LJN: AC6700) NJ 1980, 114 m.nt. E.A. Alkema.
4 EHRM 5 oktober 2000 (LJN: AS7846) BJ 2001, 36 m.nt. W. Dijkers.
5 HR 16 oktober 2009 (LJN: BK0342) BJ 2009, 47 m.nt. W. Dijkers. Zie ook HR 8 mei 1998 (LJN: ZC2642) NJ 1998, 796.