Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2005-06-14
ECLI:NL:PHR:2005:AT5801
Strafrecht
4,094 tokens
Conclusie
[verzoeker=verdachte]
1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft verzoeker bij arrest van 5 april 2004 wegens medeplegen van vernieling veroordeeld tot twee weken jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daarbij een bijzondere voorwaarde gesteld. Voorts heeft het hof gelast dat verzoeker een leerproject volgt voor de duur van 40 uren in plaats van het geven van een last tot gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de jeugddetentie welke verzoeker voorwaardelijk was opgelegd. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.610,49 in de gebruikelijke alternatieve modus met een schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr tot hetzelfde bedrag te vervangen door 32 dagen hechtenis.
2. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende een middel van cassatie voorgesteld.
3. Deze zaak hangt samen met die tegen medeverdachte [de medeverdachte], nr. 02907/04 J waarin ik heden eveneens conclusie neem.
4. Het middel richt zich tegen de door het hof opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Met een beroep op de parlementaire voorbereiding van de met art. 36f Sr ingevoerde schadevergoedingsmaatregel wordt hiertoe aangevoerd dat deze niet kan worden opgelegd aan personen die ten tijde van het feit de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt. Verzoeker was ten tijde van het bewezenverklaarde feit 15 jaar (en niet 14 jaar zoals het middel stelt).
5. Voor de beoordeling van het middel is van belang de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat resulteerde in de Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 1993, 29) waarbij onder meer art. 36f Sr werd ingevoegd. Deze Memorie van toelichting bevat in verband met de schadevergoedingsmaatregel en jeugdigen, het volgende:
"Het voorstel de schadevergoedingsverplichting als een maatregel op te nemen in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht heeft slechts betrekking op verdachten die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Voor verdachten die jonger zijn bevat het Wetboek van Strafrecht in Titel VIIIA van het Eerste boek een eigen arsenaal van straffen en maatregelen die overigens ook van toepassing kunnen worden verklaard op verdachten in de leeftijd tussen 18 en 21 jaar. Deze straffen en maatregelen zijn in 1982 door de Commissie herziening strafrecht voor jeugdigen die onder voorzitterschap stond van mr. E.J. Atteveldt, aan een onderzoek onderworpen. Op basis van het door deze commissie uitgebrachte rapport is een wetsontwerp voorbereid dat bij Koninklijke Boodschap van 21 september 1989 is aangeboden aan de Tweede Kamer (21 327). Het wetsontwerp bevat het voorstel om de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen en de onttrekking aan het verkeer als maatregelen op te nemen. In artikel II, onder F, van het onderhavige wetsvoorstel wordt voorgesteld om de schadevergoedingsmaatregel hieraan toe te voegen. Juist bij jeugdige verdachten is het van belang het bewustzijn aan te scherpen dat zij voor de gevolgen van hun handelen verantwoordelijk zijn. De schadevergoedingsmaatregel is hiervoor bij uitstek geschikt."(1)
6. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op de twee eerste volzinnen van het hier weergegeven deel van de Memorie van toelichting. De volzinnen lijken er inderdaad op te wijzen dat de schadevergoedingsmaatregel niet aan jeugdigen kan worden opgelegd. In zoverre lijkt de aanvang van de weergegeven passage tegenstrijdig met het besluit van het hier weergegeven deel van de Memorie van toelichting dat het betreffende wetsvoorstel de schadevergoedingsmaatregel zal toevoegen aan het strafrecht voor jeugdigen. Dat is zij evenwel niet.
7. De overweging moet aldus worden verstaan dat het invoeren van de schadevergoedingsmaatregel met art. 36f Sr als zodanig nog niet betekent dat deze kan worden toegepast in het strafrecht voor jeugdigen maar dat in de toepasselijkheid daarvan uitdrukkelijk zal worden voorzien in de aangekondigde nieuwe regelen inzake het strafrecht voor jeugdigen. Die nieuwe regelen betreffen de Kamerstukken 21 327 waarnaar wordt verwezen welke betrekking hebben op de Wet van 7 juli 1994 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten in verband met de herziening van het strafrecht voor jeugdigen (Stb. 1994, 528). Met andere woorden: de Memorie van toelichting begint met de situatie zoals deze zal zijn na het in werking treden van de Wet van 23 december 1992 (Stb. 1993, 29) en besluit met de situatie zoals die zal zijn indien het nieuwe strafrecht voor jeugdigen van kracht zal worden (de Wet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 528). Daartoe wijs ik op het volgende.
8. De Wet van 23 december 1992 wijzigt het destijds bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel inzake de herziening van het strafrecht voor jeugdigen door aan het nog in te voeren art. 77h, vierde lid, Sr een nieuw lid c toe te voegen dat voorzag in "schadevergoeding" als maatregel.(2) Ten tijde van het ten laste van verzoeker bewezenverklaarde feit - en ook thans - is dat art. 77h, vierde lid, onder d, Sr.
9. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de herziening van het strafrecht voor jeugdigen is ook gewezen op het invoeren van de schadevergoedingsmaatregel. De Nota naar aanleiding van het eindverslag behorende bij het wetsvoorstel dat leidde tot de voornoemde Wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 528), bevat hierover het volgende:
"Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat de wet van 23 december 1992 (Stb. 1993, 29) tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten, in Artikel II, onderdeel F, bij de verheffing tot wet van het onderhavige wetsvoorstel, artikel 77h aanvult met de maatregel van schadevergoeding. Deze maatregel kan worden opgelegd voor zover de minderjarige civielrechtelijk aansprakelijk is voor de schade. Voor twaalf- en dertienjarigen zal artikel 164 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek aan de oplegging van een dergelijke maatregel in de weg staan."(3)
10. Kortom, sinds het in werking treden van beide wetten, kan de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr worden opgelegd in geval het strafrecht voor jeugdigen wordt toegepast. De mogelijkheid daartoe berustte op art. 77h, vierde lid onder c, Sr (thans: art. 77h, vierde lid onder d, Sr) en volgt eveneens uit het feit dat deze bepaling niet buiten toepassing is verklaard in art. 77a Sr.(4)
11. Een contra-indicatie voor deze uitleg was evenwel enige tijd het ontbreken van - op de toepassing van het strafrecht voor jeugdigen toegesneden - bepalingen inzake vervangende hechtenis en jeugddetentie in verband met de schadevergoedingsmaatregel. De bepaling inzake vervangende hechtenis was immers uitgesloten in geval het strafrecht voor jeugdigen werd toegepast (art. 24c in verband met art. 77a (oud) Sr). Art. 77l Sr voorziet alleen vervangende jeugddetentie en hechtenis in verband met een opgelegde geldboete maar niet met een mogelijke schadevergoedingsmaatregel.
12. Het ontbreken van bepalingen inzake vervangende hechtenis en jeugddetentie in verband met de schadevergoedingsmaatregel is opgelost bij de zogenoemde Reparatiewet I (Stb. 1999, 30). Daarbij kwam art. 36f, zesde lid, als volgt te luiden:
"De artikelen 24c en 77l, tweede tot en met zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft."
13. Deze wijziging is in de Memorie van toelichting als volgt toegelicht:
"De schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr is ook in het jeugdstrafrecht van toepassing.
Conclusie
[verzoeker=verdachte]
1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft verzoeker bij arrest van 5 april 2004 wegens medeplegen van vernieling veroordeeld tot twee weken jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daarbij een bijzondere voorwaarde gesteld. Voorts heeft het hof gelast dat verzoeker een leerproject volgt voor de duur van 40 uren in plaats van het geven van een last tot gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de jeugddetentie welke verzoeker voorwaardelijk was opgelegd. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.610,49 in de gebruikelijke alternatieve modus met een schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr tot hetzelfde bedrag te vervangen door 32 dagen hechtenis.
2. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende een middel van cassatie voorgesteld.
3. Deze zaak hangt samen met die tegen medeverdachte [de medeverdachte], nr. 02907/04 J waarin ik heden eveneens conclusie neem.
4. Het middel richt zich tegen de door het hof opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Met een beroep op de parlementaire voorbereiding van de met art. 36f Sr ingevoerde schadevergoedingsmaatregel wordt hiertoe aangevoerd dat deze niet kan worden opgelegd aan personen die ten tijde van het feit de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt. Verzoeker was ten tijde van het bewezenverklaarde feit 15 jaar (en niet 14 jaar zoals het middel stelt).
5. Voor de beoordeling van het middel is van belang de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat resulteerde in de Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 1993, 29) waarbij onder meer art. 36f Sr werd ingevoegd. Deze Memorie van toelichting bevat in verband met de schadevergoedingsmaatregel en jeugdigen, het volgende:
"Het voorstel de schadevergoedingsverplichting als een maatregel op te nemen in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht heeft slechts betrekking op verdachten die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Voor verdachten die jonger zijn bevat het Wetboek van Strafrecht in Titel VIIIA van het Eerste boek een eigen arsenaal van straffen en maatregelen die overigens ook van toepassing kunnen worden verklaard op verdachten in de leeftijd tussen 18 en 21 jaar. Deze straffen en maatregelen zijn in 1982 door de Commissie herziening strafrecht voor jeugdigen die onder voorzitterschap stond van mr. E.J. Atteveldt, aan een onderzoek onderworpen. Op basis van het door deze commissie uitgebrachte rapport is een wetsontwerp voorbereid dat bij Koninklijke Boodschap van 21 september 1989 is aangeboden aan de Tweede Kamer (21 327). Het wetsontwerp bevat het voorstel om de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen en de onttrekking aan het verkeer als maatregelen op te nemen. In artikel II, onder F, van het onderhavige wetsvoorstel wordt voorgesteld om de schadevergoedingsmaatregel hieraan toe te voegen. Juist bij jeugdige verdachten is het van belang het bewustzijn aan te scherpen dat zij voor de gevolgen van hun handelen verantwoordelijk zijn. De schadevergoedingsmaatregel is hiervoor bij uitstek geschikt."(1)
6. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op de twee eerste volzinnen van het hier weergegeven deel van de Memorie van toelichting. De volzinnen lijken er inderdaad op te wijzen dat de schadevergoedingsmaatregel niet aan jeugdigen kan worden opgelegd. In zoverre lijkt de aanvang van de weergegeven passage tegenstrijdig met het besluit van het hier weergegeven deel van de Memorie van toelichting dat het betreffende wetsvoorstel de schadevergoedingsmaatregel zal toevoegen aan het strafrecht voor jeugdigen. Dat is zij evenwel niet.
7. De overweging moet aldus worden verstaan dat het invoeren van de schadevergoedingsmaatregel met art. 36f Sr als zodanig nog niet betekent dat deze kan worden toegepast in het strafrecht voor jeugdigen maar dat in de toepasselijkheid daarvan uitdrukkelijk zal worden voorzien in de aangekondigde nieuwe regelen inzake het strafrecht voor jeugdigen. Die nieuwe regelen betreffen de Kamerstukken 21 327 waarnaar wordt verwezen welke betrekking hebben op de Wet van 7 juli 1994 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten in verband met de herziening van het strafrecht voor jeugdigen (Stb. 1994, 528). Met andere woorden: de Memorie van toelichting begint met de situatie zoals deze zal zijn na het in werking treden van de Wet van 23 december 1992 (Stb. 1993, 29) en besluit met de situatie zoals die zal zijn indien het nieuwe strafrecht voor jeugdigen van kracht zal worden (de Wet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 528). Daartoe wijs ik op het volgende.
8. De Wet van 23 december 1992 wijzigt het destijds bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel inzake de herziening van het strafrecht voor jeugdigen door aan het nog in te voeren art. 77h, vierde lid, Sr een nieuw lid c toe te voegen dat voorzag in "schadevergoeding" als maatregel.(2) Ten tijde van het ten laste van verzoeker bewezenverklaarde feit - en ook thans - is dat art. 77h, vierde lid, onder d, Sr.
9. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de herziening van het strafrecht voor jeugdigen is ook gewezen op het invoeren van de schadevergoedingsmaatregel. De Nota naar aanleiding van het eindverslag behorende bij het wetsvoorstel dat leidde tot de voornoemde Wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 528), bevat hierover het volgende:
"Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat de wet van 23 december 1992 (Stb. 1993, 29) tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten, in Artikel II, onderdeel F, bij de verheffing tot wet van het onderhavige wetsvoorstel, artikel 77h aanvult met de maatregel van schadevergoeding. Deze maatregel kan worden opgelegd voor zover de minderjarige civielrechtelijk aansprakelijk is voor de schade. Voor twaalf- en dertienjarigen zal artikel 164 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek aan de oplegging van een dergelijke maatregel in de weg staan."(3)
10. Kortom, sinds het in werking treden van beide wetten, kan de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr worden opgelegd in geval het strafrecht voor jeugdigen wordt toegepast. De mogelijkheid daartoe berustte op art. 77h, vierde lid onder c, Sr (thans: art. 77h, vierde lid onder d, Sr) en volgt eveneens uit het feit dat deze bepaling niet buiten toepassing is verklaard in art. 77a Sr.(4)
11. Een contra-indicatie voor deze uitleg was evenwel enige tijd het ontbreken van - op de toepassing van het strafrecht voor jeugdigen toegesneden - bepalingen inzake vervangende hechtenis en jeugddetentie in verband met de schadevergoedingsmaatregel. De bepaling inzake vervangende hechtenis was immers uitgesloten in geval het strafrecht voor jeugdigen werd toegepast (art. 24c in verband met art. 77a (oud) Sr). Art. 77l Sr voorziet alleen vervangende jeugddetentie en hechtenis in verband met een opgelegde geldboete maar niet met een mogelijke schadevergoedingsmaatregel.
12. Het ontbreken van bepalingen inzake vervangende hechtenis en jeugddetentie in verband met de schadevergoedingsmaatregel is opgelost bij de zogenoemde Reparatiewet I (Stb. 1999, 30). Daarbij kwam art. 36f, zesde lid, als volgt te luiden:
"De artikelen 24c en 77l, tweede tot en met zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft."
13. Deze wijziging is in de Memorie van toelichting als volgt toegelicht:
"De schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr is ook in het jeugdstrafrecht van toepassing.