Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-05-21
ECLI:NL:ORBAACM:2025:15
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,835 tokens
Inleiding
Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (RAr)
Uitspraakdatum: 21 mei 2025
Zaaknummer: SXM2024H00005
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN SINT MAARTEN
uitspraak
op het hoger beroep van:
[Appellant],
wonend in Sint Maarten,
appellant (hierna: appellant),
gemachtigde: mr. M.F. Bonapart, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Sint Maarten (Gerecht) van 15 december 2023, SXM202300088 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
Appellant,
en
de Gouverneur van Sint Maarten
geïntimeerde (hierna: de gouverneur),
gemachtigde: mr. S.C.L. van Lint, advocaat.
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De gouverneur heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft de zaak ter zitting op 29 november 2024 en 22 januari 2025 behandeld. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gouverneur heeft zich op de tweede zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde die werd vergezeld door [X], werkzaam bij het Land Sint Maarten.
De behandeling van de zaak is ter zitting op 22 januari 2025 geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg tot een minnelijke regeling te komen.
Bij e-mailbericht van 17 maart 2025 heeft de gemachtigde van de gouverneur de Raad te kennen gegeven dat partijen geen minnelijke regeling hebben weten te bereiken. De ministerraad heeft de Raad verzocht om uitspraak te doen.
Bij brief van 31 maart 2025 heeft de gemachtigde van appellant bevestigd dat er geen minnelijke regeling is bereikt.
De Raad heeft partijen vervolgens bericht dat het onderzoek wordt gesloten en dat heden uitspraak wordt gedaan.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant was vanaf februari 2011 werkzaam als adviseur van de minister van Algemene Zaken (AZ) van Sint Maarten, tevens de minister-president (hierna: de MP). Vanaf oktober 2014 was hij feitelijk werkzaam als secretaris-generaal van het ministerie van Algemene Zaken (SG). Bij landsbesluit van 30 juni 2015 is appellant in die functie benoemd.
1.2.
Op 7 oktober 2022 heeft de gouverneur appellant te kennen gegeven voornemens te zijn hem ontslag te verlenen. Over dit voornemen heeft appellant bij brief van 13 oktober 2022 zijn zienswijze gegeven. Bij landsbesluit van 23 december 2022 heeft de gouverneur appellant met ingang van 1 januari 2023 eervol ontslag verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt (ontslagbesluit). Daarbij heeft de gouverneur, kort samengevat, overwogen dat reeds geruime tijd merkbaar was dat appellant niet in staat is zijn taak naar behoren uit te voeren en dat hij als gevolg hiervan niet meer het vertrouwen geniet van zijn leidinggevende, de MP. De toelichting hierop is vervat in een brief met bijlagen van de MP, gedateerd 21 december 2022. Daarin wordt in de eerste plaats verwezen naar het voornemen van een voormalige MP van 27 augustus 2019 om appellant disciplinair te berispen wegens het niet uitvoeren van instructies. Verder wordt, onder verwijzing naar onderliggende stukken, erop gewezen dat appellant niet voldoet aan de competenties voor een SG, in het bijzonder ten aanzien van communicatie, organisatie, begroting, kwaliteitsbewaking en bedrijfsvoering. Tot slot is appellant afspraken die de MP met hem had gemaakt bij een tussentijds evaluatiegesprek op 21 juli 2021 niet nagekomen, zo bleek bij de eindevaluatie in januari 2022.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit voor zover gericht tegen het Land Sint Maarten niet-ontvankelijk verklaard en voor zover gericht tegen de gouverneur ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Gerecht, samengevat, het volgende overwogen. De gedingstukken onderbouwen voldoende concreet het negatieve oordeel van de gouverneur over het functioneren van appellant. Appellant is al langere tijd regelmatig geconfronteerd met het standpunt dat er meer van hem wordt verwacht en dat hij zijn functioneren diende te verbeteren op meerdere punten. Uit het dossier blijkt voldoende van een patroon van disfunctioneren van Appellant. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om te oordelen dat sprake is van onevenredigheid van het ontslag.
3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het bezwaar gericht tegen de gouverneur ongegrond is verklaard. Daarbij heeft appellant, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Sinds oktober 2014, toen hij feitelijk met zijn werkzaamheden als SG startte, heeft appellant tot begin 2018 onder drie ministers van AZ gewerkt en geen enkele klacht over zijn functioneren ontvangen. De in 2018 aangetreden minister van AZ wilde hem echter weg hebben, omdat hij instructies niet zou opvolgen. Een in verband daarmee voorgenomen disciplinaire maatregel is echter niet doorgezet wegens het ontbreken van bewijs. In november 2019 trad de MP aan die aanvankelijk geen klachten had over het functioneren van appellant. In januari 2021 is Human Resources gestart met een evaluatiecyclus die ook in het geval van appellant is toegepast. Voor de in de tussentijdse evaluatie door de MP vastgestelde ongeschiktheid ontbreekt het bewijs. De in de eindbeoordeling van 17 januari 2022 gemaakte werkafspraken zijn nimmer geconcretiseerd in een nieuw planningsgesprek in 2022. Dat er sprake zou zijn van ongepaste communicatie en opstelling van appellant naar derden, waarnaar het Gerecht verwijst, wordt niet gestaafd door feiten. Wat betreft de door het Gerecht geschetste beeld van disfunctioneren door het niet tijdig aanleveren van stukken, de kwaliteitsbewaking, de bedrijfsvoering en het nakomen van instructies voert appellant aan dat de MP de door hem aangeleverde adviezen en informatie niet oppakte wat contraproductief werkte bij de voortgang van de werkzaamheden. De MP hield gesprekken of correspondeerde met ondergeschikten van appellant buiten hem om en de wekelijkse bilaterale gesprekken tussen hem en de MP werden niet benut voor het bespreken van de stand van zaken. Besluitvorming door de MP bleef veelal uit. De werkervaring van appellant met de MP was dat sprake was van micromanaging van de MP, het niet nemen van beslissingen dan wel het niet behandelen van zijn adviezen en informatie en het gebrek aan structuur van de wekelijkse vergaderingen. Anders dan het Gerecht heeft overwogen heeft appellant niet voldoende kansen gekregen om het gestelde disfunctioneren te verbeteren. De verwijzing van de gouverneur naar het voornemen in 2019 om appellant disciplinair te straffen wegens niet uitgevoerde acties is niet terecht, omdat het bewijs hiervoor ontbrak. In de tussentijdse evaluatie van juli 2021 ontbreken de verbeterpunten en voor zover die er waren zijn er geen vervolgafspraken gemaakt om die punten te evalueren, zoals de HR cyclus voorschrijft.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 februari 2023, ECLI:NL:ORBAACM:2023:4) moet het bestuursorgaan de ongeschiktheid voor het vervullen van een functie, zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van die functie vereist zijn, aannemelijk maken aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Verder is volgens vaste rechtspraak ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken in het algemeen niet toelaatbaar als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en niet in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit is volgens eveneens vaste rechtspraak anders in als uitzonderlijk aan te merken situaties waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn.
4.2.
De Raad oordeelt dat het omvangrijke dossier weliswaar voldoende inzichtelijk maakt wat de concrete gedragingen van appellant zijn die aan het ontslagbesluit ten grondslag zijn gelegd, maar dat deze gedragingen onvoldoende aannemelijk maken dat sprake is van het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit of instelling dat appellant ongeschikt maakt voor het vervullen van de functie van SG. Partijen hebben over en weer stellingen ingenomen die getuigen van een uiteenlopende interpretatie dan wel kwalificatie van feiten en omstandigheden zoals deze naar voren komen in het dossier. Het beeld dat oprijst uit het dossier is dat sprake is van onverenigbaarheid van karakters van de MP en appellant, waardoor de basis voor een vruchtbare samenwerking is komen te vervallen en de MP ervoor heeft gekozen om zaken buiten de SG om te organiseren. Van daadwerkelijk ongeschiktheid van appellant voor zijn functie is niet aan de hand van concrete gedragingen aannemelijk gemaakt. Ofschoon appellant op een aantal aspecten van zijn functie anders had kunnen of moeten opereren, is het de MP aan te rekenen dat zij, hoewel zij al in november 2019 als MP aantrad en sindsdien een werkrelatie onderhield met appellant in diens verantwoordelijkheid als SG, pas medio 2021 met hem het concrete gesprek over zijn functioneren is aangegaan. Dit geldt te meer nu de MP al bij haar aantreden in 2019 op de hoogte had kunnen zijn van het eerdere voornemen van een vorige MP appellant disciplinair te berispen. Van een realistisch vervolgtraject na de tussentijdse evaluatie in juli 2021 om te komen tot de door de MP gewenste verbeteringen in het functioneren van appellant, is geen sprake geweest. Appellant is daartoe onvoldoende gelegenheid geboden.
Conclusie
4.4.
De slotsom is dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover aangevochten. De Raad zal het bezwaar tegen het ontslagbesluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.
5. Aanleiding bestaat de gouverneur te veroordelen in de proceskosten van Appellant. Deze worden begroot op Cg 1.400,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de zitting) en Cg 2.100,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 2 punten voor de zittingen; Cg 700,- per punt), in totaal derhalve Cg 3.500,-, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dictum
De Raad van Beroep in ambtenarenzaken:
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het bezwaar tegen het landsbesluit van 23 december 2022 gegrond;
- vernietigt het landsbesluit van 23 december 2022;
- veroordeelt de gouverneur tot vergoeding van de proceskosten van Appellant tot een bedrag van Cg 3.500,-.
Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. P. Klik en mr. M.A. Evertsz, leden, en uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2025.
Artikel 101, eerste lid, aanhef en onder f, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma)