Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-11-15
ECLI:NL:ORBAACM:2023:68
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
1,381 tokens
Inleiding
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
Uitspraakdatum: 15 november 2023
Zaaknummer: AUA2022H00252
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN ARUBA
Uitspraak
op het hoger beroep van:
[Appellante],
wonend in Aruba,
appellante (hierna: appellante),
gemachtigde: mr. E. Duijneveld,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 17 oktober 2022, AUA20220348 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
Appellante
en
de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie,
geïntimeerde (hierna: de minister),
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante is werkzaam bij Bureau Guarda Nos Costa (GNC) in de functie van medewerker vreemdelingentoezicht. Op 9 november 2021 heeft appellante zich ziek gemeld met psychische klachten. Met ingang van 6 december 2021 is appellante arbeidsgeschikt verklaard, maar zij is niet verschenen op haar werk.
1.2.
Bij brief van 7 januari 2022 (bestreden beschikking) heeft de minister aan appellante bericht dat haar salaris in december 2021 is ingehouden, omdat zij die maand ongeoorloofd afwezig is geweest. Zij heeft zich niet gemeld bij de dienst noch bij de Sociale Verzekeringsbank en zij heeft zich niet gehouden aan het voor haar geldende dienstrooster. Appellante heeft tegen de bestreden beschikking bezwaar gemaakt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar gegrond verklaard voor zover gericht tegen de inhouding van het salaris over de periode vóór 6 december 2021, bepaald dat de minister het salaris over deze periode uitbetaalt en de minister veroordeeld in de proceskosten van Appellante. Daartoe heeft het Gerecht, samengevat, het volgende overwogen. Appellante is na haar arbeidsgeschiktheidsverklaring op 6 december 2021 niet op het werk verschenen. Uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken van een rechtvaardiging daarvoor. De gevolgen van appellantes beslissing om zonder enige mededeling weg te blijven van het werk dienen dan ook voor haar rekening te komen.
3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak voor wat betreft de inhouding van het salaris vanaf 6 december 2021. Appellante voert aan dat haar afwezigheid in die periode aan haar werkgever is te wijten. Het Gerecht is ten onrechte voorbij gegaan aan wat Appellante hierover ter zitting naar voren heeft gebracht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) ontvangt de ambtenaar over de tijd, gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten, geen bezoldiging.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante per 6 december 2021 arbeidsgeschikt is verklaard. Het geschil tussen partijen is beperkt tot het antwoord op de vraag of appellante vanaf 6 december 2021 ongeoorloofd afwezig is geweest van het werk.
4.3.
In het ambtenarenrecht geldt als uitgangspunt dat op de ambtenaar de verplichtingen rusten die voortvloeien uit de Lma. Als de arbeidsongeschikte ambtenaar weer arbeidsgeschikt wordt verklaard, moet hij zijn dienst hervatten. Als hij dat niet doet, ligt het op zijn weg aannemelijk te maken dat geen sprake is van ongeoorloofd verzuim.
4.4.
Appellante heeft aangevoerd dat geen sprake was van ongeoorloofd verzuim. Zij heeft diverse keren gebeld met GNC. Appellante verwijst hiervoor naar het overzicht van haar WhatsApp-gesprekken met GNC. Daarbij kreeg zij steeds te horen dat zij niet was ingeroosterd. Omdat zij niet te horen kreeg wat haar rooster was en op welke locatie zij dienst had, is zij niet naar het werk gekomen.
4.5.
Uit het overgelegde overzicht van de WhatsApp-gesprekken blijkt weliswaar van de telefoongesprekken van appellante met GNC, maar die dateren van 17 december 2021 toen het appellante duidelijk was geworden dat haar salaris over december niet was uitbetaald. Gelet op de op appellante rustende verplichting om het werk per 6 december 2021 te hervatten, had van haar mogen worden verwacht dat zij toen al concreet actie had ondernomen, bijvoorbeeld door zich, los van inroostering, fysiek te melden op het werk of een concreet verzoek in te dienen bij haar leidinggevende om te worden ingeroosterd. Van enige concrete pogingen tot werkhervatting is niet gebleken. Dit komt voor rekening van appellante. Het betoog van appellante dat zij een arbeidsconflict had met haar leidinggevende, wat daarvan ook zij, maakt het voorgaande niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
4.6.
Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. A.H.M. van de Leur, en mr. A.P. van der Pluijm-Vrede, leden, uitgesproken in het openbaar op 15 november 2023 in aanwezigheid van de griffier.