Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2007-06-19
ECLI:NL:PHR:2007:BA0427
Strafrecht
4,096 tokens
Conclusie
[Aanvraagster]
1. De aanvrage tot herziening betreft een uitspraak van de Politierechter in de Rechtbank te Roermond van 18 februari 2004 waarbij een persoon die in het vonnis is aangeduid als [aanvraagster], wegens "medeplichtigheid waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" is veroordeeld tot 50 uren werkstraf subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De veroordeling is onherroepelijk geworden.
2. De herzieningsaanvrage is namens aanvraagster ingediend door mr. A.C.J. Letmaath, advocaat te Uden.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat er sprake is van een novum in de zin van art. 457 lid 1 sub 2° Sv, omdat er sprake zou zijn van een persoonsverwisseling. Kort samengevat wordt in de aanvrage aangevoerd dat het bestreden vonnis weliswaar de personalia bevat van de aanvraagster, maar dat dit vonnis niet tegen haar gericht kan zijn. De aanvraagster wijst er in dit verband (onder meer) op dat de ter terechtzitting van de Politierechter aanwezige verdachte blijkens het proces-verbaal van het mannelijke geslacht was (terwijl zij een vrouw is). Bij de aanvrage zijn documenten gevoegd die deze stelling ondersteunen. Zo zijn onder meer een kopie van een identiteitsbewijs, te weten een zogenaamd W-document, en een afschrift uit de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Venlo (gedateerd 7 april 2006) bijgevoegd, waaruit volgt dat de aanvraagster van het vrouwelijke geslacht is en is genaamd: [aanvraagster], geboren [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats].
4. Ik zal het procesverloop bij de Politierechter, voorzover hier van belang, kort samenvatten:
(a) in augustus 2003 is [verdachte] gedagvaard om op 10 maart 2003 te verschijnen ter terechtzitting van de Politierechter te Roermond;
(b) ter terechtzitting van 10 november 2003 antwoordt de aldaar aanwezige verdachte op vragen van de Politierechter te zijn genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteland]. Blijkens het proces-verbaal van deze terechtzitting is de verdachte van het mannelijke geslacht;(1)
(c) op de terechtzitting van 10 november 2003 schorst de Politierechter het onderzoek voor onbepaalde tijd, kort gezegd omdat er geen tolk aanwezig is;
(d) in januari 2004 wordt [verdachte] (vervolgens) opgeroepen om op 18 februari 2004 te verschijnen ter terechtzitting van de Politierechter te Roermond;
(e) ter terechtzitting van de Politierechter te Roermond van 18 februari 2004 is de verdachte (wederom) aanwezig. De verdachte is blijkens het proces-verbaal van deze terechtzitting van het mannelijke geslacht;(2)
(f) op deze zitting antwoordt de verdachte op vragen van de Politierechter te zijn genaamd: [aanvraagster], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats]. Daarnaast verklaart hij (voorzover hier van belang) dat zijn voornaam [voornaam aanvraagster] is, en niet [voornaam verdachte], en dat de voornaam van zijn tweelingzus [voornaam verdachte] is;
(g) op 18 februari 2004 komt de Politierechter tot de in rubriek 1 vermelde veroordeling jegens: [aanvraagster], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats].
5. Het voorgaande kan naar mijn mening als volgt worden samengevat. De ter terechtzitting van de Politierechter gedagvaarde [verdachte] verklaart op de terechtzitting in strijd met de waarheid dat hij niet de voornaam [voornaam verdachte] draagt, maar de voornaam [voornaam aanvraagster]. De naam [voornaam aanvraagster] behoort echter toe aan zijn tweelingzus.(3) De Politierechter neemt (vervolgens) de verklaring van de verdachte omtrent zijn voornaam over, waardoor in het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd als naam van de veroordeelde staat vermeld: [aanvraagster]. Doordat de vervolgde en veroordeelde persoon en de aanvraagster tot herziening (kennelijk) een tweeling zijn, kan niet uit de overige in het vonnis opgenomen personalia, zoals geboortedatum en -plaats, worden afgeleid dat de veroordeling niet de 'echte' [aanvraagster] kan betreffen. De 'echte' [aanvraagster] vraagt nu herziening van het vonnis.
6. De aanvraagster tot herziening heeft naar mijn mening duidelijk gemaakt dat het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd wat betreft de voornaam van de veroordeelde niet correct is. De vraag is echter of dit een grond voor herziening kan opleveren. Daartoe dienen we ons af te vragen of er sprake is van een novum als bedoeld in art. 457 lid 1 sub 2° Sv. Om van een dergelijk novum te kunnen spreken moet het gaan om een omstandigheid van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet is gebleken en die het ernstig vermoeden wekt dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
7. Duidelijk is dat er in de onderhavige zaak sprake is van een omstandigheid van feitelijke aard die op de terechtzitting niet is gebleken. Immers, de omstandigheid dat de veroordeelde niet de voornaam [voornaam aanvraagster] heeft, maar [voornaam verdachte], was de Politierechter niet bekend. Maar, het is nog maar de vraag of deze omstandigheid, ware zij de Politierechter bekend geweest, zou hebben geleid tot vrijspraak. Deze vraag beantwoord ik ontkennend, op grond van het volgende.
8. Deze zaak wijkt af van 'normaaltypische' gevallen van persoonsverwisseling. In de regel gaat het er bij persoonsverwisselingszaken namelijk om dat de persoon die het strafbare feit heeft gepleegd in een vroeg stadium van het strafrechtelijke traject, te weten bij de politie, de naam van iemand anders opgeeft. Resultaat hiervan is dat de verkeerde persoon wordt gedagvaard, en, in de regel bij verstek, wordt veroordeeld. In herziening wordt vervolgens duidelijk (gemaakt) dat de verkeerde persoon is veroordeeld, hetgeen een novum oplevert als bedoeld in art. 457 lid 1 sub 2° Sv.
9. In de zaak die nu voorligt is, in tegenstelling tot het hiervoor beschreven normaaltypische geval, de juiste persoon, te weten [verdachte], gedagvaard en ter terechtzitting verschenen. Pas op de terechtzitting heeft de verschenen verdachte een valse (voor)naam opgegeven, te weten de (voor)naam van zijn tweelingzus [aanvraagster]. Hierdoor is in het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd de naam van iemand anders, te weten de tweelingzus van de veroordeelde, gebezigd. In andere woorden: hier is de juiste persoon veroordeeld, onder de verkeerde voornaam. Dat de als verdachte verschenen persoon valse personalia heeft opgegeven, neemt (namelijk) niet weg dat hij de veroordeelde is.(4)
10. Naar aanleiding van de in art. 457 lid 1 sub 2° Sv vervatte eisen die aan een novum worden gesteld, heb ik mij afgevraagd wat er zou zijn gebeurd in het hypothetische geval dat de Politierechter er wel van op de hoogte zou zijn geweest dat de echte voornaam van de verdachte niet [voornaam aanvraagster], maar [voornaam verdachte] is. Deze vraag lijkt niet moeilijk te beantwoorden; de Politierechter zou de juiste voornaam van de verdachte in zijn vonnis hebben opgenomen. Tot vrijspraak had een en ander naar mijn mening beslist niet geleid. Immers, de onjuiste voornaam impliceert niet, zoals wel het geval is in het eerder beschreven normaaltypische geval, dat de Politierechter de verkeerde persoon voor zich had. Zoals gezegd: de juiste persoon is veroordeeld, maar onder een verkeerde voornaam.
11. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat herziening in deze zaak niet aangewezen is. Daartoe bieden de in de wet vervatte herzieningsgronden geen ruimte. De aanvraagster zal niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in haar aanvrage. Herziening kan immers op grond van art. 458 lid 1 Sv slechts worden aangevraagd door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, de veroordeelde persoon, en zijn of haar raadsman. De aanvraagster bezit geen van deze identiteiten.
12. Natuurlijk heb ik mij afgevraagd hoe het nu verder moet.
Conclusie
[Aanvraagster]
1. De aanvrage tot herziening betreft een uitspraak van de Politierechter in de Rechtbank te Roermond van 18 februari 2004 waarbij een persoon die in het vonnis is aangeduid als [aanvraagster], wegens "medeplichtigheid waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" is veroordeeld tot 50 uren werkstraf subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De veroordeling is onherroepelijk geworden.
2. De herzieningsaanvrage is namens aanvraagster ingediend door mr. A.C.J. Letmaath, advocaat te Uden.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat er sprake is van een novum in de zin van art. 457 lid 1 sub 2° Sv, omdat er sprake zou zijn van een persoonsverwisseling. Kort samengevat wordt in de aanvrage aangevoerd dat het bestreden vonnis weliswaar de personalia bevat van de aanvraagster, maar dat dit vonnis niet tegen haar gericht kan zijn. De aanvraagster wijst er in dit verband (onder meer) op dat de ter terechtzitting van de Politierechter aanwezige verdachte blijkens het proces-verbaal van het mannelijke geslacht was (terwijl zij een vrouw is). Bij de aanvrage zijn documenten gevoegd die deze stelling ondersteunen. Zo zijn onder meer een kopie van een identiteitsbewijs, te weten een zogenaamd W-document, en een afschrift uit de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Venlo (gedateerd 7 april 2006) bijgevoegd, waaruit volgt dat de aanvraagster van het vrouwelijke geslacht is en is genaamd: [aanvraagster], geboren [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats].
4. Ik zal het procesverloop bij de Politierechter, voorzover hier van belang, kort samenvatten:
(a) in augustus 2003 is [verdachte] gedagvaard om op 10 maart 2003 te verschijnen ter terechtzitting van de Politierechter te Roermond;
(b) ter terechtzitting van 10 november 2003 antwoordt de aldaar aanwezige verdachte op vragen van de Politierechter te zijn genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteland]. Blijkens het proces-verbaal van deze terechtzitting is de verdachte van het mannelijke geslacht;(1)
(c) op de terechtzitting van 10 november 2003 schorst de Politierechter het onderzoek voor onbepaalde tijd, kort gezegd omdat er geen tolk aanwezig is;
(d) in januari 2004 wordt [verdachte] (vervolgens) opgeroepen om op 18 februari 2004 te verschijnen ter terechtzitting van de Politierechter te Roermond;
(e) ter terechtzitting van de Politierechter te Roermond van 18 februari 2004 is de verdachte (wederom) aanwezig. De verdachte is blijkens het proces-verbaal van deze terechtzitting van het mannelijke geslacht;(2)
(f) op deze zitting antwoordt de verdachte op vragen van de Politierechter te zijn genaamd: [aanvraagster], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats]. Daarnaast verklaart hij (voorzover hier van belang) dat zijn voornaam [voornaam aanvraagster] is, en niet [voornaam verdachte], en dat de voornaam van zijn tweelingzus [voornaam verdachte] is;
(g) op 18 februari 2004 komt de Politierechter tot de in rubriek 1 vermelde veroordeling jegens: [aanvraagster], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats].
5. Het voorgaande kan naar mijn mening als volgt worden samengevat. De ter terechtzitting van de Politierechter gedagvaarde [verdachte] verklaart op de terechtzitting in strijd met de waarheid dat hij niet de voornaam [voornaam verdachte] draagt, maar de voornaam [voornaam aanvraagster]. De naam [voornaam aanvraagster] behoort echter toe aan zijn tweelingzus.(3) De Politierechter neemt (vervolgens) de verklaring van de verdachte omtrent zijn voornaam over, waardoor in het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd als naam van de veroordeelde staat vermeld: [aanvraagster]. Doordat de vervolgde en veroordeelde persoon en de aanvraagster tot herziening (kennelijk) een tweeling zijn, kan niet uit de overige in het vonnis opgenomen personalia, zoals geboortedatum en -plaats, worden afgeleid dat de veroordeling niet de 'echte' [aanvraagster] kan betreffen. De 'echte' [aanvraagster] vraagt nu herziening van het vonnis.
6. De aanvraagster tot herziening heeft naar mijn mening duidelijk gemaakt dat het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd wat betreft de voornaam van de veroordeelde niet correct is. De vraag is echter of dit een grond voor herziening kan opleveren. Daartoe dienen we ons af te vragen of er sprake is van een novum als bedoeld in art. 457 lid 1 sub 2° Sv. Om van een dergelijk novum te kunnen spreken moet het gaan om een omstandigheid van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet is gebleken en die het ernstig vermoeden wekt dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
7. Duidelijk is dat er in de onderhavige zaak sprake is van een omstandigheid van feitelijke aard die op de terechtzitting niet is gebleken. Immers, de omstandigheid dat de veroordeelde niet de voornaam [voornaam aanvraagster] heeft, maar [voornaam verdachte], was de Politierechter niet bekend. Maar, het is nog maar de vraag of deze omstandigheid, ware zij de Politierechter bekend geweest, zou hebben geleid tot vrijspraak. Deze vraag beantwoord ik ontkennend, op grond van het volgende.
8. Deze zaak wijkt af van 'normaaltypische' gevallen van persoonsverwisseling. In de regel gaat het er bij persoonsverwisselingszaken namelijk om dat de persoon die het strafbare feit heeft gepleegd in een vroeg stadium van het strafrechtelijke traject, te weten bij de politie, de naam van iemand anders opgeeft. Resultaat hiervan is dat de verkeerde persoon wordt gedagvaard, en, in de regel bij verstek, wordt veroordeeld. In herziening wordt vervolgens duidelijk (gemaakt) dat de verkeerde persoon is veroordeeld, hetgeen een novum oplevert als bedoeld in art. 457 lid 1 sub 2° Sv.
9. In de zaak die nu voorligt is, in tegenstelling tot het hiervoor beschreven normaaltypische geval, de juiste persoon, te weten [verdachte], gedagvaard en ter terechtzitting verschenen. Pas op de terechtzitting heeft de verschenen verdachte een valse (voor)naam opgegeven, te weten de (voor)naam van zijn tweelingzus [aanvraagster]. Hierdoor is in het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd de naam van iemand anders, te weten de tweelingzus van de veroordeelde, gebezigd. In andere woorden: hier is de juiste persoon veroordeeld, onder de verkeerde voornaam. Dat de als verdachte verschenen persoon valse personalia heeft opgegeven, neemt (namelijk) niet weg dat hij de veroordeelde is.(4)
10. Naar aanleiding van de in art. 457 lid 1 sub 2° Sv vervatte eisen die aan een novum worden gesteld, heb ik mij afgevraagd wat er zou zijn gebeurd in het hypothetische geval dat de Politierechter er wel van op de hoogte zou zijn geweest dat de echte voornaam van de verdachte niet [voornaam aanvraagster], maar [voornaam verdachte] is. Deze vraag lijkt niet moeilijk te beantwoorden; de Politierechter zou de juiste voornaam van de verdachte in zijn vonnis hebben opgenomen. Tot vrijspraak had een en ander naar mijn mening beslist niet geleid. Immers, de onjuiste voornaam impliceert niet, zoals wel het geval is in het eerder beschreven normaaltypische geval, dat de Politierechter de verkeerde persoon voor zich had. Zoals gezegd: de juiste persoon is veroordeeld, maar onder een verkeerde voornaam.
11. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat herziening in deze zaak niet aangewezen is. Daartoe bieden de in de wet vervatte herzieningsgronden geen ruimte. De aanvraagster zal niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in haar aanvrage. Herziening kan immers op grond van art. 458 lid 1 Sv slechts worden aangevraagd door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, de veroordeelde persoon, en zijn of haar raadsman. De aanvraagster bezit geen van deze identiteiten.
12. Natuurlijk heb ik mij afgevraagd hoe het nu verder moet.