Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2002-01-22
ECLI:NL:PHR:2002:AD5595
Strafrecht
2,038 tokens
=== CONCLUSIE ===
[Verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage terzake van
(feit 1) "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder B en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en
(feiten 2 en 3) "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd",
veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren en een geldboete van honderdvijftigduizend gulden te vervangen door één jaar gevangenisstraf.
2. Namens verzoeker heeft mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel houdt in dat het Hof op ontoereikende gronden het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene A] heeft afgewezen.
4. Ter zitting van 6 december 2000 heeft de raadsman verzocht [betrokkene A] als getuige te horen. Alvorens te beslissen heeft het Hof de advocaat-generaal verzocht te onderzoeken of door raadpleging van GBA-registers en het VIPS-systeem een verblijfplaats van deze persoon gevonden kon worden, en na te gaan of hij zich in vreemdelingenbewaring bevond.
5. Na hervatting van het onderzoek heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting meegedeeld dat bedoelde persoon (met inbegrip van aliassen) niet in het VIPS-systeem voorkwam, die persoon zich niet in vreemdelingenbewaring bevond, en geen GBA-adres van hem bekend was.
6. Nadat de raadsman bij zijn verzoek had gepersisteerd heeft de voorzitter, na beraad, als beslissing van het Hof medegedeeld:
"Ten aanzien van de getuige [betrokkene A] overweegt het hof dat op grond van de ingewonnen informatie, waaruit blijkt dat de getuige niet te bereiken is door justitie, zich niet in detentie of bewaring bevindt en niet is opgenomen in enig bevolkingsregister, de kans dat de getuige binnen redelijke termijn zal verschijnen op een terechtzitting niet aanwezig is en de getuige derhalve niet zal worden opgeroepen. De verdachte is door deze beslissing niet geschaad in zijn verdediging."
7. De steller van het middel meent dat het verzoek tot oproeping van deze getuige ten onrechte is afgewezen op de in art. 288, eerste lid onder a, Sv bedoelde grond, omdat de getuige in eerste aanleg op twee verschillende zittingen is verschenen, aldaar telkens heeft opgegeven te [plaats B] te wonen, op de eerste van die zittingen heeft verklaard de dagvaarding via zijn advocaat te hebben ontvangen, en voorts uit het ter terechtzitting in eerste aanleg verhandelde valt op te maken dat de getuige contact onderhoudt met een criminele inlichtingendienst van de politie.
8. Een en ander is inderdaad terug te vinden in de processen-verbaal van de op 4 april 2000 en 6 juni 2000 gehouden terechtzittingen van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam.
Voorts wijs ik er op dat [betrokkene A] ter terechtzitting van 6 juni 2000 weliswaar heeft verklaard dat er een week na de vorige zitting op hem was geschoten, en dat hij zijn adres niet meer gaf, maar aansluitend aan de weergave van de door deze getuige afgelegde verklaring komt in het proces-verbaal van deze terechtzitting de passage voor:
"De raadslieden verklaren geen afstand te doen van de getuige, maar wel voor verdere ondervraging vandaag.
De officier van justitie verklaart dat zij de verdachte, indien nodig, weet te bereiken.
De voorzitter geeft de getuige toestemming om te vertrekken."
De samenhang tussen deze zinnen lijkt mij uit te wijzen dat er een misslag is opgetreden, en dat de officier van justitie heeft opgegeven - of heeft beoogd op te geven - dat zij de getuige zou weten te bereiken.
9. Daarnaast meen ik niet voorbij te kunnen gaan aan het volgende. Aan het proces-verbaal van 's Hofs terechtzitting van 6 december 2000 zijn twee pleitnotities gehecht, waarvan de eerste geheel is toegesneden op het oproepen van de getuige [betrokkene A]. Daarin is melding gemaakt van een faxbericht van 1 december 2000, waarin de raadsman er op heeft gewezen dat de getuige in eerste aanleg ter terechtzitting is verschenen en heeft verklaard te [plaats B] te wonen. In deze pleitnotities is daarom betwist dat de getuige een zwervend bestaan leidt, zoals de advocaat-generaal in een faxbericht van 4 december had gesteld.
Bij de aan de Hoge Raad toegestuurde stukken bevindt zich een mapje, bevattende stukken betreffende de toevoeging van de raadsman met het oog op de behandeling in hoger beroep, en exemplaren van de brief van 1 december 2000 die de raadsman heeft verzonden aan de advocaat-generaal bij het Gerechtshof, alsmede de brief van de advocaat-generaal van 4 december 2000, waarin op dat verzoek is gereageerd.
De advocaat-generaal heeft daarin vermeld dat het verzoek tot oproeping van de getuige tegen de zitting van 6 december 2000 op 1 december 2000 ten parkette is binnengekomen, het meest late tijdstip waarop de getuige kon worden opgegeven, terwijl de verlangde getuige illegaal is en van hem geen woon- of verblijfplaats bekend is. De advocaat-generaal weigerde blijkens deze brief de getuige op te roepen, aangezien de getuige een zwervend bestaan leidt en de advocaat-generaal het om die reden onaannemelijk achtte dat de getuige binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen.
Voorts bevindt zich in dit mapje een afschrift van een proces-verbaal, opgemaakt door een officier van justitie werkzaam bij het arrondissementsparket te Rotterdam, waarin is vermeld dat bedoelde [betrokkene A] op 29 september 2000 aan die officier van justitie is voorgeleid ter zake van het als ongewenst verklaarde vreemdeling in Nederland verblijven, en ter gelegenheid van die voorgeleiding opmerkingen maakte omtrent de vondst van cocaïne aan boord van een schip, waarover [betrokkene A] in een krant had gelezen. Blijkens dit proces-verbaal heeft [betrokkene A] de officier van justitie opgegeven dat hij bereid was ter zake als getuige een verklaring af te leggen.
10. Uit de tot het dossier behorende stukken had het Hof naar mijn inzicht moeten afleiden dat zich nog steeds de mogelijkheid voordeed dat het openbaar ministerie de verblijfplaats van deze illegaal in Nederland aanwezige getuige zou kunnen achterhalen, zo nodig door tussenkomst van de criminele inlichtingendienst waarmee de getuige - naar de Rechtbank uit diens verklaring heeft afgeleid - eerder contact had onderhouden, hetgeen er toe zou kunnen leiden dat een oproeping om ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen aan de getuige betekend zou worden en de getuige daaraan gehoor zou geven, zonder dat dit tot een onaanvaardbare vertraging in de verdere behandeling van deze strafzaak zou leiden.
11. Het oordeel dat het niet aannemelijk is dat deze getuige binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen, uitsluitend gebaseerd op de vaststelling dat van hem geen inschrijvingsadres bekend was en hij ten tijde van 's Hofs terechtzitting noch op een strafrechtelijke titel, noch op grond van de Vreemdelingenwet gedetineerd was, komt mij daarom voor onvoldoende met redenen omkleed te zijn.
Het middel treft naar mijn inzicht doel.
12. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte een in de bestreden uitspraak op blz 2 onder 4 weergegeven verzoek heeft afgewezen op de grond dat het Hof zich voldoende ingelicht achtte en de noodzaak van het verlangde niet aanwezig achtte.
13. Dat verzoek is in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en afgewezen:
"De raadsman heeft ter terechtzitting aanhouding van de behandeling van de zaak verzocht teneinde:
1. op een nadere terechtzitting de verbalisanten Kraaijeveld, Van Genderen, Van Rosendaal en de officier van justitie Van Belzen als getuigen te horen,
2. video-opnamen van observaties te bekijken,
3. een overzichtsproces-verbaal te laten opmaken voor een rechtmatigheidstoetsing van de observaties
4.