Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2013-11-12
ECLI:NL:PHR:2013:2266
Strafrecht
1,961 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 7 mei 2012 gelast dat verdachte wegens “poging tot doodslag” ter beschikking wordt gesteld en daarbij bevolen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 6.219,04. Tot slot heeft het Hof een vordering strekkende tot tenuitvoerlegging van een bij eerdere uitspraak voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf afgewezen.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
4Het eerste middel
4.1.
Het middel klaagt erover dat het Hof in het kader van zijn bewijsbeslissing bij verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer bewezen heeft verklaard, terwijl in het kader van de beslissing over de strafbaarheid van verdachte door het Hof is overwogen dat de bewezen verklaarde poging tot doodslag niet aan verdachte kan worden toegerekend, omdat hij ten tijde van het feit aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens leed. Volgens de steller van het middel had het Hof zijn bewezenverklaring nader dienen te motiveren.
4.2.
De omstandigheid dat een verdachte aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt, behoeft op zichzelf niet in de weg te staan aan het oordeel dat bij hem sprake is van opzet op de dood van een slachtoffer. Anders is dit, indien blijkt van een zodanige geestelijke afwijking bij de verdachte, dat aangenomen moet worden dat hij van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan is verstoken. In de nadere bewijsoverwegingen in het bestreden arrest ligt als ’s Hofs oordeel besloten dat een dergelijk geval zich hier niet voordoet. Dit oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
4.3.
Het middel faalt daarom.
5Het tweede middel
5.1.
Het middel komt op tegen ’s Hofs motivering van de beslissing tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.
5.2.
Het bestreden arrest houdt, voor zover hier relevant, het volgende in.
“Motivering van de op te leggen maatregel
(…)
Het hof heeft de uiteindelijke op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft op bewezenverklaarde wijze gepoogd het slachtoffer van het leven te beroven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het slachtoffer gebruik gemaakt van haar spreekrecht. De ervaring leert dat slachtoffers van een ernstig delict als het onderhavige nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan ondervinden en het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep zelf geconstateerd dat de gebeurtenissen tot op de dag van vandaag heftige emoties bij het slachtoffer oproepen en nog steeds grote invloed hebben op haar leven. Weliswaar kan de bewezenverklaarde daad niet aan het slachtoffer worden toegerekend, doch het slachtoffer en de maatschappij dienen naar ’s hofs oordeel wel tegen de verdachte worden beschermd.
(…)
Het hof is, anders dan de gedragsdeskundigen en met de advocaat-generaal, van oordeel dat plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis in dit geval niet de aangewezen maatregel is en overweegt daartoe als volgt.
Het hof acht het bij de bepaling van de op te leggen maatregel van groot belang dat beide gedragsdeskundigen de kans op recidive, om reeds overwogen redenen, verhoogd achten.
Het hof constateert voorts dat de verdachte noch voorafgaand aan en op de terechtzitting in eerste aanleg, noch ter terechtzitting in hoger beroep op enige wijze blijk heeft gegeven van enig inzicht in zijn gedragsproblematiek, spijt ten opzichte van het slachtoffer of inzicht in de morele en maatschappelijke consequenties van zijn daden. De opmerkingen van de verdachte dat hij zelf ook slachtoffer is vanwege de door het overspel van het slachtoffer veroorzaakte krenking van zijn eergevoel, alsmede dat het slachtoffer geen geluk heeft gehad dat zij het voorval heeft overleefd, omdat zij nog steeds een goedkope en domme hoer is, zijn hiervoor tekenend.
Daarbij komt nog de voortdurende fixatie van de verdachte op het slachtoffer. Zo heeft de verdachte nadat het hem verweten feit had plaatsgevonden vanuit detentie meermalen contact met het slachtoffer gezocht door haar brieven te schrijven. Deze brieven en een vertaling daarvan bevinden zich in het dossier. De laatste brief heeft de verdachte naar eigen zeggen begin maart 2012 verstuurd. Uit deze brieven blijkt evenmin dat de verdachte spijt heeft van zijn daad, doch eerder dat moet worden gevreesd voor een wraakactie van zijn kant.
In dit verband overweegt het hof voorts dat de verdachte er niet in slaagde zich te beheersen op het moment dat het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep gebruik maakte van haar spreekrecht. Immers, bij die gelegenheid achtte de verdachte het meermalen noodzakelijk om het spreekrecht – waarbij het slachtoffer haar invoelbare angst onder woorden bracht – door middel van bagatelliserende kreten te onderbreken. Dit alles ondanks het feit dat verdachte sinds enige tijd in het PPC vrijwillig medicatie neemt (blz 3 pleitnota raadsvrouw).
Gelet op het vorenoverwogene acht het hof het, mede gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit en de impact die dergelijke feiten hebben op de maatschappij, van het grootste belang de recidivekans zo veel mogelijk te beperken. Ter beveiliging van de maatschappij is een maximale controle door de strafrechter met inachtneming van de daarbij behorende procedures en waarborgen geboden. Daarbij past in het onderhavige geval niet het afhankelijk zijn van een eventueel verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf door een officier van justitie, zoals vastgelegd in de Wet Bopz.
Weliswaar achten de geraadpleegde gedragsdeskundigen de behandelomgeving in een psychiatrisch ziekenhuis voor de verdachte optimaal, maar daar staat tegenover dat de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis niet alleen het medische doel van behandeling van de verdachte kent. Een ander doel van de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is immers blijkens artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht gelegen in het beveiligen van de maatschappij. Gelet op hetgeen reeds hiervoor is overwogen biedt de setting van een psychiatrisch ziekenhuis, al dan niet gevolgd door een voortgezet verblijf op grond van de Wet Bopz, naar ’s hofs oordeel in dit geval onvoldoende waarborgen om laatstgenoemd doel te bewerkstelligen.
(…)”
5.3.
Het belangrijkste bezwaar van de steller van het middel betreft de overweging van het Hof dat verdachte “noch voorafgaand aan en op de terechtzitting in eerste aanleg, noch ter terechtzitting in hoger beroep op enige wijze blijk heeft gegeven van enig inzicht in zijn gedragsproblematiek, spijt ten opzichte van het slachtoffer of inzicht in de morele en maatschappelijke consequenties van zijn daden”.