Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2012-11-13
ECLI:NL:PHR:2012:BY0062
Strafrecht
1,511 tokens
=== CONCLUSIE ===
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 11 augustus 2010 verdachte wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof beslist op de vordering van de benadeelde partij, op de wijze vermeld in het arrest.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.(1)
3. Namens verdachte heeft mr. B.J. Tieman, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld.(2)
4. Het middel
4.1. Het middel klaagt over de toewijzing door het Hof van de vordering van de benadeelde partij.
4.2. Het Hof heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen:
"Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder feit 1 en 2 ten laste gelegde.
De vordering is in eerste aanleg toegewezen.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vordering gelet op het feit dat de vordering, groot € 16.292,=, reeds is betaald door medeverdachte [betrokkene 2]. Volgens de raadsman is de schade van de benadeelde partij hiermee vergoed en kan door hem geen civiele vordering meer worden geëist.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en verzocht het hof de vordering geheel toe te wijzen, althans de beslissing van de rechtbank omtrent de benadeelde partij te bevestigen.
Het hof stelt voorop dat artikel 361, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering als voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een benadeelde partij stelt dat a) de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, dan wel artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, en b) dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit. In de onderhavige zaak is aan beide voorwaarden voldaan. Bovendien staat de opeisbaarheid van de civiele vordering van het slachtoffer los van de vraag of het slachtoffer zich kan voegen als benadeelde partij in het strafproces (HR 13 juli 2010, LJN BM0912). Het hof acht dan ook de benadeelde partij [betrokkene 1] ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding.
Voorts is het hof van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dat de schade van de benadeelde partij reeds is betaald door een medeverdachte die hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor het geleden schade doet niet af aan de aansprakelijkheid van de verdachte voor de rechtstreekse schade van een door hem gepleegd feit. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen. Het hof ziet thans geen reden tot het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel in de zin van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, aangezien de benadeelde partij de door hem gevorderde schadevergoeding reeds heeft ontvangen."
4.3. Het middel klaagt terecht dat het Hof eraan voorbij ziet dat het door het Hof genoemde arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2010 betrekking heeft op de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr.(3) Nu het Hof heeft vastgesteld dat de door de benadeelde partij geleden schade reeds is vergoed door de medeverdachte, is aan diens vordering de grondslag komen te ontvallen.(4) Voor toewijzing was derhalve geen plaats meer. De Hoge Raad zou, opnieuw rechtdoende, zelf de benadeelde partij niet-ontvankelijk kunnen verklaren in haar vordering.
4.4. Het middel slaagt in zoverre. Voor het overige behoeft het derhalve geen bespreking meer.
5. Ambtshalve wijs ik erop dat het cassatieberoep van verdachte is ingesteld op 17 augustus 2010. Hieruit volgt dat in cassatie de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Gelet op de bij de bestreden uitspraak opgelegde straf kan de Hoge Raad evenwel volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen. Voorts strekt deze conclusie ertoe dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden en voor het overige het beroep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte 1] (10/03685) waarin ik op 11 september 2012 heb geconcludeerd en met de zaak tegen [medeverdachte 3] (11/04291), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.
2 Een afschrift van de schriftuur van de verdachte als bedoeld in art. V lid 1 van het Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad is pas op 13 september 2012 aan de benadeelde partij toegezonden. Dit betekent dat er gelet op de termijn van dertig dagen vermeld in lid 2 van dit artikel nog een verweerschrift van de benadeelde partij kan binnenkomen. Mocht dit zich inderdaad voordoen dan ben ik desgewenst uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
3 HR 13 juli 2010, LJN BM0912, NJ 2010/459.
4 HR 9 november 2010, LJN BL0837; HR 4 februari 2003, LJN AF1929.