Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
1995-04-11
ECLI:NL:PHR:1995:51
Strafrecht
4,053 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:1995:51 text/xml public 2026-05-15T10:00:49 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 1995-04-11 99.189 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1995:ZD0064 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1995:51 text/html public 2026-05-08T14:50:48 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:1995:51 Parket bij de Hoge Raad , 11-04-1995 / 99.189 Pincode. J.M. Nr. 99.189 Zitting 11 april 1995 Mr Meijers Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbaar College, 1. Aan afpersing maakt iemand zich, onder meer, schuldig, wanneer hij een ander dwingt tot afgifte van enig goed, dat aan het slachtoffer of aan een derde toebehoort (art. 317 Sr) . Valt een pincode onder "enig goed" en, zo ja, leent dat goed zich dan voor "afgifte"? Deze vraag legt mr. G.P. Hamer in zijn tweede middel aan de Hoge Raad voor. Alvorens op dit punt in te gaan, bespreek ik beide andere voorgestelde middelen. I. In het eerste middel wordt betoogd dat het hof het gebruik van de verklaring van [getuige 1] - voor het bewijs van het onder A 1 bewezenverklaarde nader had dienen te motiveren, althans nader had moeten motiveren waarom het diens verklaring betrouwbaar achtte. In hoger beroep waren op de getuigenlijst geplaatst de getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 1] . Ter terechtzitting van 24 maart 1994 werd het onderzoek aangehouden ten einde de niet-verschenen getuigen alsnog ter terechtzitting te horen, waarbij de medebrenging van laatstgenoemde getuige werd gelast. Ter terechtzitting van 2 juni 1994 werd het onderzoek door het hof opnieuw aangevangen in verband met zijn gewijzigde samenstelling. De drie getuigen waren weer Het bewijs van het onder A 1 bewezenverklaarde berust, zoals in de toelichting op het middel met juistheid wordt gesteld, op de aangifte van [getuige 3] en op de verklaring van medeverdachte [getuige 1] . Beiden zijn op 5 april 1993 door de rechter-commissaris gehoord, in aanwezigheid van verzoekers raadsman. Zoals de steller van het middel ook met juistheid aanvoert is de verklaring van [getuige 1] de enige waaruit de betrokkenheid van verzoeker bij het feit rechtstreeks kan volgen. Nu de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om de verklaring van [getuige 1] op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten, door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te ondervragen en [getuige 1] bij die ondervraging zijn verklaring over verzoekers aandeel in het feit niet heeft ingetrokken maar heeft bevestigd, stond het het hof vrij verklaring van [getuige 1] voor het bewijs te gebruiken, vgl. HR NJ 94,427. Dat [getuige 1] zijn verklaring ten aanzien van een andere medeverdachte introk is in deze zaak niet van belang. Nu de selectie en waardering van het bewijsmateriaal aan de feitenrechter is overgelaten en die beslissing - behoudens uitzonderingen die zich in dit geval niet voordoen - geen motivering behoeft, stuit de klacht over het niet motiveren van het (impliciete) oordeel dat de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar is hierop af. Voor zover in het middel wordt aangevoerd dat ook het hof de oproeping van [getuige 1] noodzakelijk vond mist het feitelijke grondslag: de getuige was op de lijst geplaatst en niet verschenen, zodat het hof - overigens in een samenstelling waarin het uiteindelijk niet het arrest heeft gewezen - in principe op grond van art. 282, eerste lid, Sv alsnog diens oproeping moest bevelen en zijn medebrenging kon bevelen. Het middel faalt. III. Het derde middel behelst de klacht dat het onder A 2 bewezen-verklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en dat het hof het voor het bewijs bezigen van de verklaring van [getuige 2] nader had moeten motiveren, met name nu niet zou blijken dat de beroving in de parkeergarage bij [A] aan [a-straat] te [plaats] , waarvan [aangever] aangifte heeft gedaan, dezelfde beroving is waarover [getuige 2] spreekt, namelijk een beroving van een vrouw die werkzaam is in een winkel in [winkelcentrum] . Nu het (1) een feit van algemene bekendheid (dat wil zeggen een feit dat reeds bij de enkele raadpleging van de kaart van [plaats] vastgesteld kan worden) is dat het [winkelcentrum] zich bevindt op of aan [a-straat] in [plaats] en (2) de aangifte van [aangever] en de auditu verklaring van [getuige 2] (over hetgeen verdachte tegen haar had gezegd) exact overeenstemmen voor wat betreft de datum en plaats van het delict, de modus operandi, het stelen van een tas en de hoogte van het ontvreemde geldbedrag kon het hof oordelen dat beiden over dezelfde beroving verklaarden. Dit oordeel behoefde het hof niet nader te motiveren en gelet op de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter ten aanzien van het bewijsmateriaal behoefde het evenmin nader te motiveren waarom het de verklaring - van de [getuige 2] - die tevergeefs werd opgeroepen voor de zittingen van 24 maart 1994 en 2 juni 1994 en van het horen waarvan op de laatste zitting met toestemming van alle partijen werd afgezien - betrouwbaar achtte en voor het bewijs gebruikte. Het middel treft geen doel. De Hoge Raad kan ten aanzien van dit middel art. 101a RO toepassen. De afgeperste pincode 4. De feiten: verzoeker is één van drie mannen die op een nacht in januari 1993 bij een lift in flat [B] te [plaats] met geweld, onder bedreiging met een mes en met hun numerieke overmacht [slachtoffer] hebben beroofd van een geldbedrag en een betaalpasje en hem hebben gedwongen hun zijn pincode te zeggen. De bewezenverklaring: het hof heeft, onder 1, naast de diefstal van het geld en de betaalpas bewezen verklaard dat verzoeker met anderen [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van de pincode van een betaalpasje . De kwalificatie: het hof heeft dit bewezenverklaarde als afpersing (door twee of meer verenigde personen) gekwalificeerd. 5. Mr. Hamer neemt in het tweede middel het standpunt in dat het (onder dwang) noemen van de pincode niet onder "afgifte van enig goed" in de zin van art. 317 Sr kan worden begrepen en dat een pincode zelf "geen gegeven met geldwaarde in het handelsverkeer" (schriftuur, p. 6) is. 6. De telastelegging volgt terecht de tekst van art. 317 oud Sr. Het feit is gepleegd op 14 januari 1993. De Wet computercriminaliteit (Wet van 23 december 1992, S. 1993, 33) is op 1 maart 1993 in werking getreden. Nu dit zo is, kan, strikt genomen, het tweede onderdeel van het standpunt van mr. Hamer (een pincode is geen gegeven met geldswaarde in het handelsverkeer) in het midden blijven. 7. De vraag of een pincode als een gegeven met geldswaarde in het handelsverkeer kan worden beschouwd (zie de tekst van art. 317 Sr, zoals gewijzigd bij de Wet computercriminaliteit) is intussen ook voor deze zaak, onder oud recht, niet zonder betekenis. De regering noemt -in navolging van Kaspersen- als criterium voor de vaststelling of er van zo een gegeven sprake is: de verhandelbaarheid, in algemene zin, op de markt. Ik citeer uit kamerstuk 21 551, nr. 6, p. 19-20: "Met het begrip "gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer" wordt gedacht aan adreslijsten van cliënten van een onderneming of aan marketinggegevens. Deze hebben geldswaarde in het handelsverkeer, daar een op voorhand onbepaalbare groep van personen bereid zal zijn daarvoor geld te betalen. Terecht stelt Kaspersen ( ... ) dat het hier gaat om een geobjectiveerd criterium, waarbij het er niet om gaat of bepaalde personen bereid zijn geld te betalen, maar om verhandelbaarheid in algemene zin, op de markt. ( ... ) Ten slotte kan worden gewezen op artikel 284, dat de parallel vormt van de artikelen 317 en 318 zonder de vermogensrechtelijke bestanddelen daarvan. ( ... ) Zou in het algemeen het begrip "gegevens" worden opgenomen in de bedoelde bepalingen, dan verliezen deze daarmee hun specifiek vermogen en worden gedragingen strafbaar gesteld, waar dit niet is beoogd. ( ... ) Een denkbaar alternatief zou zijn de strafbepaling enerzijds uit te breiden tot alle gegevens, ook wanneer deze geen geldswaarde in het handelsverkeer vertegenwoordigen, anderzijds te beperken tot electronisch vastgelegde gegevens.
Volledig
Ook dit alternatief komt mij evenwel onwenselijk voor. Terugkomend op het voorbeeld van de adreslijst van de cliënten van een onderneming: ik zie niet goed in waarom voor de strafbaarheid er een verschil zou bestaan voor de afgifte van de gegevens op een klassieke wijze (bij voorbeeld door mondelinge mededeling) en op informatietechnische wijze (bij voorbeeld door een overdracht van data via telecommunicatie). Enkele vitale gegevens kunnen immers al onder omstandigheden een belangrijke handelswaarde vertegenwoordigen. Een dergelijke benadering zou het in dit opzicht louter instrumentele karakter van de informatietechniek miskennen. " Dat een pincode thans onder het begrip "gegevens" in de zin van art. 80 quinquies Sr (ingevoegd bij de Wet computercriminaliteit) valt wordt algemeen aanvaard. Zie J.M. van Oorschot in Computermisdaad en strafrecht (Red. H. W. K. Kaspersen) , p. 21-22 en H. W. K. Kaspersen, Strafbaarstelling van computermisbruik (diss. VU 1990), p. 247-254. Vgl. H.W.K. Kaspersen en N. Keijzer in Computermisdaad en strafrecht, p. 54. Art. 80 quinquies is bij amendement (Jurgens en Wolffensperger) ingevoegd in het Wetboek van Strafrecht. "Gegevens zijn -aldus de Nota n.a.v. het Eindverslag- slechts brokjes potentiële informatie, ongeacht of zij door de waarnemer worden begrepen. Overigens moeten onder gegevens ook worden verstaan tekens die een instructie bevatten voor een instrument of een machine" (NLR aant. 2 op art. 80 quinquies ) . Het begrip "gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer" in art. 317 Sr is beperkter dan het begrip gegevens in art. 80 quinquies Sr. Ook al zullen sommige lieden bereid zijn voor een aan iemand ontfutselde pincode te betalen, een gegeven met geldswaarde in het handelsverkeer in de zin van art. 317 Sr -dat is een gegeven dat in algemene zin verhandelbaar is-, kan de pincode in redelijkheid niet worden genoemd. Vgl. NLR, aant. 10 op art. 317. Vreemd is intussen wel dat voor een "gegeven" in de zin van art. 317 Sr geldt dat het vermogenswaarde moet hebben, terwijl dat ten aanzien van "goed" niet het geval is (G.J.M. Corstens, Gegevensbescherming en straf- en strafprocesrecht, in NJB 1988, p. 793) . Hoe dan ook, de pincode valt, als het over afpersing gaat, tussen wal en schip, tenzij de pincode als een goed in de zin van art. 317 oud en nieuw Sr kan worden aangemerkt. De vraag van mr. Hamer raakt dus oud en nieuw recht. 8. Ook vòòr de inwerkingtreding van de Wet computercriminaliteit werd vrijwel algemeen aanvaard dat de pincode, een verzameling gegevens, in strafrechtelijke zin niet als "enig goed" kan worden beschouwd. Ik verwijs onder meer naar NLR, aant. 4 op art. 310, H. W. K. Kaspersen en N. Keijzer, a.w. (p. 46: de term goed ziet op tastbare voorwerpen, "res quae tangi possunt"), het rapport van de Commissie Informatietechniek en strafrecht (Commissie Franken, 1987) , p. 37-39, 68, Corstens in zijn al genoemde bijdrage in NJB, p. 793-794, en de interventie van prof. H. Franken op de NJV-vergadering 1988 (Handelingen NJV 1988, deel 2, p. 10) . In navolging van de commissie Franken heeft de wetgever het begrip "gegevens" niet onder het begrip "goed" willen vatten. Zie kamerstuk 21 551, nr. 6, p. 8 : "Het wetsvoorstel neemt -anders dan bij de benadering van "gegevens" als goed- als uitgangspunt dat gegevens als zodanig niet kunnen worden gemonopoliseerd, daar zij niet kunnen worden geïndividualiseerd, zoals dat bij goederen kan. De commissie Franken drukt dit treffend uit door te spreken van het "multiple" karakter van gegevens: deze kunnen tezelfder tijd op veel plaatsen zijn en aan velen ter beschikking staan. " Ook: Handelingen TK 1993, p. 5969; aan het woord is de minister van justitie: De heer Jurgens heeft met betrekking tot de begrippen "goed" en ( ... ) gezegd dat die als alternatief hebben gefunctioneerd. Daaraan is in de jurisprudentie soms een extensieve uitleg gegeven. Kunnen die in de toekomst nog zo extensief worden uitgelegd? Anders gezegd: de heer Jurgens vroeg of er naast de strafbepalingen van dit wetsvoorstel nog een mogelijkheid is om andere strafbepalingen te hanteren op basis van een extensieve uitleg. Dat is wat betreft de wetgever -aan regeringszijde- niet de bedoeling." 9. Kortom: de opvatting dat (ook) naar het recht, zoals dat gold toen het hof in verzoekers zaak arrest wees, de pincode ("gegevens" in de zin van art. 80 guinguies Sr) voor de toepassing van art. 317 Sr- oud niet via een extensieve uitleg onder het in die bepaling voorkomende begrip "goed" kan worden gebracht heeft, als ik het goed zie, de sterkste papieren. 10. Maar zelfs als de uitleg, waarbij -in de lijn van Hof Arnhem NJ 1984, 80 en van het pre-advies van mevr. F. Vellinga-Schootstra (NJV 1988) - gegevens als de pincode wel onder het begrip "goed" zouden mogen worden gebracht rechtens aanvaardbaar zou, ( quod non , naar mijn mening), werpt het begrip "afgifte" van art. 317 Sr in relatie tot de pincode (bij betaalpassen) een blokkade voor toepassing van deze strafbepaling op. Ik citeer Kaspersen/Keijzer, a.w., p. 54; "De artikelen 317 Sr en 326 Sr spreken over de "afgifte" van enig goed. De vraag in dit verband is of onder "afgifte van enig goed" ook kan worden begrepen het bekend maken van een gegeven . In het bijzonder kan men zich denken dat iemand zijn slachtoffer, wiens magneetstripkaart hij in handen heeft gekregen, door bedreiging met fysiek geweld of aanwending van listige kunstgrepen ertoe brengt zijn persoonlijk identificatienummer (PIN-code) te verklappen, zonder welke die kaart voor de dader onbruikbaar is. Die term "afgifte", indien verstaan in relatie met een voorwerp, doet veronderstellen, dat het slachtoffer het daarna niet meer tot zijn beschikking heeft. Van gegevens verliest men echter niet de kennis doordat men ze aan een ander meedeelt en daarmee zijn zij niet uit de macht van de houder geraakt. De term "afgifte" achten wij derhalve op het meedelen van gegevens niet van toepassing. " 11. Uit het bovenstaande volgt naar mijn mening dat het hof door het bewezenverklaarde als afpersing te kwalificeren blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting omtrent het begrip "afgifte van enig goed" in art. 317 Sr. 12. Het wegnemen van geld met behulp van een afgeperste pincode blijft niet buiten het bereik van het strafrecht. Het levert diefstal met behulp van een valse sleutel (overigens ook: oplichting) op. Zie AG Leijten in zijn conclusie voor HR 8 december 1992, NJ 1993, Computerrecht 1993, p. 159: " (. .. ) ben ik van mening dat de pas plus PIN-code kunnen worden begrepen als sleutel en die sleutel is vals wanneer zij, hoewel echt, gebruikt wordt door iemand die er zich van meester heeft gemaakt zonder er rechthebbende op te zijn. ( ... ) Na het inbrengen van de pas en het intikken van de PIN-code en het gewenste bedrag geeft de automaat het geld af (en daarmee is ook rubricering als oplichting mogelijk) maar weggenomen is het daardoor nog niet. Het geld ( ... ) moet nog uit het apparaat worden genomen en dat gebeurt dan ook. Ik vestig de aandacht op HR 28 april 1992, DD 92.298. In die zaak had de pashouder onder bedreiging zijn pincode en een bedrag ingetoetst waarna de bedreiger het door de automaat afgegeven geld oppakte en ermee vandoorging. De opvatting dat dit diefstal met bedreiging met geweld was en dat het weggenomen geld aan de reguliere bankpashouder (en niet aan de bank) toebehoorde werd door de Hoge Raad gesanctioneerd. " Daarnaast kan, onder omstandigheden, het afpersen van de pincode onder art. 284 Sr (met de maximum gevangenisstraf van negen maanden) of art. 285 Sr (max. twee jaren) worden gebracht. Dat is, de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen in aanmerking genomen, naar mijn mening ook in verzoekers zaak zo (wat art. 285 Sr betreft: er is sprake van bedreiging met openlijk geweld met verenigde krachten tegen V., dan wel met enig misdrijf tegen diens leven gericht) . Voor een dergelijke benadering is te meer reden, nu er in redelijkheid niet aan valt te twijfelen dat ook naar verzoekers inzicht zijn gedraging laakbaar en strafbaar was. 13.