Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2012-11-06
ECLI:NL:PHR:2012:BX8465
Strafrecht
1,991 tokens
=== CONCLUSIE ===
[Betrokkene](1)
1. Bij arrest van 18 februari 2011 heeft het Gerechtshof te Amsterdam, aan betrokkene de plicht opgelegd om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 2.329.736,-- aan de Staat te betalen.
2. Namens betrokkene heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het Hof niet, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gereageerd op een ter terechtzitting gevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van betrokkene ten aanzien van de redelijke termijn, en dat standpunt aldus impliciet heeft verworpen.
4. Het middel doelt op hetgeen de raadsman van betrokkene ten aanzien van de overschrijding de redelijke termijn heeft aangevoerd ter terechtzitting van 4 februari 2011, voor zover inhoudend:
" Tijdsverloop
De zaak waarom het gaat, transport met de Red Scorpion, dateert uit 1999.
De machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek tegen [betrokkene] is door de rechter-commissaris te Haarlem afgegeven op 23 september 2002. Deze machtiging is op 8 oktober 2003 aan [betrokkene] betekend. Vanaf oktober 2003 zijn op diverse momenten ontnemingsbeslagen gelegd.
De rechtbank te Haarlem heeft uitspraak gedaan in de ontnemingszaak op 11 juli 2008. Uw Gerechtshof doet vermoedelijk uitspraak in februari 2011.
De redelijke termijn is aangevangen op 8 oktober 2003, de totale behandeling van de zaak duurt dus 7 jaar en ongeveer 4 maanden. De ontnemingszaak is niet bijzonder ingewikkeld. Er zijn ook geen bijzondere verzoeken van de verdediging geweest, waardoor de procedure heeft stil gelegen. Daarbij komt dat uw Gerechtshof in de strafzaak in hoger beroep reeds op 14 april 2006, derhalve bijna 5 jaar geleden, arrest heeft gewezen.
Zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep heeft de behandeling van de ontnemingszaak derhalve zeer veel tijd in beslag genomen. In beide instanties is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Ook in zijn geheel is de redelijke termijn substantieel overschreden, in ieder geval met meer dan 12 maanden, hetgeen betekent dat ik Uw Hof verzoek om naar bevind van zaken een substantiële korting toe te passen op het eventueel op te leggen ontnemingsbedrag."
5. Het bestreden arrest houdt voorts het volgende in, voor zover hier van belang:
" De raadsman heeft betoogd dat op de op te leggen betalingsverplichting de navolgende bedragen in mindering moeten worden gebracht.
1. Er is sprake van een grote overschrijding van de redelijke termijn.
De ontnemingsvordering is in oktober 2004 aangekondigd. Daarvan uitgaande was in eerste aanleg sprake van een termijnoverschrijding van bijna twee jaar en ook in hoger beroep is de zaak niet binnen twee jaar afgerond. Nu de overschrijding ruim meer dan twaalf maanden bedraagt, kan aldus de raadsman niet worden volstaan met een vermindering van de betalingsverplichting van 10%.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
In deze zaak heeft de officier van justitie op 1 oktober 2004 het voornemen tot ontneming kenbaar gemaakt. Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn op die datum is aangevangen.
De onredelijkheid van de duur van een ontnemingszaak is afhankelijk van omstandigheden als de complexiteit van de ontnemingszaak, de wijze waarop deze door de bevoegde autoriteiten is behandeld en invloed van de veroordeelde en/of zijn raadsman op het procesverloop. In ontnemingszaken komt daar als bijzonderheid bij dat, zoals volgt uit artikel 511b, eerste lid, Sv, in elk geval binnen twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog de ontnemingszaak aanhangig kan worden gemaakt.
In deze zaak is op 15 oktober 2004 het vonnis in de strafzaak gewezen, is de ontnemingsvordering op 5 september 2006 bij de rechtbank aanhangig gemaakt en is het vonnis in de ontnemingszaak op 11 juli 2008 gewezen.
Rekening houdend met de hiervoor genoemde omstandigheid en de complexiteit en omvang van de zaak 'Kreeft' is het hof van oordeel dat de behandeling van de ontnemingszaak in eerste aanleg weliswaar lang heeft geduurd, maar dat geen sprake is van een onredelijke vertraging in de zin van artikel 6 van het EVRM.
Het hof stelt overigens vast dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, nu namens de veroordeelde op 24 juli 2008 hoger beroep is ingesteld en het hof pas heden (18 februari 2011) uitspraak doet. Het hof ziet hierin aanleiding de betalingsverplichting van de veroordeelde € 5.000,00 lager te stellen dan het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel."
6. Het Hof heeft kennelijk naar aanleiding van hetgeen door de raadsman is aangevoerd met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn, ten aanzien van de op te leggen betalingsverplichting gemotiveerd uiteengezet dat en waarom het van oordeel is dat bij de behandeling in eerste aanleg geen sprake is van een onredelijke vertraging in de zin van art. 6 EVRM, maar dat de redelijke termijn in hoger beroep wel is overschreden. Uit hetgeen de raadsman heeft aangevoerd kan echter worden afgeleid dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de redelijke termijn is aangevangen met de betekening van de machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek op 8 oktober 2003. Het Hof is daar zonder nadere motivering aan voorbij is gegaan, en heeft de aankondiging van het voornemen tot ontneming door de officier van justitie ter terechtzitting van 1 oktober 2004 aangemerkt als aanvangsdatum van de redelijke termijn.
7. Ik stel voorop dat de feitenrechter ook vóór de wijziging van art. 359, tweede lid, Sv op een verweer met betrekking to de overschrijding van de redelijke termijn een gemotiveerde beslissing diende te geven, en dat aan de onderbouwing van een dergelijk verweer nu geen zwaardere eisen worden gesteld dan onder het voordien geldende recht.(2) Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, vangt de redelijke termijn in ontnemingszaken voorts aan op het moment dat de Nederlandse staat jegens de betrokkene een handeling verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt, en is daarvan bijvoorbeeld sprake als de betrokkene ervan op de hoogte raakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv is ingesteld.(3) Uit het dossier kan tenslotte worden afgeleid dat genoemde machtiging tot het instellen van een SFO inderdaad in oktober 2003 aan betrokkene is betekend, een jaar eerder dan de aankondiging van de ontnemingsvordering. Gelet op het voorgaande, is het zonder nadere motivering die ontbreekt niet begrijpelijk dat het Hof is afgeweken van het standpunt van de raadsman ten aanzien van de aanvangsdatum en heeft het Hof dus in strijd met zijn - thans op art. 359, tweede lid, Sv gebaseerde - motiveringsplicht, een motivering daarvan achterwege gelaten. Het middel slaagt reeds daarom, zodat de overige motiveringsklachten buiten bespreking kunnen blijven.
8. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in cassatie is geschonden.
9. Het cassatieberoep is ingesteld op 18 februari 2011. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 10 november 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Het hof waarnaar de zaak wordt verwezen kan, indien het komt tot oplegging van een betalingsverplichting, rekening houden met de termijnoverschrijding in cassatie.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
11.