Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2000-05-30
ECLI:NL:PHR:2000:3
Strafrecht
[verdachte] Edelhoogachtbaar College, 1. Verdachte is door de Rechtbank te Breda veroordeeld wegens overtreding van art. 2 lid 1 Leerplichtwet 1969 tot een geldboete van fl 200, subsidiair vier dagen vervangende hechtenis. 2. Namens verdachte heeft mr. J. de Jong van Lier, advocaat te Enschede, een middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel houdt in dat art. 8 EVRM, art. 12 leden 1 en 2 IVBPR en art. 3 lid 1 IVKR zouden zijn geschonden. Art. 8 EVRM zou zijn geschonden, omdat art. 2 Leerplichtwet 1969 een inbreuk zou maken op het recht op 'family life' neergelegd in art. 8 lid 1 EVRM, die niet zou worden gelegitimeerd door één van de in art. 8 lid 2 EVRM genoemde belangen. Art. 12 IVBPR zou zijn geschonden, omdat de inbreuk op het recht om zijn eigen land te verlaten en het recht zich op dit grondgebied vrijelijk te verplaatsen, niet wordt gelegitimeerd door één van de in art. 12 lid 2 genoemde belangen. Tot slot wordt betoogd dat in strijd met art. 3 lid 1 IVRK de belangen van het kind niet op de eerste plaats zijn gezet bij het uitvoering geven van de Leerplichtwet 1969. 4. Art. 8 EVRM luidt als volgt: ' 1. Everyone has the right for respect for his private and family life, his home and his correspondence. 2. There shall be no interference by a public authority with the exercise of this right except such as is in accordance with the law and is necessary in a democratic society in the interest of national security, public safety or the economic well-being of the country, for the prevention of disorder or crime, for the protection of health or morals, or for the protection of the rights and freedoms of others.' 5. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het volgende verweer gevoerd: 'Het niet verlenen van verlof is bovendien in strijd met artikel 8 van het Ver- drag van Rome (EVRM). In het licht van dat artikel moet het individuele kind voorop worden gesteld en wordt uitgegaan van het primaat van het gezag van de ouders.' 6. De rechtbank heeft het verweer als volgt verworpen: 'In de Leerplichtwet zijn ( ... ) vrijstellingen opgenomen, die voorzien in mogelijkheden om in een afwijkende vakantieperiode op vakantie te gaan. Derhalve kan niet worden gesteld dat er inbreuk is gemaakt op het principe van respect voor 'family life'. 7. In de rechtspraak van het EHRM noch in die van uw Raad heb ik uitspraken aangetroffen die in het bijzonder zien op de verhouding tussen de plicht kinderen onderwijs te laten volgen (behoudens toestemming voor verlof buiten de vakanties) en het in art. 8 lid 1 EVRM neergelegde recht op 'family life'. 8. Met de steller van het middel ben ik van mening dat zonder meer sprake is van 'family life' tussen de vader, moeder en de zoon. Naar mijn mening is echter in de onderhavige omstandigheden geen sprake van schending van 'family life' in de zin van art. 8 lid 1 EVRM. Het naleven van art. 2 van de Leerplichtwet 1969 verandert niets aan de relatie tussen de ouders en het kind. Het kind wordt niet van de ouders gescheiden, in die zin dat 'family life' niet meer mogelijk is dan wel in serieuze mate wordt bemoeilijkt. Art. 2 Leerplichtwet 1969 beoogt alleen te waarborgen dat kinderen regelmatig naar school gaan. In het middel wordt verder niet duidelijk gemaakt waarin de schending van de 'family life' heeft bestaan. 9. Dit onderdeel van het middel is ondeugdelijk. 10. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het volgende verweer gevoerd. 'De Leerplichtwet verbiedt zich vrijelijk te verplaatsen en is daardoor in strijd met een hogere regeling (regeling: JWF), te weten artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. 11. De rechter heeft het verweer als volgt verworpen: De rechter verwerpt het verweer dat de Leerplichtwet in strijd is met een hogere regeling (het IVRK), nu zij van oordeel is dat het recht om het land te mogen verlaten hier niet in het geding is.' 12. Met recht wijst de steller van het middel erop dat de Rechtbank abusievelijk '(het (VRK)' in plaats van '(het IVBPR') in zijn verwerping van het verweer heeft opgenomen. Maar gelet op de inhoud van de zinsnede die daarop volgt is duidelijk dat wordt verwezen naar art. 12 IVBPR. 13. De raadsman stelt verder in het middel dat art. 12 IVBPR is geschonden. Deze bepaling luidt - voor zover van belang - als volgt: '1. Everyone lawfully within the territory of a State shall, within that territory, have the right to liberty of movement and freedom to choose his residence. 2. Everyone shall be free to leave any country, including his own. 3. The above-mentioned rights shall not be subject to any restrictions except those which are provided by law, are necessary tot protect national security, public order, public health of morals or the rights and freedoms of others, and are consistent with the other rights recognized in the present Covenant.' 14. Art. 2 lid 1 Leerplichtwet 1969 luidt: 'Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.' 15. Anders dan de steller van het middel meent, wordt door art. 2 Leerplichtwet 1969 geen inbreuk gemaakt op het recht van eenieder om zich te verplaatsen of naar het buitenland te gaan. Art. 2 Leerplichtwet 1969 laat bovengenoemde rechten onverlet. Voomoemde bepaling vereist alleen dat de ouders die het gezag over een kind uitoefenen, hun kind de school waar het staat ingeschreven, geregeld laten bezoeken. Op de in art. 2 lid 1 bedoelde verplichting kan een uitzondering worden gemaakt. In art. 11 Leerplichtwet 1969 zijn de gronden voor vrijstelling van geregeld schoolbezoek opgenomen. Ingevolge art. 13a Leerplichtwet 1969 dient hiervoor verlof te worden verleend door het hoofd van de school. Daarnaast zijn er de gebruikelijke schoolvakanties. De Leerplichtwet 1969 staat derhalve niet aan de uitoefening van de in art. 12 IVBPR genoemde rechten in de weg. Aan de in art. 12 lid 3 IVBPR genoemde gronden die een inbreuk op de in art. 12 lid 1 en 2 IVBPR rechten kunnen rechtvaardigen, wordt derhalve niet toegekomen. 16. Ook dit onderdeel van het middel is ondeugdelijk. 17. Tot slot stelt de steller van het middel zich op het standpunt dat art. 3 lid 1 IVRK is geschonden. Bij de totstandkoming van de leerplichtwet, meer in het bijzonder bij de wijziging van de leerplichtwet waarbij de leerplichtige leeftijd is verlaagd van 6 naar 5 jaar en bij de wijze waarop aan de leerplichtwet in het onderhavige geval uitvoering is gegeven, zouden de belangen van het individuele kind niet op de eerste plaats zijn gezet. 18. Art. 3 lid 1 Verdrag inzake de rechten van het kind, Trb. 1990/170 luidt als volgt: 'Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.' 19. Voorzover in het middel wordt geklaagd over de wijze waarop in de onderhavige zaak aan de leerplichtwet uitvoering is gegeven, kan het niet tot cassatie leiden, nu in feitelijke aanleg hierover niet is geklaagd. Deze klacht kan alleen worden beoordeeld op grond van een waardering van de feiten waarvoor in beginsel in cassatie geen plaats is. 20. Art. 28 lid 1 Verdrag inzake de rechten van het kind is een uitwerking van het in art. 3 lid 1 Verdrag inzake de rechten van het kind neergelegde uitgangspunt dat aan dit Verdrag ten grondslag ligt. Hierin is bepaald dat de staten, partij bij het Verdrag, het recht op onderwijs erkennen en daarvoor faciliterende maatregelen dienen te treffen, waaronder het verplicht stellen van primair onderwijs.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 11a — Leerplichtwet 1969
- Artikel 13a — Leerplichtwet 1969
- Artikel 3 — Leerplichtwet 1969
- Artikel 28 — Verdrag inzake de rechten van het kind - BWBV0002508
- Artikel 11 — Leerplichtwet 1969
- Artikel 12 — Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - BWBV0001017
- Artikel 2 — Leerplichtwet 1969