Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2002-04-19
ECLI:NL:PHR:2002:AD9594
Civiel recht
2,563 tokens
Feiten
1.1 Bij notariële akte van 17 februari 1960 heeft eiser tot cassatie, [eiser], van de gemeente Asten, de Gemeente, met ingang van respectievelijk 1 oktober 1957 en 1 oktober 1960 het erfpachtrecht verkregen van de percelen, sectie [...](2) nrs. [001] en [002]. In art. 1 van deze akte is opgenomen dat de canon jaarlijks op of voor 1 oktober van ieder jaar dient te worden voldaan. De erfpacht eindigt in beginsel in de tweede helft van 2020 respectievelijk 2007.
1.2 Bij inleidende (formulier)dagvaarding van 15 april 1996 heeft de Gemeente voor de kantonrechter te Helmond betaling door [eiser] gevorderd van een bedrag van ƒ 1.220,71, zijnde de restantvordering wegens erfpacht 1994, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten. De Gemeente heeft daartoe gesteld dat zij [eiser] een (gecorrigeerde) nota ten bedrage van ƒ 12.856,63 heeft gestuurd wegens de verschuldigde erfpachtcanon over het jaar 1994, welke nota door [eiser] tot een bedrag van ƒ 11.635,92 is voldaan. Ondanks aanmaning heeft [eiser], zo stelt de Gemeente, geweigerd het restant te betalen.
1.3 [Eiser] heeft allereerst bij incidentele conclusie de onbevoegdheid van de kantonrechter ingeroepen en gesteld dat partijen geen overeenstemming hebben over de hoogte van de canon 1994, zodat op grond van de Algemene Bepalingen die op de erfpacht van toepassing zijn, bij uitsluiting de Grondkamer bevoegd is. De Gemeente heeft het standpunt van [eiser] gemotiveerd bestreden.
1.4 Bij vonnis van 13 december 1996 heeft de kantonrechter te Helmond zich bevoegd verklaard. De kantonrechter heeft daarbij geoordeeld dat in het onderhavige geval geen sprake is van verlenging van de erfpacht, zodat het geschil dan ook niet de herziening van de canon in verband met verlenging van de erfpacht betreft, in welke geval de Grondkamer bevoegd zou zijn geweest.
1.5 In de hoofdzaak heeft [eiser] vervolgens de vordering van de Gemeente bestreden. Hij heeft erkend dat hij een nota van ƒ 12.856,63 van de Gemeente heeft ontvangen en ook erkend dat hij op die nota een bedrag van ƒ 11.635,92 heeft betaald. Volgens [eiser] bedroeg de erfpacht voor het voorafgaande jaar, 1993, ƒ 11.635,92 en heeft het gevorderde bedrag van ƒ 1.220,71 betrekking op een door de Gemeente opgelegde verhoging van de canon. Hij heeft deze verhoging echter onbetaald gelaten, omdat de Gemeente op grond van de pachtnorm niet het recht had de canon te verhogen in een mate als zij heeft gedaan en omdat de Gemeente nog niet gerechtigd was de canon te verhogen.
1.6 In reconventie heeft [eiser] een verklaring voor recht gevorderd dat de canon, als jaarlijks door hem verschuldigd op grond van het recht van erfpacht, uitsluitend telkens verhoogd mag worden met een bedrag zoals dat uit de toepassing van de pachtnorm voortspruit, dus enkel met een bedrag waarmee pacht in een pachtovereenkomst in het betreffende jaar eventueel verhoogd mag worden. Deze reconventionele vordering heeft [eiser], voordat eindvonnis werd gewezen, ingetrokken.
1.7 Nadat de kantonrechter bij tussenvonnis van 12 december 1997 een comparitie van partijen heeft gelast, heeft hij bij eindvonnis van 11 september 1998 de vordering van de Gemeente afgewezen. De kantonrechter heeft overwogen dat de verhoging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
1.8 De Gemeente is van dit vonnis in hoger beroep gegaan bij de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch. Bij vonnis van 28 april 2000 heeft de rechtbank de kantonrechter onbevoegd verklaard, nu het verweer van [eiser] de hoogte van de door hem aan de gemeente verschuldigde canon tot inzet van het geschil had gemaakt en de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch verwezen.
1.9 [Eiser] heeft tijdig(3) beroep in cassatie ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. De Gemeente is niet verschenen, waarna tegen haar verstek is verleend. [Eiser] heeft vervolgens nog een schriftelijke toelichting gegeven.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het middel be betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat de vordering van de Gemeente(4) op [eiser] waarover de kantonrechter had te vonnissen niet meer bedroeg dan ƒ 2.500,--, zodat appel voor de Gemeente niet openstond.
Voorts betoogt het middel dat indien de rechtbank de processtukken aldus zou hebben uitgelegd dat zij heeft gemeend dat de vordering van de Gemeente, zoals deze ter beoordeling aan de kantonrechter voorlag, een bedrag van ƒ 2.500,-- overschreed, het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is in het licht van de gedingstukken van de eerste aanleg.
2.2 De appellabiliteit van het vonnis van de kantonrechter dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in art. 38 RO (oud). Met ingang van 1 januari 1999 geldt ingevolge dit artikel dat de kantonrechter over vorderingen in hoogste ressort oordeelt, indien het beloop daarvan niet meer dan ƒ 3.500,-- bedraagt(5). In dit geval is de inleidende dagvaarding uitgebracht voor 1 januari 1999(6). Ingevolge art. VI van de Wet van 19 oktober 1998 tot verhoging van de grens van de bevoegdheid van de kantonrechters en van de appellabiliteit van vonnissen van deze rechters in burgerlijke zaken, Stb. 605, geldt in de onderhavige procedure de voordien geldende appelgrens van ƒ 2.500,--.
2.3 Daarbij is maatstaf de waarde van de vordering waarover de kantonrechter, eventueel na wijziging van eis, heeft moeten oordelen(7). Nevenvorderingen, zoals (wettelijke of contractuele) rente of dwangsommen, tellen daarbij mee, voor zover deze ten tijde van de inleidende dagvaarding reeds verschuldigd of opeisbaar waren geworden(8).
2.4 De bijzondere regel van appellabiliteit van art. 253 Rv. (oud), de zogeheten optelregel indien sprake is van een vordering in conventie en een vordering in reconventie, is hier niet van toepassing nu [eiser] zijn reconventionele vordering heeft ingetrokken voordat de kantonrechter eindvonnis heeft gewezen(9).
2.5 In de onderhavige zaak heeft de Gemeente uitsluitend de niet betaalde verhoging gevorderd en daarbij gesteld dat zij een restantvordering van ƒ 1.220,71 op [eiser] had ter zake van de canon over het jaar 1994. [Eiser] heeft dit erkend. Hij heeft met zoveel woorden gesteld dat hij de nota van de Gemeente heeft betaald tot het bedrag van de canon van het jaar daarvoor en dat hij de door de Gemeente toegepaste verhoging ter grootte van het gevorderde restantbedrag betwistte.
2.6 De rechtbank heeft het volgende geoordeeld(10):
"[Eiser] heeft de verhogingen onbetaald gelaten, op de grond dat - kort gezegd - de gemeente niet het recht had de canon te verhogen in een mate als zij gedaan heeft en omdat de gemeente nog niet gerechtigd was de canon te verhogen. Met dit verweer maakt [eiser] tot inzet van het geschil de hoogte van de door hem aan de gemeente verschuldigde canon. De kantonrechter kon geen uitspraak doen over de vraag of [eiser] over 1994 nog de restant-canon als gevorderd verschuldigd was, zonder uitspraak te doen over de hoogte van de verschuldigde canon, waarmee, mede gelet ook op de looptijd van de erfpacht tot in de tweede helft van 2020 respectievelijk 2007, de rechtsstrijd loopt over een bedrag dat de competentiegrens van de kantonrechter overschreed. Niet de kantonrechter was derhalve de bevoegde rechter, doch de rechtbank. Zulks brengt mee dat het gerechtshof alhier appelrechter is."
2.7 De rechtbank heeft aldus de appellabiliteit aan de hand van de bevoegdheid van de kantonrechter beoordeeld. Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In HR 5 januari 1996, NJ 1996, 333 is beslist dat de appellabiliteit "enkel moet worden beoordeeld aan de hand van de vordering waarover door hem (de kantonrechter, W-vG) moest worden gevonnist."(11).
2.8 Een niet-appellabel vonnis kan niet appellabel worden gemaakt doordat de appelrechter ambtshalve de bevoegdheid van de rechter in eerste instantie gaat beoordelen.
Conclusie
Deze strekt tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 28 april 2000 en tot afdoening door de Hoge Raad als onder 2.11 aangegeven.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Zie de vonnissen van de kantonrechter te Helmond van 13 december 1996 en van 11 september 1998, alsmede het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 28 april 2000.
2 In afwijking van het vonnis van de kantonrechter van 11 september 1998, waarin is genoemd sectie nrs. [...] [001] en [002], hetgeen kennelijk een verschrijving is gezien de notariële akte van 16 juni 1994 waarin de erfacht van sectie [...] nr. [001] is verlengd.
3 De dagvaarding is uitgebracht op 28 juli 2000.
4 Het middel spreekt van de vordering van [eiser]. Dit berust kennelijk op een vergissing, zoals ook blijkt uit de schriftelijke toelichting.
5 Wet van 19 oktober 1998, Stb. 1998, 605 en Besluit van 9 november 1998, Stb. 1998, 624. Zie thans art. 332 lid 1 Rv.
6 De formulierdagvaarding is ondertekend op 15 april 1996.
7 HR 24 april 1987, NJ 1988, 133 (WHH); HR 26 april 1991, NJ 1991, 441 en HR 5 januari 1996, NJ 1996, 333.
8 Vgl. HR 16 oktober 1987, NJ 1988, 1014 (CJHB); HR 16 december 1994, NJ 1995, 198. Zie ook de conclusie van A-G Asser voor dat arrest, nrs. 2.4 e.v., en Snijders/Wendels, Civiel appel, 1999, blz. 27-29.
9 Zie de fax van de Gemeente van 23 juli 1998 en het vonnis van de kantonrechter van 11 september 1998, blz. 4.
10 Blz. 2 van het vonnis.
11 Het beloop van het door eiser gevorderde bedrag bepaalt samen met het verweer van gedaagde wel de bevoegdheid, aldus de HR in dit arrest. Volgens Snijders/Wendels, nr. 52 berust het arrest op een omissie nu de Hoge Raad in zijn arrest van 12 mei 1995, NJ 1995, 514 zou hebben beslist dat het verweer van gedaagde de appellabiliteit wel beïnvloedt M.i. is in dit arrest niet meer beslist dan dat de beoordeling van de appellabiliteit van een vordering tot verklaring voor recht bepaald wordt door de vraag welke waarde deze vordering vertegenwoordigt.
12 Zie Hugenholtz/Heemskerk, nr. 22 en het in noot 44 genoemde arrest.