Rechtspraak 2026-02-03
ECLI:NL:OGHACMB:2026:132
Burgerlijke zaken over 2026 Registratienummers: BON202200099-BON2023H00032 BON202300163-BON2024H00015 Uitspraak: 3 februari 2026 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak (BON2023H00032) van: 1. de vereniging VERENIGING GEMEENSCHAPPELIJKE BELANGEN VAN EIGENAREN SAND DOLLAR CONDO-TEL AND BEACH CLUB hierna: de Vereniging, 2. de vereniging VERENIGING VAN EIGENAREN SAND DOLLAR CONDO-TEL AND BEACH CLUB, GEBOUW FI hierna: VvE FI, 3. de vereniging VERENIGING VAN EIGENAREN SAND DOLLAR CONDO-TEL AND BEACH CLUB, GEBOUW BII-CI hierna: VvE BII-CI allen gevestigd in Bonaire, appellanten in principaal beroep, geïntimeerden in incidenteel beroep, gemachtigden: mrs. T.L.H. Peeters en S.L. Navia Rodriguez, tegen 1 [geïntimeerde 1], wonende in [woonplaats], hierna: [geïntimeerde 1], 2. [geïntimeerde 2] wonende in [woonplaats], hierna: [geïntimeerde 1], geïntimeerden in principaal beroep, appellanten in incidenteel beroep, gemachtigde: mr. M.G. van Dijk, en in de zaak (BON2024H00015) van: de vereniging VERENIGING GEMEENSCHAPPELIJKE BELANGEN VAN EIGENAREN SAND DOLLAR CONDO-TEL AND BEACH CLUB hierna: de Vereniging, gevestigd in Bonaire, appellanten in principaal beroep, geïntimeerden in incidenteel beroep, gemachtigden: mrs. T.L.H. Peeters en S.L. Navia Rodriguez, tegen 1 [geïntimeerde 3], 2. geïntimeerde 4] , 3. geïntimeerde 5] , 4. geïntimeerde 2] , 5. geïntimeerde 6] , 6. geïntimeerde 1] , allen woonplaats gekozen hebbende in [woonplaats], geïntimeerden in principaal beroep, appellanten in incidenteel beroep, gemachtigde: mr. M.G. van Dijk, In zaak BON2023H00032H00032 worden de appellanten hierna gezamenlijk (ook) aangeduid als de VvE’s. In zaak BON2023H00015 worden de geïntimeerden hierna gezamenlijk (ook) aangeduid als de groep [geïntimeerde 3]. 1. Samenvatting Dit speelt zich af op het Sand Dollar-resort in Bonaire. Het betreft een langlopend conflict, ook al onderwerp van een aantal eerdere procedures in eerste aanleg en in hoger beroep, tussen groepen appartementseigenaren binnen het resort over de vraag of de erfpachtsrechten op bepaalde aanpalende percelen moeten worden aangekocht door de Vereniging van Eigenaren van het resort. De groepen bewoners die zich daartegen verzetten weigeren de hogere resortfee te betalen die het gevolg zou zijn van die aankoop. Het Gerecht heeft hen grotendeels gelijk gegeven. Het Hof beoordeelt de vorderingen van de Vereniging van Eigenaren opnieuw. 2. Het verloop van de procedures in hoger beroep in zaak BON2023H00032 (hierna: zaak H32) 2.1 Bij op 10 oktober 2023 ingekomen akte van appel zijn de VvE’s in hoger beroep gekomen van het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire (hierna: het Gerecht) van 30 augustus 2023 (met zaaknummer BON202200099). 2.2 Bij op 20 november 2023 ingekomen memorie van grieven hebben de VvE’s bezwaren tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis en het daaraan voorafgaande tussenvonnis zal vernietigen en de vorderingen van de VvE’s alsnog zal toewijzen als volgt: a. veroordeling van [geïntimeerde 1] tot betaling van USD 12.847, vermeerderd met de contractuele rente van 18% per jaar, b. veroordeling van [geïntimeerde 2] tot betaling van USD 13.317, vermeerderd met de contractuele rente van 18% per jaar, met veroordeling in de proceskosten in beide instanties, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente. 2.3 Bij op 10 januari 2024 ingekomen memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties, hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de grieven bestreden en eigen bezwaren tegen het vonnis aangevoerd. Hun conclusie strekt er onder meer toe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen met verbetering van gronden en de veroordeling van de VvE’s in de werkelijk gemaakte proceskosten in beide instanties, met bepaling dat [geïntimeerde 1] De vennootschap zal (…) op de percelen (Hof: de Common Grounds), de navolgende faciliteiten stichten, en zal deze naar behoren blijven onderhouden en in bedrijf casu quo bruikbaar houden, alsmede beschikbaar houden ten behoeve van appartementsrechten, voor onbeperkt gebruik om niet door de eigenaren en de gebruikers daarvan met hun gasten (…). Bedoelde faciliteiten zijn tenminste: parkeerplaatsen (minimaal even zoveel als het aantal appartementen), een restaurant met terras, een zwembad met terras, een zeestrand, twee tennisbanen, wegen, casu quo paden om bedoelde faciliteiten te bereiken vanaf de openbare weg en vanaf de appartementen, vice versa, alsmede groenvoorzieningen. 2. In iedere akte van vervreemding van een appartementsrecht zullen zodanige bepalingen en bedingen worden opgenomen dat de nakoming door de vennootschap van zijn verplichtingen en de handhaving van de aan de appartementen verbonden rechten, alles als bij lid 1 bedoeld, genoegzaam zullen zijn zeker gesteld.”. In de splitsingsakten van 18 augustus 1986, 11 december 1986 en 6 november 1987 zijn de hiervoor geciteerde artikelen 46 lid 1 en 2 opgenomen in artikel 47, dat onder meer luidt als volgt: 3(…) worden bij deze om niet gevestigd ten behoeve van het de koper bij deze akte geleverde appartementsrecht als heersend erf, en ten laste van de verkoper (…) als lijdende erven, de navolgende erfdienstbaarheden: a. de erfdienstbaarheid van weg (…) b. de erfdienstbaarheid van pad, om (…) te komen van en te gaan naar de faciliteiten, ten minste zijnde: parkeerplaatsen (minimaal even zoveel als het aantal appartementen), een restaurant met terras, een zwembad met terras, een zeestrand, twee tennisbanen, alsmede groenvoorzieningen; c.(…) de erfdienstbaarheid tot het voor rekening van verkoper aanleggen alsmede onderhouden van de hiervoor sub a en b bedoelde wegen en paden(…); 4 eveneens (…) wordt bij deze door en ten behoeve van koper en zijn rechtsopvolgers bedongen van, opgelegd aan en aangenomen door verkoper, de verplichting tot het stichten (…) van de hiervoor sub 3b genoemde faciliteiten, en het naar behoren blijven onderhouden en in bedrijf casu quo bruikbaar houden, alsmede beschikbaar houden ten behoeve van het bij deze akte overgedragen appartementsrecht van die faciliteiten, zulks voor onbeperkt gebruik om niet door de gerechtigde tot het onderhavige appartementsrecht en de gebruikers van dat recht met hun gasten met inachtneming van het in artikel 47 bedoelde reglement (…); 5 op verbeurte van een (…) boete (…) zullen de bedingen van de artikelen 3 en 4 van deze akte en van dit artikel 5 bij vervreemding van(…) de huidige kadastrale percelen (…) voor zover deze bestemd of mede bestemd zijn voor de stichting van vorenbedoelde bedoelde wegen, paden en faciliteiten – aan de nieuwe verkrijger moeten worden opgelegd (…)”. 3.4 In de leveringsakten van de afzonderlijke appartementen is steeds vastgelegd dat dit gebruiksrecht om niet aan de kopers wordt toegekend. In geval van verkoop wordt de voortzetting van dit gebruiksrecht verzekerd door een kettingbeding. 3.5 Een kleine groep eigenaren heeft in 2004/2005, toen volgens hen commerciële ontwikkeling van de Common Grounds door derden dreigde, gezamenlijk het erfpachtsrecht op die percelen verworven en ondergebracht in de vereniging The Beach Club at Sand Dollar (hierna: de Beach Club). De Vereniging heeft een overeenkomst gesloten met de Beach Club, die voorziet in een exclusief gebruiksrecht voor appartementseigenaren (dat wil zeggen afsluiting van de Common Grounds voor iedereen die geen lid is van de Beach Club). Over de verlenging van die overeenkomst wordt jaarlijks in de algemene ledenvergadering van de Vereniging een besluit genomen. 3.6 Dezelfde groep eigenaren heeft in 2018 van enkele aanpalende aan zee gelegen percelen (de Seaside percelen) de erfpachtsrechten verworven en heeft die ondergebracht in Barracuda Beach LLC (hierna: Barracuda Beach). De Vereniging heeft een overeenkomst gesloten met Barra 4.4 Het Gerecht heeft in het bestreden vonnis van 20 maart 2024 (hersteld bij vonnis van 24 april 2024) het besluit van het Bestuur van 21 september 2021 tot het sluiten van een huurovereenkomst met Beach Club over de Main Office nietig verklaard (wegens strijd met het in de splitsingsakten vastgelegde gratis gebruiksrecht). Om diezelfde reden heeft het Gerecht daarnaast de vorderingen II, III en IV toegewezen, met veroordeling van de Vereniging tot dwangsommen bij overtreding van deze verboden, met veroordeling van de Vereniging in de proceskosten conform het liquidatietarief. De vordering van de groep [geïntimeerde 1] om de Vereniging in de werkelijke proceskosten te veroordelen is afgewezen. 5. De beoordeling in beide zaken uitleg inhoud oorspronkelijk toegekend gebruiksrecht 5.1 Deze beide zaken vormen het vervolg van een langlopend conflict tussen de Vereniging en een aantal appartementseigenaren binnen het Resort. De Vereniging heeft besluiten genomen en blijft die nemen om haar doel te bereiken: het bewerkstelligen van een gebruiksrecht van de Common Grounds en de Seaside percelen dat exclusief is voor haar leden. Geïntimeerden in deze beide zaken blijven zich daartegen verzetten omdat zij niet willen meebetalen aan het exclusief maken van dit gebruiksrecht. Zij voeren aan dat zij niet gedwongen kunnen worden tot betaling daarvoor, omdat dit in strijd is met het gratis gebruiksrecht dat hen is toegekend bij aankoop van hun appartementsrechten. 5.2 In beide zaken ligt allereerst de vraag voor of het laten betalen door de appartementseigenaren voor het exclusief maken van het gebruiksrecht in strijd is met het aan hen in de splitsingsakten toegekend gratis gebruiksrecht en in het verlengde daarvan wat de reikwijdte van dat gratis gebruiksrecht is. 5.3 Bij de uitleg van notariële leverings-en vestigingsakten en ook van splitsingsakten geldt een objectieve maatstaf. Het komt aan op de partijbedoeling voor zover die in de akte tot uitdrukking is gebracht. Deze bedoeling kan afgeleid worden uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de inhoud van de gehele akte. De ratio van deze uitleg ligt in de bescherming van derden, die moeten kunnen afgaan op wat in de openbare registers is opgenomen (vaste rechtspraak, recent nog HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1809).. 5.4 Uit de bewoordingen van de hiervoor (in 3.3) geciteerde splitsingsaktes, met name de woorden: “beschikbaar houden (…) voor onbeperkt gebruik om niet” , is naar het oordeel van het Hof voldoende duidelijk dat het de bedoeling van de projectontwikkelaar was dat de appartementseigenaren en hun gasten een onbeperkt gratis gebruiksrecht zouden krijgen en behouden. De Vereniging heeft betoogd (in zaak H32, toelichting op grief 1) dat het in de aktes bedoelde gebruiksrecht niet-exclusief is (omdat derden ook gebruik kunnen maken van de faciliteiten van het resort) en dat het niet in strijd met die bedoeling is dat betaald moet worden voor de exclusiviteit van de faciliteiten (hetgeen bereikt wordt door de aankoop van de Common Grounds/Seaside percelen). Als deze redenering gevolgd wordt leidt dit er echter toe dat de geïntimeerden in deze zaken worden gedwongen mee te betalen (door verhoging van de resortfees) voor een exclusiviteit die aan hen opgedrongen wordt. Dat betekent een inbreuk op het gratis gebruiksrecht dat als bedoeling van de projectontwikkelaar en diens wederpartij is vastgelegd in de spitsingsaktes. Gelet op de duidelijke bewoordingen in die aktes mochten geïntimeerden daarop rekenen bij de aankoop van hun appartementsrechten. Dit betoog van de Vereniging gaat dus niet op. 5.5 De Vereniging heeft allerlei omstandigheden aangevoerd, volgens haar van belang als achtergrond bij dit geschil: - dat het oorspronkelijk de bedoeling was dat de omzet die gegenereerd werd met de exploitatie van de faciliteiten van de Common Grounds de gemeenschappelijke kosten voor het onderhoud daarvan zouden dekken. Dit lu 5.9 Gelet op dit alles gaat het Hof er vanuit dat het gratis gebruiksrecht indertijd ook betrekking had op het huidige perceel [perceelnummer]. Voor de stelling dat latere afsplitsingen van de oorspronkelijke percelen hebben bewerkstelligd dat dit gebruiksrecht niet meer op dit perceel rust heeft de Vereniging onvoldoende aangevoerd, na de gemotiveerde onderbouwing door de geïntimeerden dat dit wel zo is. De Vereniging heeft nog aangevoerd dat deze uitleg tot onaannemelijke consequenties zou leiden omdat daardoor het gebruiksrecht ook zou rusten op andere percelen waarop nu commerciële activiteiten plaatsvinden. Geïntimeerden hebben echter onderbouwd dat de percelen waarop de garages, de winkels met parkeerplaats, het kantoor en de parkeerplaats van MCB zijn gesticht op percelen die niet onderworpen zijn aan het gebruiksrecht. Ook dit argument van de Vereniging gaat dus niet op. besluiten nietig wegens strijd met splitsingsakten of statuten? 5.10 Het Hof zal aan de hand van de hiervoor gegeven uitleg van de splitsingsakten beoordelen of de volgende besluiten in strijd zijn met de splitsingsakten: (i) de jaarlijkse besluiten van de Algemene Ledenvergadering (ALV) tot continuering van de overeenkomst met Beach Club (de Common Grounds besluiten); (ii) de ALV-besluiten tot aankoop van de vijf percelen die Barracuda Beach vormen (de Barracuda Beach besluiten); (iii) de op 20 maart 2023 genomen ALV-besluiten (de 20 maart-besluiten); Daarna zal het Hof afzonderlijk voor zaak H32 en zaak H15 bespreken wat de consequenties zijn voor de in die zaken opgeworpen grieven. 5.11 Meer in het algemeen geldt dat een besluit van een VvE (of het bestuur daarvan) dat in strijd is met de splitsingsakte of de statuten nietig is wegens strijd met artikel 5:129 lid 2 BW BES. Datzelfde volgt ook uit artikel 2:21 lid 1 BW BES. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat een besluit ook nietig is indien een door de wet of in de statuten voorgeschreven quorum, meerderheid, voorstel, voordracht of machtiging ontbreekt. (i)de Common Grounds besluiten 5.12 De Vereniging verweert zich in hoger beroep tegen de nietigheid van deze besluiten met de redenering dat het niet in strijd is met het gratis gebruiksrecht dat betaald moet worden voor de exclusiviteit van de faciliteiten. Hiervoor heeft het Hof al overwogen dat betaling voor het gebruik van de Common Grounds in strijd is met het in de splitsingsakten vastgelegde gratis gebruiksrecht. Dit verweer gaat dus niet op en deze besluiten zijn nietig wegens strijd met artikel 5:129 lid 2 BW BES. (ii)de Barracuda Beach besluiten 5.13 Vast staat dat voor de aankoop van de vijf Seaside percelen een huurkoopsom van USD 82.000 is betaald en dat voor dit aankoopbesluit volgens de statuten (artikel 7 lid 21) en de splitsingsakten (artikel 38 lid 5) een gekwalificeerde meerderheid van 75% nodig is omdat het een uitgave betreft van meer dan NAf 100.000. 5.14 Geïntimeerden in beide zaken hebben aangevoerd dat de Vereniging in het verleden en ook nu weer (in de besluiten van 20 maart 2023) deze statutaire bepalingen heeft proberen te omzeilen. Het voorstel om de percelen te kopen voor USD 82.104 haalde niet de vereiste gekwalificeerde meerderheid. Daarom heeft het Bestuur in 2019 voorgesteld om twee overeenkomsten te sluiten (een overeenkomst voor de huurkoop/lease van twee percelen voor ruim USD 32.000 en een tweede overeenkomst voor ruim USD 50.000 voor de drie andere percelen). Die voorstellen zijn met een gewone meerderheid aangenomen. Nadat het Gerecht in het tussenvonnis van 25 januari 2023 in zaak H32 (in 4.10) had overwogen dat deze besluiten nietig waren wegens strijd met (en omzeiling van) de bepalingen in de statuten en de splitsingsakten heeft het Bestuur op 20 maart 2023 een hernieuwd voorstel (resolutie 9) gedaan om de percelen te kopen voor USD 82.104, welk voorstel weer niet de vereiste gekwalificeerde meerderheid haalde. Daarop anticiperend heeft het Bestuur (voor het geval resolutie 9 niet zou worden aangenomen In het tussenvonnis van 25 januari 2023 (4.13) heeft het Gerecht de Vereniging de gelegenheid gegeven inzichtelijk te maken of en in hoeverre haar vorderingen betrekking hebben op andere vergoedingen dan die het gevolg zijn van de nietige besluiten. In het eindvonnis (2.2-2.4) heeft het Gerecht eerst overwogen dat zij over het hoofd heeft gezien dat de Vereniging in haar pleitnotities voor de zitting van 23 november 2022 heeft erkend dat de berekeningen die [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hadden ingebracht correct zijn. Vervolgens heeft het Gerecht overwogen dat de laatste berekeningen van de Vereniging nog steeds geen duidelijkheid geven over de hoogte van de vorderingen en dat de allerlaatste akte van de Vereniging (van 24 mei 2023) met toelichting op de berekeningen bovendien te laat is genomen. Beide vorderingen zijn vervolgens door het Gerecht afgewezen. 5.24 Met grief 2 komt de Vereniging op tegen dit oordeel met de stelling dat de uitstaande vorderingen wel degelijk gespecificeerd zijn in de procedure bij het Gerecht. De Vereniging legt daarbij berekeningen over van de hoogte van de schulden van beide eigenaren per 28 februari 2023 (producties HB 22 en 23) en per 31 oktober 2023 (productie 24). De Vereniging heeft ook nog een rapport overgelegd (productie HB33) van een zekere [betrokkene 2] met een “independent review of the monthly expenses, payments and interest charges applied to the accounts of [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] for the periode June 2016-July 2024 ”. 5.25 De berekeningen in de producties HB22-HB24 zijn, zo begrijpt het Hof uit de vermelding van die besluiten in de berekeningen, gebaseerd op de veronderstelling dat de 20 maart-besluiten geldig zijn. Die berekeningen zijn alleen daarom al niet bruikbaar voor een onderbouwing van de vorderingen. De berekeningen maken immers niet duidelijk welke condofees [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] verschuldigd zijn als geen rekening gehouden wordt met de nietige besluiten. Dat volgt ook niet uit productie HB 32. Dit nog afgezien van het feit dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de vorderingen gemotiveerd hebben betwist, onder meer door zich (zo begrijpt het Hof) op verrekening te beroepen met door hen onverschuldigd gedane betalingen als gevolg van de nietige besluiten, waarop de Vereniging niet heeft gereageerd. De Vereniging heeft daarmee haar (ook in hoger beroep nog vermeerderde) vorderingen tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onvoldoende onderbouwd. Die vorderingen zijn dus terecht afgewezen en grief 2 faalt. zaak H32- incidenteel beroep (grief I ) 5.26 Het Gerecht heeft in het tussenvonnis van 25 januari 2023 (in 4.2) overwogen dat de Vereniging na een daartoe in haar vergadering genomen besluit bevoegd is om een procedure als deze te voeren en dit besluit ook is genomen door de algemene ledenvergadering. Dit hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] niet betwist. 5.27 Het Gerecht heeft in 4.3 van hetzelfde tussenvonnis overwogen dat aan de VvE’s van de afzonderlijke appartementsgebouwen (in deze zaak VvE F1 en VvE BII-CI, naast de Vereniging mede-verzoekers) geen bevoegdheden meer toekomen en dat zij dus ook geen procesbevoegdheid meer hebben, hetgeen ertoe leidt dat deze twee VvE’s niet-ontvankelijk worden verklaard. 5.28 [ [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben tegen dit laatste oordeel een grief ingediend. Weliswaar heeft het Gerecht de beide VvE’s terecht niet-ontvankelijk verklaard, maar dit had op andere gronden moeten gebeuren, te weten dat het Bestuur geen machtiging had van de ledenvergaderingen van deze VvE’s. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] verwijzen hiervoor naar de overweging 4.12 in de eerdere beschikking van het Hof van 21 november 2023 (genoemd in 3.11). Die overweging luidt als volgt: “4.12 In weerwil van artikel 46 lid 4 van de Splitsingsreglementen (hiervoor in 2.1.4 geciteerd) is de Vereniging niet (geheel) in de plaats van de negen Verenigingen van Eigenaren getreden Zij hebben daarvoor samengevat het volgende aangevoerd. Al meer dan 15 jaar hebben geïntimeerden en hun medestanders hoge kosten moeten maken om allerlei nietige besluiten van de Vereniging aan te vechten, terwijl de Vereniging de gemaakte kosten voor juridische bijstand afwentelt op alle eigenaren. Het Bestuur gaat er vanuit dat geïntimeerden uiteindelijk het hoofd moeten buigen omdat zij hun strijd financieel niet kunnen volhouden. Dat is in strijd met de gedachte achter het begroten van de proceskosten conform het liquidatietarief, namelijk dat procespartijen zich niet laten weerhouden hun standpunt aan de rechter voor te leggen uit vrees voor een hoge proceskostenveroordeling. Dit levert daarom misbruik van procesrecht op. Bovendien kon de Vereniging op grond van eerdere gerechtelijke uitspraken weten dat hun vorderingen kansloos waren. Nadat het Gerecht in zaak H32 (in het tussenvonnis van 25 januari 2023) had overwogen dat de besluiten inzake de Common Grounds en inzake Barracuda Beach nietig waren heeft de Vereniging ter frustratie van de gevolgen van dat vonnis op 20 maart 2023 nieuwe besluiten genomen, die in het eindvonnis van 30 augustus 2023 ook door het Gerecht nietig zijn bevonden. Dat heeft de Vereniging er niet van weerhouden om in zaak H15 verweer te voeren. Gerechtelijke uitspraken worden bewust gefrustreerd en de Vereniging belooft dit gedrag te zullen voortzetten (dit blijkt uit de memorie van grieven (randnummer 2.11) in zaak H15, waarin staat : “Tot er wel een oplossing gevonden wordt die in rechte standhoudt moet de Vereniging genoodzaakt blijven procederen”. 5.39 Zoals het Gerecht in beide zaken terecht heeft overwogen ligt de lat hoog voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten is slechts plaats in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad ( HR 6 april 2012 ECLI:NL:HR:2012:BV7828 Duka/Achmea; HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360) is daar pas sprake van als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. 5.40 Aan dit strenge criterium voldoen de omstandigheden in deze zaken niet. Voor de beoordeling van de vorderingen inzake de nietigheid van besluiten van de Vereniging is uitleg van de splitsingsakten nodig. Geïntimeerden hebben weliswaar gesteld al 15 jaar te procederen “om allerlei nietige besluiten van de Vereniging aan te vechten”, maar hebben niet gewezen op concrete en recente rechterlijke uitspraken in hoger beroep waarbij al eerder geoordeeld is over de reikwijdte van het gebruiksrecht in deze splitsingsakten. Daarmee kan niet gezegd worden dat de vorderingen in deze zaken inzake de nietigheid van besluiten evident ongegrond of kansloos waren. Dat geldt in elk geval ook niet voor de incassovorderingen inzake de condofees in zaak H32. 5.41 Geïntimeerden hebben verder aangevoerd dat het Bestuur “niet schroomt om eenieder een rad voor ogen te draaien om te voorkomen dat meer eigenaren in opstand komen” en “tracht via misleiding en leugens het gelijk aan haar zijde te krijgen” maar dit wordt betwist door de Vereniging, die stelt de belangen van de meerderheid van de eigenaren te behartigen. Ook deze stellingen leiden niet tot een uitzondering op de regel dat de proceskosten volgens het liquidatietarief worden begroot. 5.42 Wat wel duidelijk blijkt, is dat de Vereniging niet van plan is haar koers te wijzigen en koste wat kost door wil procederen “tot er een oplossing gevonden wordt die in rechte stand houdt” . Vast staat dat het Bestuur bewust heeft geprobe