Rechtspraak 2026-07-28
ECLI:NL:OGHACMB:2026:211
Aruba. Tussenvonnis. Dit geding heeft betrekking op de tariefstelling (het lagere tarief A of het hogere tarief DB) voor de levering van elektriciteit aan een tweetal wooncomplexen. Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba heeft de vordering om tarief A toepasselijk te doen zijn afgewezen. Het Hof heeft behoefte aan nadere informatie voordat het een eindoordeel kan geven. Burgerlijke zaken over 2026 Zaaknummers: AUA202300036 – AUA2024H00392 Uitspraak: 28 juli 2026 (in Curaçao) GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: 1. [Naam vereniging 1], 2. [Naam vereniging 2], beide gevestigd in [land], in eerste aanleg eiseressen, thans appellanten, gemachtigde: mr. J.P. Sjiem Fat, tegen de naamloze vennootschap , N.V. ELEKTRICITEIT-MAATSCHAPPIJ ARUBA, gevestigd in [land], in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. M. Bemer. Partijen worden hierna [naam vereniging 1], [naam vereniging 2] en Elmar genoemd. Appellanten gezamenlijk worden aangeduid als [appellanten]. 1 De zaak in het kort Dit geding heeft betrekking op de tariefstelling (het lagere tarief A of het hogere tarief DB) voor de levering van elektriciteit aan een tweetal wooncomplexen. Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: het Gerecht) heeft de vordering om tarief A toepasselijk te doen zijn (en de daarbij behorende nevenvorderingen) afgewezen. Het Hof heeft behoefte aan nadere informatie voordat het een eindoordeel kan geven. 2 Het verloop van de procedure 2.1 Bij op 22 oktober 2024 ingekomen akte is [appellanten] in hoger beroep gekomen van het op 11 september 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht (ECLI:NL:OGEAA:2024:213) 2.2 Bij op 20 november 2024 ingekomen memorie van grieven heeft [appellanten] tien grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis van het Gerecht zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, haar vorderingen alsnog zal toewijzen met veroordeling van Elmar in de kosten van beide instanties. 2.3 Bij op 23 januari 2025 ingekomen memorie van antwoord heeft Elmar de grieven bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente. 2.4 Op 9 december 2025 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. 2.5 Vonnis is nader bepaald op vandaag. 3 De beoordeling De feiten 3.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten. 3.1.1 [ appellanten] is een vereniging van eigenaars (hierna: VvE). Zij vertegenwoordigt 127 eigenaars van appartementsrechten in de appartementencomplexen [naam vereniging 1] en [naam vereniging 2]. Beide complexen bestaan uit in totaal zes gebouwen met (woon)appartementen, gelegen te [adres] aan de [wijk], gebouwd in twee fasen tussen 2004 en 2010. 3.1.2 Op 8 maart 2007 is tussen [naam vereniging 1] en Elmar een stroomleveringsovereenkomst gesloten. Daarin is toepasselijkheid van het DB-tarief (ook wel: commercieel tarief) overeengekomen. Op 28 december 2011 is tussen [naam vereniging 1] en Elmar een nieuwe overeenkomst voor levering van stroom gesloten. Deze was gelijkluidend aan de vorige. Het DB-tarief bleef toepasselijk. 3.1.3 Elmar levert elektriciteit aan [naam vereniging 1] vanuit een transformatorhuis met daarin de enige elektriciteitsmeter van Elmar van waaruit een hoofdspanningskabel loopt naar een centraal transformatorgebouw op het terrein van [naam vereniging 1]. Vanuit deze centrale unit zijn de individuele appartementen (van [naam vereniging 1] en [naam vereniging 2]) aangesloten op het elektriciteitsnet en kan het stroomverbruik van ieder appartement door de VvE worden gemeten. De VvE wordt voor het totale stroomverbruik van alle eigenaars door Elmar aangeslagen, waarna de VvE dit op basis van de individuele meters over de appartementsrechten van [appellanten] omslaat. 3.1.4 Op 7 december 2012 zijn namens Elmar nieuwe, in samenspraak met de verantwoordelijke ministers, vastgestelde algemene voorwaarden, algemene bepalingen en tarievenregeling bij het Gerecht gedeponeerd, waaronder bijlage 4: Tarievenregeling voor de levering van elektriciteit (verder: de Tarievenregeling). 3.1.5 In de Tarievenregeling hanteert Elmar acht tariefgroepen, waaronder: A-tarief. Uitsluitend voor verbruik van elektrische energie (kWh) voor huishoudelijke doeleinden, waaronder maar niet beperkt tot verlichting, ventilatoren, kooktoestellen, koel- en vrieskasten, stofzuigers, wasmachines drogers, radio- en televisietoestellen, computers, airconditioning apparaten en dergelijke. (..) B-tarief. Uitsluitend voor zakelijke doeleinden met een ter beschikking gesteld vermogen tot 500 kVA, waaronder maar niet beperkt tot kleine industrieën, kantoor- en bedrijfspanden, winkels, hotels, kapsalons, cafés, restaurants, scholen, kerken en overige instellingen die niet in aanmerking komen voor andere tarieven. (…) DB-tarief. Uitsluitend voor installaties met een ter beschikking gesteld vermogen van 500 kVA of meer, waaronder maar niet beperkt tot hotels, condominium gebouwen, industrieën, kantoor en bedrijfspanden, scholen, kerken en overige instellingen. (…) 3.1.6 In artikel 5 van de tussen partijen geldende stroomleveringsovereenkomst is opgenomen dat het elektriciteitsbedrijf bepaalt op welke wijze de verbruiker aan het elektriciteitsnet aangesloten wordt. 3.1.7 In de Algemene voorwaarden voor de levering van elektrische energie door N.V. Elektriciteit-Maatschappij "Aruba" (Elmar) is in Artikel 4 Aansluiting onder meer bepaald: “ 7. De aansluiting wordt (…) tot stand gebracht indien: (…) b. de aan te sluiten Installatie gelegen is aan een weg waarlangs reeds een verdeelnet van, ter uitsluitende beoordeling van de Leverancier, voldoende capaciteit waardoor de elektriciteit onder aan de Afnemer te leveren spanning wordt overgebracht, aanwezig is." 3.1.8 De “Overeenkomst inzake levering en afname van elektriciteit” tussen Elmar en [naam vereniging 1] van 15 juni 2011 bepaalt onder meer: “Artikel 5 Wijze van aansluiting 1.Het electriciteitsbedrijf bepaalt op welke wijze de verbruiker aan het electriciteitsnet wordt aangesloten. De vorderingen 3.2 In dit geding heeft [appellanten] gevorderd – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair: 1. te verklaren voor recht dat Elmar onrechtmatig heeft gehandeld door voor de levering van elektriciteit aan [appellanten] het commerciële DB-tarief toe te passen; 2. Elmar te bevelen om aan [appellanten] een schadevergoeding te betalen bestaande uit een bedrag gelijk aan het verschil tussen de bedragen die [appellanten] vanaf 1 januari 2012, althans vanaf 15 april 2016, volgens het commerciële DB-tarief heeft betaald aan Elmar en de bedragen die gedurende die periode volgens het residentieel A-tarief zouden hebben gegolden, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 april 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening; 3. Elmar te bevelen om na betekening van dit vonnis de eerstvolgende rekening voor de levering van elektriciteit aan [appellanten] vast te stellen volgens het residentieel A-tarief; subsidiair: 4. een zodanige beslissing te nemen als het Gerecht in goede justitie als redelijk en billijk zal oordelen; primair en subsidiair: 5. met veroordeling van Elmar in de kosten van de procedure. De beslissingen van het Gerecht 3.3.1 Bij het vonnis waarvan beroep heeft het Gerecht de vorderingen afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de kosten van de procedure. 3.3.2 Aan deze beslissingen heeft het Gerecht, samengevat weergegeven en voor zover nog van belang, de volgende overwegingen ten grondslag gelegd. (4.7) Destijds (2004/2005) is bewust gekozen voor aansluiting op het elektrisch net van Elmar volgens het DB-tarief. Elmar heeft daarbij uitgelegd dat er een verschil is tussen het commercieel tarief (DB) en het residentieel tarief (A) en welke verschillende eisen daarbij horen. Haar plicht voldoende informatie te verstrekken heeft Elmar dus niet geschonden. Van onrechtmatig handelen, een tekortkoming of misbruik van een machtspositie door het DB-tarief te hanteren is geen sprake. (4.8) Bij het aangaan van de nieuwe stroomleveringsovereenkomst in 2011 heeft [appellanten] ervoor gekozen om deze wijze van stroomlevering en tariefindeling voort te zetten. Zij heeft er jarenlang niet over geklaagd. Van onrechtmatig handelen is geen sprake. Dat het DB-tarief aanzienlijk is verhoogd doet daaraan niet af. Het is de Minister die besluit over tariefverhogingen. (4.9) Verzoeken van [appellanten] in 2020 om alsnog in aanmerking te komen voor het A-tarief mocht Elmar afwijzen. Elmar mocht namelijk de eis stellen dat slechts het A-tarief kon worden gehanteerd indien alle appartementen individueel en rechtstreeks op het transformatorhuis van Elmar zouden worden aangesloten. Dat volgt uit artikel 4 lid 7 sub b van de aansluitvoorwaarden en artikel 5 van de stroomleveringsovereenkomst. (4.10) Dat Elmar de eis stelt van individuele aansluiting van alle appartementen rechtstreeks op het transformatorhuis van Elmar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook niet onaanvaardbaar gelet op de genoemde aansluitvoorwaarden en stroomleveringsovereenkomst. Het plaatsen van smartmeters in de appartementen is onmogelijk omdat Elmar deze dan niet kan controleren. (4.11) Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake. Bij andere condominiumgebouwen is voldaan aan de aansluitvoorwaarden. De grieven en de beoordeling daarvan 3.4.1 Met de tien door haar geformuleerde grieven legt [appellanten] het geschil over de afwijzing van haar vorderingen in volle omvang ter beoordeling aan het Hof voor. De grieven lenen zich daarom voor gezamenlijke behandeling. Rechtsverwerking 3.4.2 Elmar heeft in hoger beroep het verweer gevoerd dat [appellanten] haar recht verwerkt heeft tegen het door Elmar gehanteerde tarief op te komen en schadevergoeding te vorderen nu zij dertien jaar, althans in ieder geval negen jaar, op cruciale momenten heeft stilgezeten. 3.4.3 Rechtsverwerking doet zich voor als een rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Volgens vaste rechtspraak (onder meer HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574) is enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Volgens die rechtspraak moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. 3.4.4 Het enkele tijdsverloop (en meer is door Elmar met de term ‘stilzitten’ niet gesteld) is, in het licht van deze vaste rechtspraak, onvoldoende. Gesteld noch gebleken is bovendien dat [appellanten] het vertrouwen heeft gewekt bij Elmar dat het haar aanspraak niet meer geldend zou maken of dat de positie van Elmar onredelijk wordt verzwaard doordat [appellanten] dat alsnog heeft gedaan. Het verweer wordt verworpen. Beoordelingskader 3.4.5 In de stroomleveringsovereenkomst tussen [naam vereniging 1] en Elmar is toepasselijkheid van het DB-tarief overeengekomen. Een wilsgebrek bij de totstandkoming van die overeenkomst is door [appellanten] niet ingeroepen. In beginsel is [appellanten] dan ook dat DB-tarief verschuldigd. Van onrechtmatig handelen, een tekortkoming of misbruik van een machtspositie door het DB-tarief te (blijven) hanteren is geen sprake: wat het Gerecht daarover heeft overwogen in de overwegingen 4.7 en 4.8 is juist. 3.4.6 Dat neemt niet weg dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regeling (hier: de eis van een aparte aansluiting per appartement en het doorgaan met betalen op basis van het DB-tarief) niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:248 lid 2 BW). [Appellanten] heeft hierop ook een beroep gedaan. Wat [appellanten] als bezwaren tegen het gewezen vonnis heeft aangevoerd wordt daarom verder op basis van dit uitgangspunt beoordeeld. De individuele aansluiting 3.4.7 [ appellanten] heeft in 2020 verzocht om in aanmerking te komen voor het residentieel tarief. Op 15 juli 2020 heeft Elmar aan honorering van dat verzoek de voorwaarde gesteld dat alle appartementen individueel en rechtstreeks op het transformatorhuis van Elmar moeten worden aangesloten. Zij baseert die voorwaarde op de haar verleende concessie. Die stelt haar, aldus Elmar, in staat, in overeenstemming met de minister belast met energiezaken, vast te stellen de voorwaarden waaronder stroomverbruikers aansluiting verkrijgen aan het net. De voorwaarden zijn, aldus nog steeds Elmar, gericht op een ordentelijke, veilige, continue en controleerbare leverantie van stroom, het bewaken van de integriteit van het net en het betaald zien van de geleverde stroom (memorie van antwoord sub 93). 3.4.8 De bestaande aansluiting voldoet aan al deze eisen: er wordt ordentelijk, veilig, continu en controleerbaar stroom geleverd aan [appellanten]. De integriteit van het net wordt door Elmar bewaakt en kan worden bewaakt omdat zij een transformatorhuis heeft aan de openbare weg. Via de elektriciteitsmeter in het transformatorhuis van Elmar wordt de stroomafname door [appellanten] geregistreerd. Op basis daarvan wordt gefactureerd aan en betaald door [appellanten]. 3.4.9 Vanuit de besproken gezichtspunten (ordentelijkheid, veiligheid, continuïteit en controleerbaarheid van de stroomlevering aan [appellanten]) bezien is de eis van individuele aansluiting van de appartementen naar het oordeel van het Hof dan ook niet nodig. De door Elmar gewenste individuele aansluiting zou – dat is tussen partijen niet in geschil – aanzienlijke investeringen van [appellanten] vergen. Dat maakt de eis van Elmar, puur bezien vanuit de beschreven gezichtspunten, niet alleen onnodig, maar ook nodeloos zwaar belastend voor [appellanten]. Het in deze omstandigheden naar maatstavan van redelijkheid en billijkheid jegens [appellanten] onaanvaardbaar dat Elmar deze eis niettemin stelt. De toepasselijkheid van het residentieel tarief 3.4.10 [ appellanten] stelt dat zij in aanmerking komt voor het in de Tarievenregeling genoemde A-tarief omdat in haar appartementencomplex(en) slechts sprake is van huishoudelijk gebruik van elektriciteit. 3.4.11 De tarievenregeling maakt, voor zover in dit geding van belang, onderscheid tussen een tarief dat duidelijk bestemd is voor aansluitingen behorende bij een tot woonruimte dienend perceel, d.w.z. met huishoudelijke doeleinden (A-tarief), en een tarief dat bestemd is voor percelen die niet bestemd zijn voor woonruimte (DB- en B-tarief). Voor die laatste twee tarieven is onderscheidend de omvang van het vermogen: 500 kVA of meer (tarief DB) of minder dan 500 kVA (tarief B). 3.4.12 [ appellanten] zelf gebruikt het perceel niet voor woondoeleinden. Zij levert slechts stroom door aan de gebruikers (bewoners) van de appartementen. Dat neemt niet weg dat het aangesloten perceel geheel bestemd is voor woondoeleinden. Niet in geschil is immers dat de 127 appartementen van [appellanten] bestemd zijn voor bewoning. Dat maakt de toepasselijkheid van tarief A voor de hand liggend. Dat sluit ook aan bij het standpunt van Elmar dat de appartementen van [appellanten] voor toepassing van dat tarief in aanmerking komen (mits aansluiting geschiedt volgens de voorwaarden van Elmar en behoudens verhuur daarvan). Het tarief bij verhuur van appartementen 3.4.13 Tarief A ziet op verbruik van elektriciteit voor huishoudelijke doeleinden. Dat betekent dat er geen reden is voor toepassing van dat tarief indien het verbruik een ander doel dient. 3.4.14 Elmar heeft aangevoerd dat een deel van de appartementen van [appellanten] wordt verhuurd en het stroomverbruik in zoverre geen huishoudelijk doel dient, maar het commerciële doel van verhuur van het appartement. [Appellanten] heeft erkend dat een deel van de appartementen wordt verhuurd, maar gesteld dat het stroomgebruik, ook bij verhuur, nog steeds slechts huishoudelijke doeleinden dient. 3.4.15 Daarin wordt [appellanten] niet gevolgd. Het onmiskenbare doel van tarief A is om bewoners van aangesloten percelen een door de betrokken minister passend geoordeeld tarief te bieden. Bij verhuur wordt dit doel niet langer gediend. In dat geval is de stroomlevering onderdeel geworden van de commerciële activiteit van de bewoner/verhuurder. Dat de huurder de stroom slechts nodig heeft voor huishoudelijke doeleinden doet daaraan niet af. Gesteld noch gebleken is dat de betrokken minister bedoeld heeft ook de verhuursituatie van een voor bewoning bestemd perceel onder het bereik van tarief A te brengen. 3.4.16 [ appellanten] heeft gesteld dat het verhuurargument geen gewicht in de schaal mag werpen omdat Elmar in vergelijkbare situaties van verhuur van een woning, appartement of vakantievilla het A-tarief toekent. Elmar heeft daartegenin gebracht dat zij bij elke woning waarvan zij weet dat deze voor korte termijnverhuur wordt gebruikt het B-tarief in rekening brengt. 3.4.17 [ appellanten] heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar een rapport van ATA (Aruba Tourism Authority). Dat rapport spreekt wel over het veelvuldig voorkomen in Aruba van korte termijnverhuur van allerlei categorieën van verblijfsmogelijkheden, maar zegt niets over wetenschap bij Elmar van die korte termijnverhuur en een die wetenschap negerende tariefstelling door Elmar. Slechts indien daarvan sprake zou zijn, zou Elmar met succes kunnen worden tegengeworpen te handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De stelling van [appellanten] is dan ook onvoldoende onderbouwd. Mogelijke oplossingen 3.4.18 In de huidige configuratie (geen individuele aansluitingen) heeft Elmar niet de mogelijkheid met bewoners die verhuren een individuele overeenkomst af te sluiten. Die onmogelijkheid heeft [appellanten] destijds aanvaard door, bewust, te kiezen voor de huidige configuratie. 3.4.19 Een oplossing kan zijn, zoals [appellanten] voorstelt, de huidige overeenkomst (met [appellanten]) te vervangen door individuele overeenkomsten met de 127 appartementseigenaren. Elmar kan dan op individuele basis het toepasselijke tarief overeenkomen. 3.4.20 Deze oplossing vergt dat Elmar moet en mag beoordelen of in dat geval de individuele installatie van de klant voldoet aan de eisen die zij daaraan mag stellen op grond van (de artikelen 4 lid 7 sub b en 5 van) haar algemene voorwaarden. Op dit moment voldoet de installatie van de 127 appartementen volgens Elmar niet aan die voorwaarden omdat het aansluitpunt — de plaats van overgang tussen de aansluiting en de installatie — niet aan de openbare weg is gelegen, maar op het terrein van [appellanten]. Die bereikbaarheid van het aansluitpunt is, zo voert Elmar aan, van belang in verband met onderhoud, (brand)veiligheid, storing in het distributienet en het controleren van de meetinrichting op onder meer schade en manipulatie. 3.4.21 [ appellanten] heeft, onweersproken, gesteld dat de op haar terrein gelegen aansluitpunten van de 127 appartementen te allen tijde voor Elmar bereikbaar zijn en dat zelfs twee parkeerplaatsen gereserveerd zijn voor Elmar op haar terrein. Kortom, Elmar kan altijd toegang hebben tot de genoemde aansluitpunten. Het door Elmar aangevoerde bezwaar komt daarom niet veel gewicht toe. 3.4.22 Het omzetten van de bestaande overeenkomst in 127 individuele overeenkomsten lijkt daarom vooral een, bewerkelijke, administratieve operatie te zijn. Medewerking van alle appartementseigenaren is daarvoor nodig, in het bijzonder ook van de appartementseigenaren die verhuren omdat voor hen het B-tarief zal gaan gelden. Het verkrijgen van die medewerking en het daarbij verstrekken van een betrouwbare opgave van het gebruik van het appartement ligt in het domein van [appellanten] nu zij de vertegenwoordiger van al deze eigenaren is. 3.4.23 Het kan zijn dat de omzettingsoperatie kosten meebrengt. Bijvoorbeeld administratieve kosten en kosten van vervanging van bestaande meters. Wellicht ook zijn andere kosten noodzakelijk. Naar het voorlopig oordeel van het Hof dienen deze door [appellanten] te worden gedragen. 3.4.24 Intussen heeft [appellanten] ook nog de vraag neergelegd bij Elmar om de bestaande aansluiting te splitsen in één voor [naam vereniging 1] en één voor [naam vereniging 2]. Op die manier zou elke aansluiting een vermogen nodig hebben van minder dan 500 kVA. Gehanteerd zou dan kunnen worden het B-tarief. In deze constructie wordt dus niet met alle 127 appartementseigenaren gecontracteerd, maar slechts met [naam vereniging 1] en [naam vereniging 2]. Deze optie lijkt op het eerste gezicht relatief eenvoudig realiseerbaar, ook zonder dat partijen in deze zaak verder procederen. 3.4.25 Het Hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich, bij akte, uit te laten over wat in de overwegingen 3.4.18 tot en met 3.4.25 van dit vonnis is opgenomen. Zij kunnen zich dan ook uitlaten over de kosten van de omzettings- respectievelijk splitsingsoperatie, de vraag of een van beide oplossingen redelijkerwijs kan worden bereikt, welk alternatief de voorkeur heeft en voor wiens rekening de kosten zouden moeten komen. Ook kunnen zij zich dan uitlaten over de vraag of de in artikel 6:248 lid 2 BW bedoelde onaanvaardbaarheidssituatie zich voordoet en waarom (niet). Slotsom 3.4.26 De zaak wordt voor het nemen van een akte (eerst [appellanten], daarna Elmar) verwezen naar de rol. In afwachting van de resultaten van die aktewisseling wordt iedere verdere beslissing aangehouden. B E S L I S S I N G Het Hof: verwijst de zaak naar de rolzitting van het Hof in Aruba van 15 september 2026 voor het nemen van een akte (eerst [appellanten] en daarna Elmar) als in de overwegingen 3.4.18 tot en met 3.4.25 bedoeld; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.