Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2008-10-21
ECLI:NL:PHR:2008:BG0970
Strafrecht
[Verdachte] 1. De verdachte is door de Economische Kamer van het Gerechtshof te Leeuwarden bij arrest van 6 november 2006 vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding aan hem tenlastegelegde. 2. Mr. Van Schuijlenburg, Advocaat-Generaal bij het Ressortsparket te Leeuwarden heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. L. Plas, plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij het Ressortsparket te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie. 3. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte, dan wel op onbegrijpelijke gronden heeft vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde feiten. 4. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding (na wijziging) tenlastegelegd dat: "hij in de gemeente Veendam, in elk geval in Nederland, als degene die op of omstreeks 1 oktober 2004, althans op of omstreeks 18 en 19 januari 2005, althans in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 19 februari 2005, in perceel [a-straat 1] te [plaats] een inrichting voor het uitsluitend of in hoofdzaak onderhouden en/of repareren en/of behandelen van de oppervlakte en/of keuren en/of reinigen en/of proefdraaien en/of verhandelen van motorvoertuigen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, heeft opgericht, al dan niet opzettelijk, dit niet tenminste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag heeft gemeld, immers had verdachte op of omstreeks 19 januari 2005 en/of 18 februari 2005, op welke data/datum die inrichting (telkens) in werking was, die melding nog niet gedaan; art 6 lid 1 Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer" 5. Het Hof heeft de vrijspraak van de verdachte in de bestreden uitspraak als volgt gemotiveerd: "Aan verdachte is - zakelijk weergegeven - ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 1 oktober 2004 in perceel [a-straat 1] te [plaats] een inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer heeft opgericht, zonder dit tenminste vier weken van tevoren aan het bevoegd gezag te hebben gemeld. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Verdachte bezit een autohandelsbedrijf. In september 2004 was er voor dit bedrijf geen ruimte meer in het pand dat verdachte op dat moment in gebruik had. Verdachte heeft daarop een nieuwe locatie gevonden aan de [a-straat 1] te [plaats]. Verdachte heeft ter terechtzitting - zakelijk weergegeven - onder meer verklaard dat hij vervolgens contact heeft opgenomen met de gemeente Veendam - zijnde het bevoegd gezag ter zake van het verlenen van een vergunning voor een inrichting als die van verdachte - en aldaar de beoogde verhuizing van zijn bedrijf heeft gemeld. Verdachte heeft daarbij aangegeven dat de daadwerkelijk verplaatsing van de bedrijfsvoering nog niet aan de orde was en dat dit zou plaatsvinden nadat een vergunning zou zijn verleend. Het hof ziet geen aanleiding aan de voornoemde verklaring van verdachte te twijfelen. Het hof acht aldus niet bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken." 6. Het middel keert zich tegen deze vrijspraak en betoogt dat het Hof daarbij is uitgegaan van een onjuiste uitleg van de in de tenlastelegging voorkomende aan art. 6 van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer(1) ontleende term "gemeld" met als gevolg dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en heeft vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd en voorts dat deze vrijspraak onbegrijpelijk is. 7. Bij de bespreking van het middel wil ik het volgende voorop stellen. Het is aan de feitenrechter om beslissingen te nemen van feitelijke aard en daarbij onder meer het waarheidsgehalte van een ter terechtzitting door een verdachte afgelegde verklaring te waarderen en aldus de afgelegde verklaring al dan niet aannemelijk te achten. Het Hof heeft in deze zaak geoordeeld dat het geen aanleiding ziet aan de verklaring van de verdachte dat hij - kort gezegd - de verhuizing van zijn bedrijf aan de gemeente Veendam heeft gemeld, te twijfelen. De juistheid van dit oordeel kan in cassatie niet worden getoetst. 8. Het middel stelt dat dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is aangezien blijkens een zich bij de stukken bevindend proces-verbaal van de regiopolitie Groningen is verklaard dat uit informatie van de afdeling milieu van de gemeente Veendam bleek dat geen "melding Wet milieubeheer" is gedaan en de verdachte bij diens verhoor op 4 maart 2005 heeft verklaard dat hij aan de Kamer van Koophandel de verhuizing kenbaar heeft gemaakt en aan de gemeente geen "melding Wet milieubeheer" heeft gedaan. 9. De selectie en waardering van het bewijsmateriaal is aan de feitenrechter overgelaten. Het Hof kon derhalve ondanks het in het middel bedoelde bewijsmateriaal oordelen dat hij geen aanleiding ziet om aan de juistheid van de verklaring van de verdachte te twijfelen. Tot nadere motivering van dit oordeel was het Hof niet gehouden. Daarbij neem ik ook in aanmerking dat het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 23 oktober 2006 als reactie van de Advocaat-Generaal op de aldaar door de verdachte afgelegde verklaring niet meer inhoudt dan dat hij alles overwegende daarin onvoldoende aanleiding ziet om zijn standpunt te wijzigen. Deze reactie kan niet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv. 10. Het middel betoogt ook dat de enkele melding door de verdachte aan de gemeente van de beoogde verhuizing van diens autohandelsbedrijf, gelet op de eisen die daaraan ingevolge het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer - hierna: het Besluit - worden gesteld, geen melding als bedoeld in art. 6 van het Besluit betreft. Het Hof heeft daarom aan het in de tenlastelegging voorkomende aan art. 6 van het Besluit ontleende begrip "gemeld" een onjuiste betekenis toegekend en aldus de grondslag van de tenlastelegging verlaten. Het Hof heeft dan ook volgens het middel van iets anders vrijgesproken dan is tenlastegelegd. 11. De eerste drie leden van art. 6 van het Besluit houden het volgende in: "1. Degene die een inrichting opricht, meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een inrichting en het veranderen van de werking daarvan. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens. 3. Bij de melding wordt vermeld: a. het adres van de inrichting, b. de naam en het adres van degene die de inrichting opricht dan wel verandert of de werking daarvan verandert, en, indien dit iemand anders is, van degene die de inrichting drijft of zal drijven, c. de aard en omvang van de activiteiten of processen in de inrichting, d. de indeling en de uitvoering van de inrichting, en e. het tijdstip waarop de inrichting of de verandering daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn." 12. De toelichting op het Besluit houdt onder meer in: "Degene die het voornemen heeft om een inrichting op te richten, die valt onder het besluit, moet ten minste vier weken voor hij zijn plan ten uitvoer gaat brengen, daarvan melding doen aan het bevoegd gezag. Bij de gegevens over de aard en omvang van de inrichting moet worden aangegeven wat de belangrijkste kernelementen van de inrichting zijn, die de inrichting typeren.