Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2013-07-12
ECLI:NL:PHR:2013:622
Civiel recht
1,557 tokens
Conclusie
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Oost-Nederland
In deze Bopz-zaak is een voorlopige machtiging verleend zonder dat betrokkene persoonlijk is gehoord.
Feiten
1.1.
Bij verzoekschrift d.d. 7 maart 2013 heeft de officier van justitie in het toenmalige arrondissement Oost-Nederland aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) te doen opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 2 Wet Bopz). Bij dit verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, opgemaakt en op 5 maart 2013 ondertekend door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [de psychiater].
1.2.
Op 20 maart 2013 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij was betrokkene niet aanwezig. Wel aanwezig waren de advocaat van betrokkene, de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, een zuster en de moeder van betrokkene. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van zes maanden.
1.3.
Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. Namens de officier van justitie is, na verleend uitstel, afgezien van een verweerschrift.
2Bespreking van het cassatiemiddel
2.1.
Onderdeel 1 van het middel houdt in dat de rechtbank in strijd met art. 8 Wet Bopz de verzochte machtiging heeft verleend zonder dat betrokkene door de rechtbank is gehoord en zonder vast te stellen dat betrokkene niet gehoord wil worden. Onderdeel 2 sluit hierbij aan met de klacht dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met de wettelijke bepalingen inzake de oproeping van de gerekestreerde (art. 271 – 276 Rv). Onderdeel 3 klaagt dat de rechtbank bovendien in strijd heeft gehandeld met art. 8 lid 9 Wet Bopz, aangezien uit het proces-verbaal blijkt dat de advocaat van betrokkene geen contact met betrokkene heeft kunnen krijgen en derhalve niet namens betrokkene haar zienswijze heeft kunnen kenbaar maken naar aanleiding van de meningen en verklaringen van personen als bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid van art. 8.
2.2.
Voor het antwoord op de vraag wanneer de patiënt niet bereid is zich te doen horen, is in de rechtspraak het volgende criterium ontwikkeld:
“Art. 8 lid 1 Bopz bepaalt dat de rechter, alvorens op de vordering tot voorlopige machtiging te beschikken, degene ten aanzien van wie de machtiging is gevorderd, hoort, tenzij hij vaststelt dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan alleen het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen eer de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat iemand niet van zijn vrijheid kan worden beroofd zonder dat hij, zo hij zulks wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld. Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit met zoveel woorden in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient aan te geven waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat zulks naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop hij zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene te zijnen huize te horen op de voet van art. 8 lid 1, tweede zin. Indien naar het feitelijk oordeel van de rechter deze gedragingen op zichzelf nog niet voldoende zijn om aan te nemen dat de voormelde bereidheid ontbreekt, maar daaruit wel mag worden afgeleid dat de betrokkene in staat is zich naar de rechtbank te begeven, is de rechter vrij om dit ontbreken af te leiden uit de omstandigheid dat de betrokkene vervolgens behoorlijk ter zitting is opgeroepen, maar daar niet is verschenen.”
2.3.
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank zich naar het huisadres van betrokkene begeven. De rechtbank heeft niet in haar beschikking de vaststelling opgenomen dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen, dus ook niet de gronden waarop dat oordeel berust. Om deze reden slaagt het eerste middelonderdeel en behoeven het tweede en het derde middelonderdeel verder geen bespreking. Mogelijk heeft de rechtbank zich laten leiden door de mededeling van de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, die adviseerde betrokkene niet op te zoeken in de universiteitsbibliotheek en een ander geschikt contactmoment te zoeken, terwijl de raadsman verzocht meteen uitspraak te doen, maar daarover valt slechts te gissen.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. – g.
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, blz. 1, blijkt dat de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige op een vraag van de rechter heeft geantwoord dat betrokkene in de bibliotheek van de Universiteit Twente was en zich bezig hield met studie.
Deze beschikking is verbeterd bij herstelbeschikking van 23 april 2013, omdat in de tekst van 20 maart 2013 abusievelijk was opgenomen dat betrokkene is gehoord.
HR 14 februari 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZC2283), NJ 1997/378 m.nt. J. de Boer.
Dit geldt inmiddels als vaste jurisprudentie. Zie onder meer: HR 20 juni 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZC2400), NJ 1997/625; HR 24 september 1999 (ECLI:NL:HR:1999:ZC2973), NJ 1999/752; HR 8 juli 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT8128), BJ 2005/25 m.nt. W. Dijkers; HR 8 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3590),NJ 2013/158.
Vgl. art. 802 Rv.
Proces-verbaal blz. 2.