Rechtspraak 2026-01-28
ECLI:NL:ORBAACM:2026:3
Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAr) Uitspraakdatum: 28 januari 2026 Zaaknummer: CUR2025H00228 RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN VAN CURACAO Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], appellante (hierna: appellante), procederend in persoon, tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht), van 11 augustus 2025, zaaknummer CUR202404388 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Regering van Curaçao, geïntimeerde (hierna: de regering), gemachtigde: mr. M.B.M. Vasquez, advocaat. Procesverloop Bij brief van 27 september 2024 heeft appellante bezwaar ingediend tegen het landsbesluit van 12 september 2024, op grond waarvan zij met ingang van 1 oktober 2024 is ontslagen. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld. De regering heeft een contramemorie ingediend. De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 15 januari 2026. Appellante is verschenen. De regering heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Overwegingen Relevante feiten en omstandigheden 1.1. Appellante heeft sinds 6 december 1982 in overheidsdienst gewerkt. In haar laatste functie voor het ontslag was ze aangesteld als Juridisch Medewerker-B bij de afdeling Wetgeving en Juridische Zaken van het ministerie van Algemene Zaken. 1.2. Arbo Consult (Arbo) heeft appellante vanaf 10 augustus 2015 tot 10 augustus 2022 arbeidsongeschikt verklaard. Appellante verrichtte in die periode geen werkzaamheden. 1.3. In 2020 en 2021, tijdens de coronapandemie, hoefde appellante niet fysiek bij Arbo te verschijnen voor medische controles, maar kreeg zij via e-mail een arbeidsongeschiktheidsverklaring. Op 10 augustus 2022 heeft Arbo aan appellante meegedeeld dat ze op 17 augustus 2022 moest verschijnen voor een controle, om te onderzoeken of ze medisch gezien al dan niet blijvend ongeschikt was voor de uitoefening van haar functie. Appellante heeft niet meegewerkt aan dit onderzoek. De controlerend arts heeft appellante gevraagd een inlichtingenformulier in te vullen. Dit heeft appellante geweigerd. 1.4. De Secretaris-Generaal van het ministerie van Algemene Zaken heeft appellante uitgenodigd voor een gesprek op 14 december 2023 om haar arbeidssituatie te bespreken. Appellante heeft niet gereageerd op de uitnodiging en is niet verschenen. 1.5. Bij brief van 15 juli 2024, door appellante ontvangen op 22 juli 2024, heeft de regering appellante in kennis gesteld van het voornemen om haar te ontslaan. Bij brief van 1 augustus 2024 heeft appellante gereageerd op het voornemen. 1.6. De regering heeft in de reactie van appellante geen aanleiding gezien om terug te komen op het ontslagvoornemen en heeft haar met ingang van 1 oktober 2024 ontslagen. In het ontslagbesluit van 12 september 2024 heeft de regering toegelicht dat appellante niet is verschenen op haar werk, zonder dat zij een arbeidsongeschiktheidsverklaring van de Arbo kon overleggen. Volgens de regering is daarmee sprake van ongeoorloofd verzuim vanaf 11 augustus 2022 tot het moment van ontslag. Ook heeft de regering bij het ontslagbesluit betrokken dat appellante niet heeft gereageerd op de oproeping van de Secretaris-Generaal om haar situatie te bespreken. Wat heeft het Gerecht geoordeeld? 2.1. Het Gerecht heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Gerecht, samengevat en voor zover van belang, het volgende overwogen. Vast staat dat appellante vanaf augustus 2022 geen arbeidsongeschiktheidsverklaringen heeft overgelegd en ook niet afwezig was met toestemming van de regering. Daarmee was appellante ongeoorloofd afwezig vanaf augustus 2022. Ze was immers verplicht om haar werkzaamheden te hervatten zodra zij niet meer arbeidsongeschikt was verklaard. In dat kader is verder van belang dat appellante de regering niet heeft geïnformeerd over eventuele bijzondere omstandigheden die kunnen maken dat zij haar werkzaamheden toch niet kon hervatt