Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-09-23
ECLI:NL:ORBAACM:2024:25
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,431 tokens
Inleiding
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
Uitspraakdatum: 23 september 2024
Zaaknummer: AUA2023H00208
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN ARUBA
Uitspraak
op het hoger beroep van:
[Appellant],
wonend in Aruba,
appellant (hierna: [appellant]),
gemachtigde: mr. R.P. Lee, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 27 november 2023, AUA202203470 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
[appellant]
en
de Gouverneur van Aruba,
geïntimeerde (hierna: de gouverneur),
gemachtigde: mr. J.J.S. Poeran.
Procesverloop
[Appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De gouverneur heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 30 augustus 2024. [Appellant] is verschenen en heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De Raad verwijst voor de relevante feiten en omstandigheden in deze zaak naar de aangevallen uitspraak, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer: ECLI:NL:OGAACMB:2023:61. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.1. [
[Appellant] was vanaf 2005 als tuinbouwmedewerker werkzaam bij de Dienst
Landbouw, Veeteelt en Visserij (DLVV), beter bekend als Santa Rosa. De primaire taak van DLVV is het verrichten van onderzoek op het gebied van landbouw, veeteelt en visserij.
1.2.
Op 13 oktober 2021 heeft [A], waarnemend chef van de afdeling Landbouw en Tuinbouw van DLVV, geconstateerd dat er vier zakken kunstmest zijn verdwenen uit de opslagruimte in het magazijn. [Appellant] heeft daarover op dezelfde dag verklaard dat hij in opdracht van [B], hoofd administratie, de zakken kunstmest had verplaatst van het magazijn naar het hoofdkantoor om te worden verkocht aan een klant. Bij navraag ontkende [B] dat hij [appellant] deze opdracht had gegeven. Uit een bij DLVV ingesteld onderzoek kon de verkoop niet worden vastgesteld.
1.3.
Op 18 november 2021 zijn er vijftien zuurzakplanten van DLVV verdwenen. [Appellant] heeft daarover verklaard dat hij deze planten heeft verplaatst naar het hoofdkantoor om te worden verkocht. De verkoop van deze planten kon echter niet worden vastgesteld.
1.4.
Omdat de directeur van DLVV [appellant] ervan verdacht de kunstmest en de zuurzakplanten te hebben verduisterd, heeft zij op 26 november 2021 bij de Landsrecherche aangifte tegen [appellant] gedaan, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. De Landsrecherche heeft een onderzoek ingesteld en diverse medewerkers bij DLVV gehoord. [Appellant] is tegelijkertijd de toegang tot zijn werkplek ontzegd en is aansluitend tot 25 augustus 2022 geschorst.
1.5.
Met het landsbesluit van 25 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft de gouverneur [appellant] primair met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van
ontslag opgelegd, subsidiair ongeschiktheidsontslag met ingang van vijf dagen na dagtekening van het bestreden besluit. Aan het bestreden besluit heeft de gouverneur ten grondslag gelegd dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. [appellant] wordt verweten dat hij:
1. vier zakken kunstmest met een gezamenlijke waarde van Afl. 500,- op woensdag 13 oktober 2021 uit het magazijn van DLVV heeft gehaald en in zijn bezit heeft genomen dan wel verduisterd en daarover niet de waarheid heeft verklaard (gedraging 1);
2. de directeur van DLVV geld (Afl. 500,-) heeft geboden zodat zij geen aangifte zou doen van het voorval (gedraging 2);
3. op donderdag 18 november 2021 vijftien zuurzakplanten in zijn bezit heeft genomen dan wel verduisterd en hierover niet de waarheid heeft verklaard (gedraging 3);
4. naar huis was gegaan nadat hij was geconfronteerd met de vermissing van de zuurzakplanten (gedraging 4).
2.1.
Met de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van [appellant] tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het Gerecht heeft voor wat betreft gedraging 1 (zakken kunstmest) met name betekenis toegekend aan de bij het Gerecht op 17 april 2023 afgelegde verklaringen van de getuigen [C], tuinbouwmedewerker, en [B]. Deze verklaringen zijn opgetekend in een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal. [C] heeft verklaard dat hij op de dag van het incident aan het werk was in het magazijn en vier zakken kunstmest uit de opslagruimte aan [appellant] heeft overhandigd, nadat [appellant] hem een kwitantie had laten zien. Hij heeft vervolgens gezien dat [appellant] de zakken kunstmest in zijn auto heeft geladen. [B] heeft verklaard dat hij [appellant] nooit de opdracht heeft gegeven om zakken kunstmest uit het magazijn te halen of zuurzakplanten uit de tuinbouwsectie te halen. Ten aanzien van gedraging 2 (aanbieden Afl. 500,-) heeft het Gerecht overwogen dat op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellant] deze gedraging heeft begaan.
2.2.
Volgens het Gerecht heeft de gouverneur voldoende onderbouwd dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan de gedragingen 1, 2 en 3 en dat deze als plichtsverzuim zijn aan te merken. Gedraging 4 levert volgens het Gerecht geen plichtsverzuim op. Verder wordt geoordeeld dat de aan [appellant] verweten gedragingen hem toe te rekenen zijn. Het Gerecht acht het ontslag evenredig gelet op de aard en ernst van het plichtsverzuim en de eerder aan [appellant] opgelegde disciplinaire maatregelen.
3. [ Appellant] heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In de kern stelt [appellant] dat er onvoldoende bewijs is dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
Plichtsverzuim
4.1.
Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, is volgens vaste rechtspraak noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens, de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan en dat deze gedragingen als plichtsverzuim zijn aan te merken.
Verdwijning van de zakken kunstmest (gedraging 1)
4.2.1.
De Raad volgt niet het standpunt van [appellant] dat de verklaring die [C] bij het Gerecht heeft afgelegd niet gevolgd kan worden omdat deze tegenstrijdig is met de door hem op 18 juli 2022 bij de Landsrecherche afgelegde verklaring.
[C] heeft onder ede, gedetailleerd en uit eigen wetenschap bij het Gerecht verklaard dat [appellant] de zakken kunstmest uit de opslagruimte heeft gehaald en in zijn auto heeft geladen. In essentie verschilt deze verklaring niet van de door hem bij de Landsrecherche afgelegde verklaring. [Appellant] wijst erop dat onduidelijkheid is blijven bestaan over welke medewerker van DLVV over een sleutel van het magazijn beschikt, met welke reden [C] naar buiten was gelopen toen hij [appellant] de zakken kunstmest in zijn auto zag inladen en of deze auto wit of grijs was. Deze aspecten zijn echter niet van dien aard dat geen betekenis aan de door [C] afgelegde verklaringen kan worden gehecht.
4.2.2.
Verder voert [appellant] aan dat [B] een leugenachtige verklaring bij het Gerecht heeft afgelegd, omdat hij [appellant] wel de opdracht heeft gegeven om de zakken kunstmest uit de opslagruimte te halen. Dit betoog slaagt niet omdat elke onderbouwing voor deze stelling ontbreekt.
4.2.3.
Vaststaat dat op de dag van de verdwijning van de zakken kunstmest de camera’s op het terrein van DLVV niet werkten. [Appellant] stelt dat hij dat niet wist en niet kon weten. Collega’s die hiervan wel kennis droegen zijn als verdachten aan te merken en niet [appellant]. De Raad kan dit betoog niet volgen, omdat dit slechts is gebaseerd op veronderstellingen en niet op concrete feiten.
4.2.4.
De Raad volgt evenmin de stelling van [appellant] dat de kwitantie waarover [C] heeft verklaard betekent dat zijn verklaring op het punt van de verkoop van de zakken kunstmest klopt. Uit de verklaring van [C] is niet op te maken wat er op de kwitantie was vermeld. Bovendien is uit een uitgebreid onderzoek bij DLVV niet gebleken van verkoop van de zakken kunstmest.
4.2.5. [
Appellant] heeft nog naar voren gebracht dat hij op de door de directeur op 5 november 2021 bijeengeroepen vergadering over de verdwenen kunstmestzakken door de aanwezige collega’s beschuldigd werd van diefstal. [Appellant] had op dat moment juridische bijstand moeten krijgen. Dit is niet gebeurd waardoor hem fundamentele rechten zijn ontnomen.
Conclusie
5. De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De gouverneur hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. A.H.M. van de Leur en mr. M.A. Evertsz, leden, en uitgesproken in het openbaar op 23 september 2024 in aanwezigheid van de griffier.