Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2012-11-30
ECLI:NL:PHR:2012:BX9022
Civiel recht
8,952 tokens
Conclusie
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie
tegen
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
verweerder in cassatie
In deze zaak komt de vraag aan de orde of verzoeker (hierna: [verzoeker]) op grond van art. 6 lid 4 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132, hierna: TOS) de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
Feiten
1.1 De feiten staan vermeld in rov. 3.1-3.3 van de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juni 2011. [Verzoeker] is geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats], Suriname, als zoon van [de moeder]. Ten tijde van de geboorte van [verzoeker] was zijn moeder in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. [Verzoeker] verkreeg bij zijn geboorte op grond van art. 1, aanhef en onder c, van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 (WNI) door afstamming van een ongehuwde Nederlandse moeder de Nederlandse nationaliteit. Op 2 juni 1971 is [verzoeker] erkend door [de vader], van Nederlandse nationaliteit. Op 22 december 1971 zijn de vader en de moeder van [verzoeker] met elkaar in het huwelijk getreden.
1.2 Ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS op 25 november 1975 had [verzoeker], als minderjarige, met zijn ouders woonplaats buiten Suriname, zodat hij op die datum, evenals zijn ouders, de Nederlandse nationaliteit behield.
1.3 De moeder van [verzoeker] heeft op 16 mei 1984 door optie ingevolge art. 5 lid 1 TOS de Surinaamse nationaliteit verkregen, waardoor zij op grond van art. 2 lid 1 TOS haar Nederlanderschap verloor. De vader van [verzoeker] verkreeg op 8 april 1985 op grond van art. 5 lid 2 TOS de Surinaamse nationaliteit, waardoor hij op grond van art. 2 lid 1 TOS zijn Nederlanderschap verloor. [Verzoeker] was op 8 april 1985 minderjarig, zodat hij op grond van art. 6 lid 1 TOS de nationaliteit van zijn vader volgde en eveneens de Surinaamse nationaliteit verkreeg en zijn Nederlanderschap verloor.
1.4 [Verzoeker] heeft op 29 juli 2009 een verzoekschrift ingediend waarin hij de rechtbank heeft verzocht vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zich tussen januari en maart 1989 meerdere keren tot de Nederlandse ambassade in Paramaribo heeft gewend om te opteren voor de Nederlandse nationaliteit en dat hij op grond van art. 6 lid 4 TOS de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.(1)
1.5 De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. De officier van justitie heeft zich daarbij aangesloten.(2)
1.6 Bij beschikking van 9 juni 2011 heeft de rechtbank het verzoek van [verzoeker] afgewezen. Daartoe overwoog de rechtbank dat in 1989 voor de uitoefening van het optierecht van art. 6 lid 4 TOS de voorwaarde gold dat de nationaliteit waarvoor geopteerd werd, de nationaliteit moest zijn van het land waar men woonplaats had. Aangezien niet ter discussie stond dat [verzoeker] in 1989 in Suriname woonachtig was, had [verzoeker] volgens de rechtbank niet de mogelijkheid om op grond van art. 6 lid 4 TOS voor de Nederlandse nationaliteit te opteren.(3)
1.7 [Verzoeker] heeft tegen deze beschikking (tijdig) cassatieberoep ingesteld.(4) Het griffierecht was echter te laat betaald. In dat kader heeft de advocaat van [verzoeker] een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Bij arrest van 10 februari 2012 (LJN: BV3556, NJ 2012/231) heeft de Hoge Raad het beroep op de hardheidsclausule gegrond bevonden, waarna de procedure is voortgezet. De Staat heeft in cassatie geen verweer gevoerd. Aangezien door [verzoeker] slechts een gedeelte van het procesdossier is gefourneerd en door de Staat geen verweer is gevoerd, heb ik ambtshalve bij de rechtbank de stukken van het dossier opgevraagd en ontvangen.(5)
2. Bespreking van het cassatieberoep
2.1 [Verzoeker] stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat het oordeel van de rechtbank over het woonplaats-vereiste in rov. 3.4 van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Volgens [verzoeker] berust art. 6 lid 4 TOS op de gedachte dat een persoon die meerderjarig is geworden, een correctiemogelijkheid krijgt voor het geval de werking van art. 6 leden 1 en 2 TOS ertoe leidt dat een minderjarige een andere nationaliteit verkrijgt dan hij zou hebben verkregen indien hij reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van de inwerkingtreding van de TOS (25 november 1975). Onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad voert [verzoeker] aan dat art. 6 lid 4 TOS niet vereist dat de woonplaats in Nederland moet zijn gelegen.(6)
2.2 In verband met het onafhankelijk worden van Suriname op 25 november 1975 bepaalt de TOS wie op dat moment de Nederlandse nationaliteit behoudt en wie de Surinaamse nationaliteit verkrijgt. In beginsel volgen minderjarigen de nationaliteit van hun vader (art. 6 lid 1 TOS). Art. 6 lid 4 TOS biedt minderjarigen een optie en luidt als volgt:
'De in de voorgaande leden bedoelde minderjarigen verkrijgen de nationaliteit die zij, indien zij ten tijde van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst reeds meerderjarig waren geweest, zouden hebben verkregen dan wel hadden kunnen verkrijgen of behouden, door binnen vijf jaar na het bereiken van de meerderjarigheid hun wil daartoe te kennen te geven, mits deze nationaliteit is de nationaliteit van het land waar zij dan woonplaats hebben. (...)'.
2.3 Gelijktijdig met de TOS zijn op 25 november 1975 in werking getreden de Overeenkomst inzake het verblijf en de vestiging van wederzijdse onderdanen en de Overeenkomst inzake de afschaffing van de visumplicht.(7) Het gevolg hiervan was dat een meerderjarige zonder belemmeringen naar Nederland kon reizen om zijn optierecht van art. 6 lid 4 TOS in te roepen. In de toelichtende nota bij de Vestigingsovereenkomst stond het volgende:
'Zou de visum-afschaffingsovereenkomst komen te vervallen, dan zijn de regeringen van Nederland en Suriname verplicht aan wederzijdse onderdanen, die daarom verzoeken, een visum voor kort verblijf te verlenen. Dit visum kan alleen worden geweigerd in die omstandigheden, die ook volgens de visum-afschaffingsovereenkomst aan een (vrij) verblijf van drie maanden in de weg zouden staan'.(8)
2.4 Op 1 september 1980 heeft Nederland eenzijdig de Visum-afschaffingsovereenkomst opgeschort. Vanaf dat moment hadden Surinaamse staatsburgers een visum nodig om naar Nederland te kunnen reizen. Dit maakte het inroepen van de optie van art. 6 lid 4 TOS voor velen illusoir.(9) Zo werd het visum voor kort verblijf geweigerd indien niet aan de voorwaarden daarvoor werd voldaan. Indien het visum werd aangevraagd met de expliciete vermelding dat het de bedoeling was een optie voor het Nederlanderschap te doen, was dat een extra grond voor weigering van het visum.(10)
2.5 In februari 1989 is het probleem van het illusoir worden van het optierecht van art. 6 lid 4 TOS onderkend tijdens een ambtelijk overleg tussen Nederland en Suriname. Een en ander heeft uiteindelijk op 14 november 1994 geleid tot een Protocol waarin in art. 2 is bepaald dat het woonplaatsvereiste van art. 6 lid 4 TOS wordt geschrapt. Dit Protocol is op 1 december 1995 in werking getreden.(11) De toelichtende nota vermeldt over deze wijziging het volgende:
'Hier doet zich dus een incongruentie voor tussen de Toescheidingsovereenkomst en het nationale recht, in casu het Nederlandse vreemdelingenrecht. Immers het verdrag kent een recht toe en het nationale recht kan effectuering van dat recht in de weg staan door de vreemdelingrechtelijke verplichting van toelating tot Nederland. Dit doet zich in de praktijk regelmatig voor. Vreemdelingen die in Nederland hun woonplaats wensen te vestigen, dienen in principe te beschikken over een vergunning tot verblijf. Het uitoefenen van het recht van optie valt echter niet onder de gestelde normen voor toelating onder de voorwaarden van het reguliere vreemdelingenbeleid.
Om uit de impasse te geraken dat iemand die toelating tot Nederland behoeft om zijn recht van optie te kunnen uitoefenen terwijl het nationale vreemdelingenrecht geen toelating tot dit doel kent, wordt een visum verstrekt.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie rov. 1.1 en 2.1 van de bestreden beschikking.
2 Zie rov. 1.2-1.3 en 2.2 van de bestreden beschikking.
3 Zie rov. 3.4 van de bestreden beschikking.
4 Op grond van art. 18 lid 2 Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) staat van de beschikking uitsluitend beroep in cassatie open. Bij gebreke van een afwijkende cassatietermijn in de RWN, geldt de algemene termijn van drie maanden van art. 426 lid 1 Rv (zie HR 11 juli 2008, LJN: BD2714, RvdW 2008/742 en HR 23 april 2010, LJN: BL6186, NJ 2010/243). De beschikking dateert van 9 juni 2011, het verzoekschrift is op 7 september 2011 bij de Hoge Raad ingediend.
5 Het betreft in het bijzonder het inleidende verzoekschrift van [verzoeker] van 29 juni 2009, de nadere stukken ingediend door [verzoeker] op 4 januari 2010, het standpunt van de IND van 19 mei 2010, het 'verweerschrift' van [verzoeker] van 26 maart 2011. de schriftelijke mededeling van de officier van justitie en de pleitnotities van [verzoeker] 19 mei 2011.
6 HR 20 juni 1986, NJ 1987/902, m.nt. GRdG en RV 1986/35, m.nt. JJB; HR 26 juni 1987, NJ 1988/135, m.nt. GRdG; HR 28 september 1990, NJ 1991/293, m.nt. GRdG en RV 1990/47 en HR 29 oktober 1999, NJ 2003/601.
7 Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijdse onderdanen, Trb. 1975, 133; Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en de Republiek Suriname, anderzijds, inzake de afschaffing van de visumplicht, Trb. 1975, 139.
8 TK 1975-1976, 14048, nr. 1, p. 7.
9 Zie hierover H.A. Ahmad Ali, De Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname, 1998, blz. 186-188 en E.E. Bleeker en Y.J. Kern, De interpretatie van de artikel 6, lid 4 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS), in: Aan de grenzen van het Nederlanderschap, Een bundel opstellen over Nederlands en Europees nationaliteitsrecht, op 15 mei 1998 aangeboden aan F.Th. Zilverentant bij gelegenheid van zijn afscheid als wetgevingsjurist bij het Ministerie van Justitie, 1998, p. 37.
10 Ahmad Ali, a.w, 1998, blz. 186. Vgl. Vrz. Afdeling rechtspraak Raad van State 13 oktober 1987, RV 1987/34, m.nt. JJB.
11 Protocol tot wijziging van de op 25 november 1975 te Paramaribo ondertekende Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, Trb. 1994, 280.
12 Staten-Generaal 1994-1995, 24327 (R 1543), nrs. 338 en 1, p. 3.
13 HR 11 april 1997, NJ 1997/705, m.nt. GRdG; HR 16 januari 1998, NJ 1998/284, m.nt. GRdG. Zie ook Ahmed Ali, a.w., p. 190.
14 NJ 1987/902, m.nt. GRdG. Onder 3.7 van het verzoekschrift is als datum van de beschikking abusievelijk 20 juni 1996 vermeld.
15 Zie ook HR 16 januari 1998, LJN: ZC2549, NJ 1998/284, m.nt. GRdG. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen onder verwijzing naar de conclusie A-G, waarin is aangegeven dat voor het uitbrengen van de optie van art. 6 lid 4 TOS vereist is dat betrokkene op dat moment woonplaats in Nederland moet hebben, ondanks het feit dat dit vereiste is komen te vervallen (zie onder 3.3.3-3.6.2).
Conclusie
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie
tegen
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
verweerder in cassatie
In deze zaak komt de vraag aan de orde of verzoeker (hierna: [verzoeker]) op grond van art. 6 lid 4 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132, hierna: TOS) de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
Feiten
1.1 De feiten staan vermeld in rov. 3.1-3.3 van de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juni 2011. [Verzoeker] is geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats], Suriname, als zoon van [de moeder]. Ten tijde van de geboorte van [verzoeker] was zijn moeder in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. [Verzoeker] verkreeg bij zijn geboorte op grond van art. 1, aanhef en onder c, van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 (WNI) door afstamming van een ongehuwde Nederlandse moeder de Nederlandse nationaliteit. Op 2 juni 1971 is [verzoeker] erkend door [de vader], van Nederlandse nationaliteit. Op 22 december 1971 zijn de vader en de moeder van [verzoeker] met elkaar in het huwelijk getreden.
1.2 Ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS op 25 november 1975 had [verzoeker], als minderjarige, met zijn ouders woonplaats buiten Suriname, zodat hij op die datum, evenals zijn ouders, de Nederlandse nationaliteit behield.
1.3 De moeder van [verzoeker] heeft op 16 mei 1984 door optie ingevolge art. 5 lid 1 TOS de Surinaamse nationaliteit verkregen, waardoor zij op grond van art. 2 lid 1 TOS haar Nederlanderschap verloor. De vader van [verzoeker] verkreeg op 8 april 1985 op grond van art. 5 lid 2 TOS de Surinaamse nationaliteit, waardoor hij op grond van art. 2 lid 1 TOS zijn Nederlanderschap verloor. [Verzoeker] was op 8 april 1985 minderjarig, zodat hij op grond van art. 6 lid 1 TOS de nationaliteit van zijn vader volgde en eveneens de Surinaamse nationaliteit verkreeg en zijn Nederlanderschap verloor.
1.4 [Verzoeker] heeft op 29 juli 2009 een verzoekschrift ingediend waarin hij de rechtbank heeft verzocht vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zich tussen januari en maart 1989 meerdere keren tot de Nederlandse ambassade in Paramaribo heeft gewend om te opteren voor de Nederlandse nationaliteit en dat hij op grond van art. 6 lid 4 TOS de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.(1)
1.5 De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. De officier van justitie heeft zich daarbij aangesloten.(2)
1.6 Bij beschikking van 9 juni 2011 heeft de rechtbank het verzoek van [verzoeker] afgewezen. Daartoe overwoog de rechtbank dat in 1989 voor de uitoefening van het optierecht van art. 6 lid 4 TOS de voorwaarde gold dat de nationaliteit waarvoor geopteerd werd, de nationaliteit moest zijn van het land waar men woonplaats had. Aangezien niet ter discussie stond dat [verzoeker] in 1989 in Suriname woonachtig was, had [verzoeker] volgens de rechtbank niet de mogelijkheid om op grond van art. 6 lid 4 TOS voor de Nederlandse nationaliteit te opteren.(3)
1.7 [Verzoeker] heeft tegen deze beschikking (tijdig) cassatieberoep ingesteld.(4) Het griffierecht was echter te laat betaald. In dat kader heeft de advocaat van [verzoeker] een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Bij arrest van 10 februari 2012 (LJN: BV3556, NJ 2012/231) heeft de Hoge Raad het beroep op de hardheidsclausule gegrond bevonden, waarna de procedure is voortgezet. De Staat heeft in cassatie geen verweer gevoerd. Aangezien door [verzoeker] slechts een gedeelte van het procesdossier is gefourneerd en door de Staat geen verweer is gevoerd, heb ik ambtshalve bij de rechtbank de stukken van het dossier opgevraagd en ontvangen.(5)
2. Bespreking van het cassatieberoep
2.1 [Verzoeker] stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat het oordeel van de rechtbank over het woonplaats-vereiste in rov. 3.4 van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Volgens [verzoeker] berust art. 6 lid 4 TOS op de gedachte dat een persoon die meerderjarig is geworden, een correctiemogelijkheid krijgt voor het geval de werking van art. 6 leden 1 en 2 TOS ertoe leidt dat een minderjarige een andere nationaliteit verkrijgt dan hij zou hebben verkregen indien hij reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van de inwerkingtreding van de TOS (25 november 1975). Onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad voert [verzoeker] aan dat art. 6 lid 4 TOS niet vereist dat de woonplaats in Nederland moet zijn gelegen.(6)
2.2 In verband met het onafhankelijk worden van Suriname op 25 november 1975 bepaalt de TOS wie op dat moment de Nederlandse nationaliteit behoudt en wie de Surinaamse nationaliteit verkrijgt. In beginsel volgen minderjarigen de nationaliteit van hun vader (art. 6 lid 1 TOS). Art. 6 lid 4 TOS biedt minderjarigen een optie en luidt als volgt:
'De in de voorgaande leden bedoelde minderjarigen verkrijgen de nationaliteit die zij, indien zij ten tijde van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst reeds meerderjarig waren geweest, zouden hebben verkregen dan wel hadden kunnen verkrijgen of behouden, door binnen vijf jaar na het bereiken van de meerderjarigheid hun wil daartoe te kennen te geven, mits deze nationaliteit is de nationaliteit van het land waar zij dan woonplaats hebben. (...)'.
2.3 Gelijktijdig met de TOS zijn op 25 november 1975 in werking getreden de Overeenkomst inzake het verblijf en de vestiging van wederzijdse onderdanen en de Overeenkomst inzake de afschaffing van de visumplicht.(7) Het gevolg hiervan was dat een meerderjarige zonder belemmeringen naar Nederland kon reizen om zijn optierecht van art. 6 lid 4 TOS in te roepen. In de toelichtende nota bij de Vestigingsovereenkomst stond het volgende:
'Zou de visum-afschaffingsovereenkomst komen te vervallen, dan zijn de regeringen van Nederland en Suriname verplicht aan wederzijdse onderdanen, die daarom verzoeken, een visum voor kort verblijf te verlenen. Dit visum kan alleen worden geweigerd in die omstandigheden, die ook volgens de visum-afschaffingsovereenkomst aan een (vrij) verblijf van drie maanden in de weg zouden staan'.(8)
2.4 Op 1 september 1980 heeft Nederland eenzijdig de Visum-afschaffingsovereenkomst opgeschort. Vanaf dat moment hadden Surinaamse staatsburgers een visum nodig om naar Nederland te kunnen reizen. Dit maakte het inroepen van de optie van art. 6 lid 4 TOS voor velen illusoir.(9) Zo werd het visum voor kort verblijf geweigerd indien niet aan de voorwaarden daarvoor werd voldaan. Indien het visum werd aangevraagd met de expliciete vermelding dat het de bedoeling was een optie voor het Nederlanderschap te doen, was dat een extra grond voor weigering van het visum.(10)
2.5 In februari 1989 is het probleem van het illusoir worden van het optierecht van art. 6 lid 4 TOS onderkend tijdens een ambtelijk overleg tussen Nederland en Suriname. Een en ander heeft uiteindelijk op 14 november 1994 geleid tot een Protocol waarin in art. 2 is bepaald dat het woonplaatsvereiste van art. 6 lid 4 TOS wordt geschrapt. Dit Protocol is op 1 december 1995 in werking getreden.(11) De toelichtende nota vermeldt over deze wijziging het volgende:
'Hier doet zich dus een incongruentie voor tussen de Toescheidingsovereenkomst en het nationale recht, in casu het Nederlandse vreemdelingenrecht. Immers het verdrag kent een recht toe en het nationale recht kan effectuering van dat recht in de weg staan door de vreemdelingrechtelijke verplichting van toelating tot Nederland. Dit doet zich in de praktijk regelmatig voor. Vreemdelingen die in Nederland hun woonplaats wensen te vestigen, dienen in principe te beschikken over een vergunning tot verblijf. Het uitoefenen van het recht van optie valt echter niet onder de gestelde normen voor toelating onder de voorwaarden van het reguliere vreemdelingenbeleid.
Om uit de impasse te geraken dat iemand die toelating tot Nederland behoeft om zijn recht van optie te kunnen uitoefenen terwijl het nationale vreemdelingenrecht geen toelating tot dit doel kent, wordt een visum verstrekt.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie rov. 1.1 en 2.1 van de bestreden beschikking.
2 Zie rov. 1.2-1.3 en 2.2 van de bestreden beschikking.
3 Zie rov. 3.4 van de bestreden beschikking.
4 Op grond van art. 18 lid 2 Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) staat van de beschikking uitsluitend beroep in cassatie open. Bij gebreke van een afwijkende cassatietermijn in de RWN, geldt de algemene termijn van drie maanden van art. 426 lid 1 Rv (zie HR 11 juli 2008, LJN: BD2714, RvdW 2008/742 en HR 23 april 2010, LJN: BL6186, NJ 2010/243). De beschikking dateert van 9 juni 2011, het verzoekschrift is op 7 september 2011 bij de Hoge Raad ingediend.
5 Het betreft in het bijzonder het inleidende verzoekschrift van [verzoeker] van 29 juni 2009, de nadere stukken ingediend door [verzoeker] op 4 januari 2010, het standpunt van de IND van 19 mei 2010, het 'verweerschrift' van [verzoeker] van 26 maart 2011. de schriftelijke mededeling van de officier van justitie en de pleitnotities van [verzoeker] 19 mei 2011.
6 HR 20 juni 1986, NJ 1987/902, m.nt. GRdG en RV 1986/35, m.nt. JJB; HR 26 juni 1987, NJ 1988/135, m.nt. GRdG; HR 28 september 1990, NJ 1991/293, m.nt. GRdG en RV 1990/47 en HR 29 oktober 1999, NJ 2003/601.
7 Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijdse onderdanen, Trb. 1975, 133; Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en de Republiek Suriname, anderzijds, inzake de afschaffing van de visumplicht, Trb. 1975, 139.
8 TK 1975-1976, 14048, nr. 1, p. 7.
9 Zie hierover H.A. Ahmad Ali, De Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname, 1998, blz. 186-188 en E.E. Bleeker en Y.J. Kern, De interpretatie van de artikel 6, lid 4 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS), in: Aan de grenzen van het Nederlanderschap, Een bundel opstellen over Nederlands en Europees nationaliteitsrecht, op 15 mei 1998 aangeboden aan F.Th. Zilverentant bij gelegenheid van zijn afscheid als wetgevingsjurist bij het Ministerie van Justitie, 1998, p. 37.
10 Ahmad Ali, a.w, 1998, blz. 186. Vgl. Vrz. Afdeling rechtspraak Raad van State 13 oktober 1987, RV 1987/34, m.nt. JJB.
11 Protocol tot wijziging van de op 25 november 1975 te Paramaribo ondertekende Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, Trb. 1994, 280.
12 Staten-Generaal 1994-1995, 24327 (R 1543), nrs. 338 en 1, p. 3.
13 HR 11 april 1997, NJ 1997/705, m.nt. GRdG; HR 16 januari 1998, NJ 1998/284, m.nt. GRdG. Zie ook Ahmed Ali, a.w., p. 190.
14 NJ 1987/902, m.nt. GRdG. Onder 3.7 van het verzoekschrift is als datum van de beschikking abusievelijk 20 juni 1996 vermeld.
15 Zie ook HR 16 januari 1998, LJN: ZC2549, NJ 1998/284, m.nt. GRdG. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen onder verwijzing naar de conclusie A-G, waarin is aangegeven dat voor het uitbrengen van de optie van art. 6 lid 4 TOS vereist is dat betrokkene op dat moment woonplaats in Nederland moet hebben, ondanks het feit dat dit vereiste is komen te vervallen (zie onder 3.3.3-3.6.2).
Conclusie
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie
tegen
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
verweerder in cassatie
In deze zaak komt de vraag aan de orde of verzoeker (hierna: [verzoeker]) op grond van art. 6 lid 4 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132, hierna: TOS) de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
Feiten
1.1 De feiten staan vermeld in rov. 3.1-3.3 van de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juni 2011. [Verzoeker] is geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats], Suriname, als zoon van [de moeder]. Ten tijde van de geboorte van [verzoeker] was zijn moeder in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. [Verzoeker] verkreeg bij zijn geboorte op grond van art. 1, aanhef en onder c, van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 (WNI) door afstamming van een ongehuwde Nederlandse moeder de Nederlandse nationaliteit. Op 2 juni 1971 is [verzoeker] erkend door [de vader], van Nederlandse nationaliteit. Op 22 december 1971 zijn de vader en de moeder van [verzoeker] met elkaar in het huwelijk getreden.
1.2 Ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS op 25 november 1975 had [verzoeker], als minderjarige, met zijn ouders woonplaats buiten Suriname, zodat hij op die datum, evenals zijn ouders, de Nederlandse nationaliteit behield.
1.3 De moeder van [verzoeker] heeft op 16 mei 1984 door optie ingevolge art. 5 lid 1 TOS de Surinaamse nationaliteit verkregen, waardoor zij op grond van art. 2 lid 1 TOS haar Nederlanderschap verloor. De vader van [verzoeker] verkreeg op 8 april 1985 op grond van art. 5 lid 2 TOS de Surinaamse nationaliteit, waardoor hij op grond van art. 2 lid 1 TOS zijn Nederlanderschap verloor. [Verzoeker] was op 8 april 1985 minderjarig, zodat hij op grond van art. 6 lid 1 TOS de nationaliteit van zijn vader volgde en eveneens de Surinaamse nationaliteit verkreeg en zijn Nederlanderschap verloor.
1.4 [Verzoeker] heeft op 29 juli 2009 een verzoekschrift ingediend waarin hij de rechtbank heeft verzocht vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zich tussen januari en maart 1989 meerdere keren tot de Nederlandse ambassade in Paramaribo heeft gewend om te opteren voor de Nederlandse nationaliteit en dat hij op grond van art. 6 lid 4 TOS de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.(1)
1.5 De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. De officier van justitie heeft zich daarbij aangesloten.(2)
1.6 Bij beschikking van 9 juni 2011 heeft de rechtbank het verzoek van [verzoeker] afgewezen. Daartoe overwoog de rechtbank dat in 1989 voor de uitoefening van het optierecht van art. 6 lid 4 TOS de voorwaarde gold dat de nationaliteit waarvoor geopteerd werd, de nationaliteit moest zijn van het land waar men woonplaats had. Aangezien niet ter discussie stond dat [verzoeker] in 1989 in Suriname woonachtig was, had [verzoeker] volgens de rechtbank niet de mogelijkheid om op grond van art. 6 lid 4 TOS voor de Nederlandse nationaliteit te opteren.(3)
1.7 [Verzoeker] heeft tegen deze beschikking (tijdig) cassatieberoep ingesteld.(4) Het griffierecht was echter te laat betaald. In dat kader heeft de advocaat van [verzoeker] een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Bij arrest van 10 februari 2012 (LJN: BV3556, NJ 2012/231) heeft de Hoge Raad het beroep op de hardheidsclausule gegrond bevonden, waarna de procedure is voortgezet. De Staat heeft in cassatie geen verweer gevoerd. Aangezien door [verzoeker] slechts een gedeelte van het procesdossier is gefourneerd en door de Staat geen verweer is gevoerd, heb ik ambtshalve bij de rechtbank de stukken van het dossier opgevraagd en ontvangen.(5)
2. Bespreking van het cassatieberoep
2.1 [Verzoeker] stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat het oordeel van de rechtbank over het woonplaats-vereiste in rov. 3.4 van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Volgens [verzoeker] berust art. 6 lid 4 TOS op de gedachte dat een persoon die meerderjarig is geworden, een correctiemogelijkheid krijgt voor het geval de werking van art. 6 leden 1 en 2 TOS ertoe leidt dat een minderjarige een andere nationaliteit verkrijgt dan hij zou hebben verkregen indien hij reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van de inwerkingtreding van de TOS (25 november 1975). Onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad voert [verzoeker] aan dat art. 6 lid 4 TOS niet vereist dat de woonplaats in Nederland moet zijn gelegen.(6)
2.2 In verband met het onafhankelijk worden van Suriname op 25 november 1975 bepaalt de TOS wie op dat moment de Nederlandse nationaliteit behoudt en wie de Surinaamse nationaliteit verkrijgt. In beginsel volgen minderjarigen de nationaliteit van hun vader (art. 6 lid 1 TOS). Art. 6 lid 4 TOS biedt minderjarigen een optie en luidt als volgt:
'De in de voorgaande leden bedoelde minderjarigen verkrijgen de nationaliteit die zij, indien zij ten tijde van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst reeds meerderjarig waren geweest, zouden hebben verkregen dan wel hadden kunnen verkrijgen of behouden, door binnen vijf jaar na het bereiken van de meerderjarigheid hun wil daartoe te kennen te geven, mits deze nationaliteit is de nationaliteit van het land waar zij dan woonplaats hebben. (...)'.
2.3 Gelijktijdig met de TOS zijn op 25 november 1975 in werking getreden de Overeenkomst inzake het verblijf en de vestiging van wederzijdse onderdanen en de Overeenkomst inzake de afschaffing van de visumplicht.(7) Het gevolg hiervan was dat een meerderjarige zonder belemmeringen naar Nederland kon reizen om zijn optierecht van art. 6 lid 4 TOS in te roepen. In de toelichtende nota bij de Vestigingsovereenkomst stond het volgende:
'Zou de visum-afschaffingsovereenkomst komen te vervallen, dan zijn de regeringen van Nederland en Suriname verplicht aan wederzijdse onderdanen, die daarom verzoeken, een visum voor kort verblijf te verlenen. Dit visum kan alleen worden geweigerd in die omstandigheden, die ook volgens de visum-afschaffingsovereenkomst aan een (vrij) verblijf van drie maanden in de weg zouden staan'.(8)
2.4 Op 1 september 1980 heeft Nederland eenzijdig de Visum-afschaffingsovereenkomst opgeschort. Vanaf dat moment hadden Surinaamse staatsburgers een visum nodig om naar Nederland te kunnen reizen. Dit maakte het inroepen van de optie van art. 6 lid 4 TOS voor velen illusoir.(9) Zo werd het visum voor kort verblijf geweigerd indien niet aan de voorwaarden daarvoor werd voldaan. Indien het visum werd aangevraagd met de expliciete vermelding dat het de bedoeling was een optie voor het Nederlanderschap te doen, was dat een extra grond voor weigering van het visum.(10)
2.5 In februari 1989 is het probleem van het illusoir worden van het optierecht van art. 6 lid 4 TOS onderkend tijdens een ambtelijk overleg tussen Nederland en Suriname. Een en ander heeft uiteindelijk op 14 november 1994 geleid tot een Protocol waarin in art. 2 is bepaald dat het woonplaatsvereiste van art. 6 lid 4 TOS wordt geschrapt. Dit Protocol is op 1 december 1995 in werking getreden.(11) De toelichtende nota vermeldt over deze wijziging het volgende:
'Hier doet zich dus een incongruentie voor tussen de Toescheidingsovereenkomst en het nationale recht, in casu het Nederlandse vreemdelingenrecht. Immers het verdrag kent een recht toe en het nationale recht kan effectuering van dat recht in de weg staan door de vreemdelingrechtelijke verplichting van toelating tot Nederland. Dit doet zich in de praktijk regelmatig voor. Vreemdelingen die in Nederland hun woonplaats wensen te vestigen, dienen in principe te beschikken over een vergunning tot verblijf. Het uitoefenen van het recht van optie valt echter niet onder de gestelde normen voor toelating onder de voorwaarden van het reguliere vreemdelingenbeleid.
Om uit de impasse te geraken dat iemand die toelating tot Nederland behoeft om zijn recht van optie te kunnen uitoefenen terwijl het nationale vreemdelingenrecht geen toelating tot dit doel kent, wordt een visum verstrekt.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie rov. 1.1 en 2.1 van de bestreden beschikking.
2 Zie rov. 1.2-1.3 en 2.2 van de bestreden beschikking.
3 Zie rov. 3.4 van de bestreden beschikking.
4 Op grond van art. 18 lid 2 Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) staat van de beschikking uitsluitend beroep in cassatie open. Bij gebreke van een afwijkende cassatietermijn in de RWN, geldt de algemene termijn van drie maanden van art. 426 lid 1 Rv (zie HR 11 juli 2008, LJN: BD2714, RvdW 2008/742 en HR 23 april 2010, LJN: BL6186, NJ 2010/243). De beschikking dateert van 9 juni 2011, het verzoekschrift is op 7 september 2011 bij de Hoge Raad ingediend.
5 Het betreft in het bijzonder het inleidende verzoekschrift van [verzoeker] van 29 juni 2009, de nadere stukken ingediend door [verzoeker] op 4 januari 2010, het standpunt van de IND van 19 mei 2010, het 'verweerschrift' van [verzoeker] van 26 maart 2011. de schriftelijke mededeling van de officier van justitie en de pleitnotities van [verzoeker] 19 mei 2011.
6 HR 20 juni 1986, NJ 1987/902, m.nt. GRdG en RV 1986/35, m.nt. JJB; HR 26 juni 1987, NJ 1988/135, m.nt. GRdG; HR 28 september 1990, NJ 1991/293, m.nt. GRdG en RV 1990/47 en HR 29 oktober 1999, NJ 2003/601.
7 Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijdse onderdanen, Trb. 1975, 133; Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en de Republiek Suriname, anderzijds, inzake de afschaffing van de visumplicht, Trb. 1975, 139.
8 TK 1975-1976, 14048, nr. 1, p. 7.
9 Zie hierover H.A. Ahmad Ali, De Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname, 1998, blz. 186-188 en E.E. Bleeker en Y.J. Kern, De interpretatie van de artikel 6, lid 4 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS), in: Aan de grenzen van het Nederlanderschap, Een bundel opstellen over Nederlands en Europees nationaliteitsrecht, op 15 mei 1998 aangeboden aan F.Th. Zilverentant bij gelegenheid van zijn afscheid als wetgevingsjurist bij het Ministerie van Justitie, 1998, p. 37.
10 Ahmad Ali, a.w, 1998, blz. 186. Vgl. Vrz. Afdeling rechtspraak Raad van State 13 oktober 1987, RV 1987/34, m.nt. JJB.
11 Protocol tot wijziging van de op 25 november 1975 te Paramaribo ondertekende Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, Trb. 1994, 280.
12 Staten-Generaal 1994-1995, 24327 (R 1543), nrs. 338 en 1, p. 3.
13 HR 11 april 1997, NJ 1997/705, m.nt. GRdG; HR 16 januari 1998, NJ 1998/284, m.nt. GRdG. Zie ook Ahmed Ali, a.w., p. 190.
14 NJ 1987/902, m.nt. GRdG. Onder 3.7 van het verzoekschrift is als datum van de beschikking abusievelijk 20 juni 1996 vermeld.
15 Zie ook HR 16 januari 1998, LJN: ZC2549, NJ 1998/284, m.nt. GRdG. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen onder verwijzing naar de conclusie A-G, waarin is aangegeven dat voor het uitbrengen van de optie van art. 6 lid 4 TOS vereist is dat betrokkene op dat moment woonplaats in Nederland moet hebben, ondanks het feit dat dit vereiste is komen te vervallen (zie onder 3.3.3-3.6.2).