Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2022-05-04
ECLI:NL:ORBAACM:2022:35
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,546 tokens
Inleiding
Uitspraakdatum: 4 mei 2022
Zaaknummer: AUA2020H00169
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
wonend in Aruba,
appellant,
gemachtigde mr. R.P. Lee,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 19 oktober 2020, zaaknummer GAZA AUA201904248 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
appellant
en
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. C.L. Geerman, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken.
Procesverloop
Appellant heeft op 20 september 2016 het verzoek gedaan hem te bevorderen.
Tegen de weigering op dat verzoek te beslissen heeft appellant bezwaar gemaakt.
Bij uitspraak van 1 juli 2019 heeft het Gerecht dat bezwaar gegrond verklaard en geïntimeerde opgedragen binnen een termijn van twee maanden na dagtekening van de uitspraak op het bevorderingsverzoek van appellant te beslissen, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Geïntimeerde is veroordeeld tot betaling van de door appellant gemaakte kosten van rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 600,00.
Op 5 december 2019 heeft appellant vanwege het niet gevolg geven aan die uitspraak, op de voet van artikel 96 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La), een bezwaarschrift ingediend bij het Gerecht.
Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht dit door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is sedert 2008 in ambtelijke dienst, met ingang van 2013 bij de Directie Sociale Zaken, bezoldigd naar schaal 2. Hij heeft op 20 september 2016 het verzoek gedaan om bevordering met ingang van 1 januari 2014 naar schaal 6.
1.2.
Een bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het bevorderingsverzoek resulteerde in een uitspraak van het Gerecht van 1 juli 2019. Daarbij werd het bezwaar gegrond verklaard en werd geïntimeerde opgedragen om binnen een termijn van twee maanden na dagtekening van de uitspraak schriftelijk op het verzoek te beslissen, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Geïntimeerde werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten, begroot op Afl. 600,00.
1.3.
Toen geen gevolg was gegeven aan deze opdracht van het Gerecht heeft appellant op 5 december 2019 het in artikel 96 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) bedoelde bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij verzocht geïntimeerde te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij heeft en zal oplopen als gevolg van het uitblijven van de opgedragen beslissing en heeft hij subsidiair verzocht om geïntimeerde te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade.
2. Het Gerecht heeft bij de aangevallen uitspraak het bezwaar op grond van artikel 96 van de La ongegrond verklaard. Het heeft overwogen dat er voor toekenning van schadevergoeding overeenkomstig het derde lid van dat artikel slechts plaats is indien op grond van de niet uitgevoerde uitspraak met de nodige zekerheid kan worden vastgesteld wat de inhoud diende te zijn van de beslissing die geïntimeerde heeft nagelaten te nemen. Eerst dan kan immers worden vastgesteld of het niet nakomen van de uitspraak van het Gerecht tot schade aan de zijde van appellant heeft geleid en hoe groot die schade is.
2.1.
Het Gerecht heeft overwogen dat in dit geval het verzoek van appellant om vergoeding van schade niet kan worden toegewezen, nu nog niet vaststaat dat hij schade heeft geleden. Het Gerecht overweegt daartoe dat de uitspraak van 1 juli 2019 niet met zich brengt dat geïntimeerde gehouden is het verzoek van appellant in te willigen. In die uitspraak heeft het Gerecht overwogen dat geïntimeerde verplicht is een inhoudelijke beslissing te nemen op het bevorderingsverzoek van appellant. Over de inhoud heeft het Gerecht overwogen dat onduidelijk is gebleven waarom appellant (nog) niet naar de rang van klerk is bevorderd. Daarmee is echter nog niet vast komen te staan dat appellant voor de verzochte bevordering in aanmerking komt en met ingang van welke datum.
3. Appellant kan zich niet vinden in de aangevallen uitspraak.
3.1.
Appellant heeft gewezen op het wettelijk kader waarvan niet alleen artikel 96 van de La van belang is, maar ook artikel VI.6 van de Staatsregeling van Aruba en artikel 40 het Statuut van het Koninkrijk. Verder beroept appellant zich op artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Deze laatste voorschriften strekken ertoe, aldus appellant, dat rechterlijke beslissingen daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd en dat die uitvoering afgedwongen kan worden.
3.2.
Nu het voorschrift van artikel 96 van de La kennelijk tekortschiet, vraagt appellant de Raad artikel 96 van de La onverbindend te verklaren en zelf nieuwe normen vast te stellen.
3.3.
Appellant heeft gesteld dat hij niet alleen materiële schade lijdt als gevolg van de afwijzing van de verzochte bevordering, maar dat hij ook immateriële schade heeft ondervonden als gevolg van het feit dat hij in tegenspraak een zaak heeft gewonnen en de regering van Aruba geen uitvoering wenst(te) te geven aan de door het Gerecht gegeven opdracht; hij is daardoor in een onzekere toestand gebracht die hij niet behoeft te dulden.
4. Geïntimeerde heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant geen belang meer heeft bij dit hoger beroep en daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Met de inmiddels op 7 december 2020 genomen beslissing (Beslissing) heeft geïntimeerde immers uitvoering gegeven aan de uitspraak van 1 juli 2019. In deze voor bezwaar vatbare Beslissing is het bevorderingsverzoek afgewezen.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1.
Hij verwerpt het standpunt van geïntimeerde dat appellant als gevolg van de inmiddels genomen Beslissing geen belang meer heeft bij zijn hoger beroep. De procedure van artikel 96 van de La is een op zichzelf staand bijzonder geding (zie het opschrift van Titel III, Tweede Hoofdstuk van de La). Dat heeft enkel betrekking op het niet of niet volledig gevolg geven aan een veroordeling.
5.2.
De Raad begrijpt de onvrede die bij appellant aanwezig is geweest over de weigerachtige houding van geïntimeerde.
5.3.
Artikel 96 van de La voorziet in een - op zichzelf staande en eenvoudig aanhangig te maken - procedure bij de rechter waarin de afkeurenswaardige houding van het niet of niet volledig gevolg geven aan een veroordeling, aan de kaak kan worden gesteld. In een daarvoor in aanmerking komend geval, wanneer kan worden vastgesteld dat schade wordt ondervonden van de weigering om aan een rechterlijke opdracht uitvoering te geven, kan de rechter het weigerachtige administratieve orgaan veroordelen tot vergoeding van die schade. Artikel 96 van de La behelst daarmee een bij landsverordening vastgestelde regel als bedoeld in de door appellante onder de aandacht gebrachte Staatsregeling en Statuut. Het kan ook een daadwerkelijk rechtsmiddel zijn tegen een schending van een in het EVRM vermeld recht en vormt als zodanig een ‘effective remedy’ als bedoeld in artikel 13 van het EVRM.
5.4.
De Raad ziet daarom geen grond om in het algemeen te bepalen dat artikel 96 van de La onverbindend moet worden geacht. Hij wijst erop dat artikel VI.4 van de Staatsregeling bepaalt dat de rechter, behoudens het bepaalde in artikel I.22, niet treedt in de beoordeling van de verenigbaarheid van landsverordeningen met de Staatsregeling.
5.5.
Het ligt op de weg van de regelgever om nieuwe normen vast te stellen, waarbij in het bijzonder gedacht kan worden aan de mogelijkheid om aan het administratief orgaan een dwangsom op te leggen.
5.6.
Met het buiten toepassing laten van artikel 96 van de La zou appellant overigens ook niet zonder meer geholpen zijn geweest. De plicht om uitvoering te geven aan de opdracht behelsde in dit geval niet meer en niet minder dan het schriftelijk beslissen op het bevorderingsverzoek.
5.7.
Het Gerecht heeft in de aangevallen uitspraak met betrekking tot de door appellant gestelde materiële schade de juiste maatstaf gehanteerd en het is tot een juist oordeel gekomen. De Raad volstaat met verwijzing naar het gestelde onder 2 en 2.1.
5.8.
Onder schade als gevolg van het niet gevolg geven aan een uitspraak kan ook worden begrepen immateriële schade. De Raad verwijst in dit verband naar hetgeen hij heeft overwogen in zijn uitspraak van 5 januari 2022, ECLI:NL:ORBAACM:2022:15. Om in aanmerking te kunnen komen voor een vergoeding van immateriële schade is vereist dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op enige andere wijze in zijn persoon is aangetast. Het moet gaan om ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene.
Dictum
De Raad :
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het bezwaar gegrond;
veroordeelt de Gouverneur van Aruba tot vergoeding van schade aan appellant tot een bedrag van Afl. 1.000,00 (eenduizend Arubaanse guldens);
veroordeelt de Gouverneur van Aruba tot betaling aan appellant van zijn proceskosten tot een bedrag van Afl. 1.400,00 (eenduizend vierhonderd Arubaanse guldens).
Deze uitspraak is gewezen door mr. H.A.A.G. Vermeulen, voorzitter, en mr. J. Sybesma en drs. P.J. Thijssen, leden, en is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2022.